Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM4313

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
149927 / BZ RK 10-224
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene stelt zich bij monde van haar advocaat op het standpunt dat het verzoek van de officier van justitie moet worden afgewezen, hoewel aan de wettelijke voorwaarden voor gedwongen opname is voldaan, omdat elk behandelingsperspectief zou ontbreken. Betrokkene verwijst hiertoe naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2010 (LJN: BL9792). De rechtbank stelt voorop dat het zich kan voordoen dat ook als aan de vereisten van - kort gezegd – een geestelijke stoornis en het daardoor veroorzaakte gevaar is voldaan, het zich kan voordoen dat de vraag of van noodzaak of wenselijkheid sprake is afzonderlijk onder ogen moet worden gezien, met name wanneer uitsluitend gevaar voor de patiënt zelf bestaat en wordt aangevoerd dat diens belangen onmiskenbaar niet met voortzetting van de verpleging zijn gediend (HR 16 februari 1990, NJ 1990, 514). Uit de beschikking van de Hoge Raad van 30 januari 2009 (LJN: BG5287 en Bj 2009, 9) leidt de rechtbank af dat een met een vrijheidsbeneming gepaard gaande opneming enkel teneinde de druk op de psychische gezondheid van de echtgenoot van betrokkene weg te nemen disproportioneel is. Dit heeft tot gevolg dat het huidige verzoek slechts kan worden toegewezen als de gedwongen opneming van betrokkene als een effectief middel ter afwending van de genoemde gevaren voor haarzelf kan worden beschouw. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van betrokkene aan laatstgenoemde voorwaarde is voldaan. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, waarop de advocaat van betrokkene zich heeft beroepen, is met betrekking tot het nu te beoordelen verzoek niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat ter afwending van het genoemde gevaar voor betrokkene zelf volstaan zou kunnen worden met minder ingrijpende maatregelen dan een gedwongen opneming. Naar het oordeel van de rechtbank is in de rechtspraak geen steun te vinden voor de opvatting dat het ontbreken van behandelperspectief, in die zin dat de huidige behandeling geen perspectief biedt op verbetering van de geestestoestand van de patiënt en daardoor tot een afname van het gevaar, de rechtbank zou verplichten tot afwijzing van het verzoek, in een situatie waarin deze afwijzing – naar namens betrokkene niet is bestreden - tot de maatschappelijke teloorgang van betrokkene zou leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum beschikking: 26 april 2010

Zaaknummer: 149927 / BZ RK 10-224

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven

in de zaak van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum],

wonend te [adres],

verblijvend in de Mondriaan Maastricht.

1. Het procesverloop

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 14 april 2010 ter griffie ingekomen, aan de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) het verblijf van [betrokkene] in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren.

Bij het verzoekschrift is een op 14 april 2010 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring overgelegd van drs. H.L.L. Beckers, waarnemend geneesheer-directeur van het ziekenhuis waar betrokkene verblijft.

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 22 april 2010, waar zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door mr. F.W. Oehlen, advocaat te Beek, alsmede drs, C. van Helden, co-assistent en drs. E. Frissen, arts-assistent.

2. Beoordeling

2.1

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren. De rechtbank tekent hierbij aan dat zij laatstelijk op 30 maart 2009 machtiging heeft verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar. Deze machtiging gold dus tot en met 30 maart 2010. Gedurende de periode tussen deze datum en de datum van beslissing op het huidige verzoek heeft betrokkene kennelijk vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verbleven. De rechtbank gaat ervan uit dat het woord “voortduren” in het verzoekschrift ziet op dit feitelijk voortgezet verblijf. De rechtbank zal het verzoek echter beoordelen aan de hand van de wettelijke bepalingen die zien op het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bopz.

2.2

Uit de overgelegde stukken en de door de rechtbank tijdens de hoorzitting verkregen inlichtingen blijkt dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, te weten:

-gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat

-gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen

-gevaar dat betrokkene, door haar hinderlijk gedrag, agressie van anderen tegen zichzelf kan oproepen

-gevaar voor de psychische gezondheid van een ander.

en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat betrokkene ervan blijk geeft het vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen, terwijl betrokkene evenmin te kennen heeft gegeven de behandeling in een ander door haar aangewezen psychiatrisch ziekenhuis, dat bereid is haar op te nemen, te willen doen voortzetten.

2.3

De advocaat van betrokkene heeft aangevoerd dat weliswaar aan de wettelijke voorwaarden voor gedwongen opneming is voldaan, maar dat het verzoek desalniettemin moet worden afgewezen, omdat er in het geval van betrokkene sprake is van disproportionaliteit tussen het middel – gedwongen opneming – en het doel – het afwenden van het voornoemde gevaar. Bij monde van haar advocaat heeft betrokkene betoogd dat gedwongen opneming voor haar geen meerwaarde heeft, omdat elk behandelperspectief ontbreekt. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij verwezen naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2010 (LJN: BL9792). Desgevraagd heeft de advocaat gezegd dat het verzoek ook zou moeten worden afgewezen als aannemelijk zou zijn dat dit de maatschappelijke teloorgang van betrokkene tot gevolg zou hebben.

2.4

In de zojuist genoemde beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch overwogen dat in het door haar te beoordelen geval van disproportionaliteit in voornoemde zin sprake was, omdat de afwending van het gevaar – in dat geval het gevaar dat betrokkene zichzelf van het leven zou beroven- ook door middel van een minder verstrekkend middel zou kunnen worden gerealiseerd, te weten door verblijf in de thuissituatie in combinatie met ambulante behandeling. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft hiertoe mede op gezag van literatuur en klinische ervaring overwogen dat het suïcidegevaar bij gedwongen opneming van de betrokkene mogelijk zelfs groter zou kunnen zijn dan bij verblijf in de thuissituatie.

2.5

De rechtbank stelt voorop dat het zich kan voordoen dat ook als aan de vereisten van - kort gezegd – een geestelijke stoornis en het daardoor veroorzaakte gevaar is voldaan, het zich kan voordoen dat de vraag of van noodzaak of wenselijkheid sprake is afzonderlijk onder ogen moet worden gezien, met name wanneer uitsluitend gevaar voor de patiënt zelf bestaat en wordt aangevoerd dat diens belangen onmiskenbaar niet met voortzetting van de verpleging zijn gediend (HR 16 februari 1990, NJ 1990, 514).

2.6

In de nu te beoordelen zaak is, behalve van het genoemde gevaar voor de patiënt zelf, sprake van gevaar voor de psychische gezondheid van een ander, in het bijzonder van de echtgenoot van betrokkene. In de geneeskundige verklaring is dit gevaar aldus nader toegelicht dat de echtgenoot niet kan omgaan met het regressief gedrag van betrokkene en dat hij daarop reageert met verbale agressie. Voorts is vermeld dat betrokkene ook de (psychische) gezondheid van haar echtgenoot schade kan berokkenen, omdat hij het gedrag van betrokkene niet aankan.

2.7

Uit de beschikking van de Hoge Raad van 30 januari 2009 (LJN: BG5287 en Bj 2009, 9) leidt de rechtbank af dat een met een vrijheidsbeneming gepaard gaande opneming enkel teneinde de druk op de psychische gezondheid van de echtgenoot van betrokkene weg te nemen disproportioneel is. Dit heeft tot gevolg dat het huidige verzoek slechts kan worden toegewezen als de gedwongen opneming van betrokkene als een effectief middel ter afwending van de genoemde gevaren voor haarzelf kan worden beschouwd.

2.8

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van betrokkene aan laatstgenoemde voorwaarde is voldaan. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, waarop de advocaat van betrokkene zich heeft beroepen, is met betrekking tot het nu te beoordelen verzoek niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat ter afwending van het genoemde gevaar voor betrokkene zelf volstaan zou kunnen worden met minder ingrijpende maatregelen dan een gedwongen opneming. Naar het oordeel van de rechtbank is in de rechtspraak geen steun te vinden voor de opvatting dat het ontbreken van behandelperspectief, in die zin dat de huidige behandeling geen perspectief biedt op verbetering van de geestestoestand van de patiënt en daardoor tot een afname van het gevaar, de rechtbank zou verplichten tot afwijzing van het verzoek, in een situatie waarin deze afwijzing - naar namens betrokkene niet is bestreden - tot de maatschappelijk teloorgang van betrokkene zou leiden.

2.9

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

Gelet op de betreffende artikelen van de Wet Bopz wordt derhalve als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank:

verleent voorlopige machtiging om betrokkene te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal zes maanden.

Aldus gegeven door mr. R.E. Bakker, rechter, en uitgesproken op 26 april 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.