Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM5303

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
AWB 08 / 2111
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP3720, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid tot opleggen bouwstop. Stelling dat voor de werkzaamheden die op het moment van de bouwstop ontplooid werden ingevolge artikel 43 van de Woningwet geen bouwvergunning was vereist omdat deze enkel een verandering van niet-ingrijpende aard inhielden. De bouwwerkzaamheden die ten tijde van feitelijke stillegging werden ontplooid strekten tot verbouwing van de benedenverdieping van het pand van winkelpand tot kantoorpand en bestonden onder meer uit het doorbreken van een tweetal wanden, op plekken waarin reeds openingen bestonden (onder meer in de vorm van een raam), en het verwijderen van een rolpoort in de voorgevel. Nu hiermee een begin is gemaakt met verbouw van het winkelpand tot kantoorpand, wijzigen door de aard en omvang van deze werkzaamheden de ruimtelijke en planologische uitstraling van het pand zodanig dat reeds hierom van een wijziging van niet-ingrijpende aard geen sprake is. Voornoemde werkzaamheden zijn derhalve vergunningplichtig. Nu vaststaat dat voor deze werkzaamheden geen bouwvergunning was verleend, heeft eiser gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet en was verweerder bevoegd handhavend op treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 2111

Uitspraak

in het geding tussen

[naam],

wonend te Stein, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 4 november 2008

Kenmerk: VH&HCBA 0841 08uit1545

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen zijn - hieronder nader te duiden - besluit van 15 mei 2008 ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering van laatstgenoemd besluit.

Eiser heeft tijdig en gemotiveerd beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingesteld tegen het besluit van 4 november 2008.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde A.J.L.J. Pfeil, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door N.S.A. Daniels en M.C.J. van den Besselaar, beiden werkzaam bij de gemeente Stein.

2. Overwegingen

Tijdens een controle op 14 mei 2008 is door een ambtenaar van verweerders gemeente geconstateerd dat eiser op het hem in eigendom toebehorende pand gelegen aan de [adres] te Stein bouwwerkzaamheden verrichtte (dan wel liet verrichten) waarvoor geen bouwvergunning was verleend. Gelet hierop heeft de betrokken ambtenaar de bouwwerkzaamheden stilgelegd.

Vervolgens heeft verweerder bij het in rubriek 1 genoemde besluit van 15 mei 2008 eiser op grond van artikel 100 van de Woningwet en artikel 11.1 van de gemeentelijke bouwverordening juncto artikel 5:21 van de Awb gelast alle bouwactiviteiten te staken totdat een bouwvergunning is aangevraagd en verleend, onder oplegging van een last onder dwangsom van € 5000,00 voor elke week dat eiser geen gevolg geeft aan de last, met een maximum van € 30.000,00.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Ter zake van deze bezwaren is eiser gehoord door de gemeentelijke commissie bezwaar en beroep, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Overeenkomstig het advies van deze commissie heeft verweerder vervolgens het bestreden besluit genomen.

Eiser heeft hiertegen in beroep primair aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was tot het stilleggen van de bouwwerkzaamheden, nu voor deze werkzaamheden, althans de werkzaamheden die op 14 mei 2008 ontplooid werden, ingevolge artikel 43 van de Woningwet geen bouwvergunning was vereist. Subsidiair heeft eiser gesteld dat de gegeven last onduidelijk was en dat verweerder de hoogte van de opgelegde dwangsom willekeurig heeft vastgesteld, althans onvoldoende heeft gemotiveerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb, zoals dit artikel ten tijde hier in geding luidde, wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, zoals dit artikel ten tijde hier in geding luidde, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dit artikel ten tijde hier in geding luidde, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Ingevolge artikel 100d van de Woningwet kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom inhouden dat het bouwen, gebruik of slopen wordt gestaakt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wordt als bouwen van beperkte betekenis aangemerkt het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1°. de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie van dat bouwwerk,

2°. de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid, en

3°. het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

Uit de nota van toelichting op deze bepaling (Staatsblad 2002, nr. 410, p. 36/37) blijkt dat, ook al wordt voldaan aan de drie daarin expliciet vermelde kenmerken, dit nog niet betekent dat de verandering daadwerkelijk van niet-ingrijpende aard is. Ook moet worden voldaan aan de meer algemeen geformuleerde term “niet-ingrijpend van aard”. Deze term dient niet alleen in bouwkundige maar ook in stedenbouwkundige zin te worden opgevat. Daarbij spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol.

Gelet op het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is niet in geding dat de bouwwerkzaamheden die ten tijde van feitelijke stillegging op 14 mei 2008 werden ontplooid (mede) strekten tot verbouwing van de benedenverdieping van het pand [adres] van winkelpand tot kantoorpand en onder meer bestonden uit het doorbreken van een tweetal wanden, op plekken waarin reeds openingen bestonden (onder meer in de vorm van een raam), en het verwijderen van een rolpoort in de voorgevel. Nu hiermee een begin is gemaakt met verbouw van het winkelpand tot kantoorpand, wijzigen door de aard en omvang van deze werkzaamheden de ruimtelijke en planologische uitstraling van het pand zodanig dat reeds hierom van een wijziging van niet-ingrijpende aard geen sprake is. Voornoemde werkzaamheden zijn derhalve vergunningplichtig. Nu vaststaat dat voor deze werkzaamheden op 14 mei 2008 geen bouwvergunning was verleend, heeft eiser gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet en was verweerder bevoegd handhavend op treden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de hiervoor genoemde ambtenaar in redelijkheid een bouwstop kunnen opleggen, welke bouwstop bij verweerders besluit van 15 mei 2008 is bevestigd.

Voor zover eiser (overigens eerst ter zitting) heeft gesteld dat de bij voornoemde besluit gegeven last onduidelijk was, nu deze ook betrekking kon hebben op werkzaamheden waarvoor geen bouwvergunning nodig was, overweegt de rechtbank het volgende.

De door verweerder opgelegde bouwstop moet geacht worden te zijn gebaseerd op artikel 100d van de Woningwet. De uitoefening van de in dit artikel gegeven bevoegdheid is bij uitstek gericht op de onmiddellijke stillegging van de met die wet strijdige bouwwerkzaamheden. Gelet op de aard en het beoogde doel van die bevoegdheid heeft verweerder niet hoeven nagaan of de bouw gelegaliseerd kan worden. De rechtbank verwijst in dezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 november 2009 (LJN BK4375). Gelet op het doel en het karakter van de bouwstop als ordemaatregel was verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenmin gehouden op dat moment (reeds) te onderzoeken of de bouwkundige en functionele samenhang tussen de (beweerdelijke) niet-bouwvergunningplichte werkzaamheden en de bouwvergunningplichtige werkzaamheden zodanig gering was dat eerstgenoemde werkzaamheden als geheel op zichzelf staande werkzaamheden konden worden beschouwd. Beantwoording van deze vraag was eerst aan de orde bij de beslissing op een door eiser in te dienen aanvraag om een bouwvergunning.

Ten aanzien van eisers grief met betrekking tot (de motivering van) de hoogte van de dwangsom overweegt de rechtbank dat zowel uit de (aanvullende) motivering die op dit punt in het bestreden besluit is gegeven, als uit de ter zitting door verweerder gegeven toelichting blijkt dat binnen verweerders gemeente in dezen sprake is van een bestendige gedragslijn waarbij de hoogte van de dwangsom wordt gerelateerd aan de hoogte van bouwkosten. Deze gedragslijn is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk te achten. In het onderhavige geval is verweerder bij de vaststelling van de hoogte van bouwkosten uitgegaan van het bedrag zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 30 juli 2008, waarbij aan eiser een bouwvergunning is verleend voor het veranderen van een winkel/kantoorpand op het perceel [adres] te Stein. Gesteld noch gebleken is dat dit bedrag onjuist zou zijn. Het vaststellen van de hoogte van de dwangsom op (ongeveer) 50% van dit bedrag acht de rechtbank evenmin onredelijk. Ook deze grief van eiser faalt derhalve.

Tot slot overweegt de rechtbank dat het doel en karakter van de bouwstop als ordemaatregel en de vervolgens opgelegde last onder dwangsom niet uitsluiten dat onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een dergelijke maatregel moet worden afgezien. De door eiser in dit verband aangedragen financiële en constructieve redenen, heeft verweerder evenwel in redelijkheid niet als zodanige omstandigheden hoeven aan te merken.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond is te achten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt daarom als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.M.M. Kleijkers, in tegenwoordigheid van A.G.P.M. Zweipfenning, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2010. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.