Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM2989

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 272
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woonvoorziening-verhuizing-vergelijking kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 272

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser],

wonend te Sittard, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 januari 2009

Kenmerk: 75031100/20157744 2009/100435

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 14 december 2009 plaatsgehad.

Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door Y. Pozun, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

Bij brief van 17 december 2009 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek ter zitting is heropend, omdat de onderhavige zaak zich minder goed leent voor afdoening door een enkelvoudige kamer. Tevens is aan partijen verzocht aan te geven of zij toestemming geven voor afdoening zonder zitting.

Bij brief van 21 december 2009 heeft verweerder toestemming gegeven voor afdoening zonder zitting. Bij (fax)brief van 21 januari 2010 heeft eiser eveneens toestemming gegeven voor afdoening zonder zitting.

Vervolgens heeft de rechtbank (meervoudige kamer) bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven en is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Eiser heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing (het aanpassen van de trap, het toilet, de natte cel en de entree) gevraagd.

Bij het primaire besluit van 7 augustus 2008 heeft verweerder een verhuiskostenvergoeding ter hoogte van maximaal € 1.500,- toegekend als zijnde de goedkoopst adequate voorziening. Deze vergoeding kan eiser aanwenden voor de noodzakelijke aanpassingen in de huidige woning. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder aanpassing van de motivering. De aanvraag had volgens verweerder eigenlijk in zijn geheel afgewezen moeten worden, maar gelet op het verbod van reformatio in peius heeft verweerder de toegekende vergoeding in stand gelaten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Per 1 januari 2008 is de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente

Sittard-Geleen 2008 (de Verordening) in werking getreden. Er is niet voorzien in een overgangsbepaling, zodat bij de beslissing op de aanvraag getoetst dient te worden aan de huidige verordening, tenzij de voorschriften zoals die golden ten tijde van de aanvraag voor eiser duidelijk gunstiger zijn. Dit laatste is hier niet het geval. De bepaling in artikel 21, aanhef en onder b, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2007 is gelijkluidend aan artikel 21, aanhef en onder b, van de Verordening.

Gelet op het bepaalde in artikel 21, aanhef en onder b, van de Verordening wordt de aanvraag voor een woonvoorziening geweigerd indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijke toestemming is verleend door het college.

Het college kan op grond van het bepaalde in artikel 38 van de Verordening in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien strikte toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Vaststaat dat eiser vanwege beperkingen ten gevolge van een amputatie van zijn linkeronderbeen bij besluit van 17 oktober 2006 in aanmerking is gebracht voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing van zijn toenmalige (huur)woning op grond van de Wet Voorziening Gehandicapten. Overeenkomstig het pakket van eisen is aan beide kanten van de trap een trapleuning geplaatst en zijn de natte cel, de toiletruimte en de drempels aangepast. Voorts zijn bij de berging een drempel en bij het brandpad een paal verwijderd.

Eiser is op 9 oktober 2007 verhuisd naar zijn huidige (eigendoms)woning, waarna hij op

20 november 2007 een aanvraag heeft ingediend om hem in aanmerking te brengen voor woningaanpassingen in verband met problemen op het gebied van traplopen en het gebruik van de wc, het bad en de entree. Verweerder heeft naar aanleiding van eisers aanvraag de GGD Zuid-Limburg (hierna: GGD) verzocht een advies uit te brengen. De conclusie van dit advies luidt dat de aanpassingen aan de oude woning (tweede trapleuning, een badplank, een verhoogd toilet, steun, rolstoeltoegankelijke voorzijde en drempelhulp achter) met uitzondering van de trap adequaat waren voor belanghebbende. Er zou wel een medische indicatie voor een traplift zijn geweest.

Beoordeeld dient te worden of eisers verhuizing naar de huidige (eigendoms)woning, gerekend naar de omstandigheden op dat moment, is aan te merken als de goedkoopst adequate oplossing.

Verweerder heeft aan het (primaire) besluit ten grondslag gelegd dat eiser is verhuisd naar een woning die voor eiser, gelet op diens beperkingen, niet als adequaat is te beschouwen. Daarbij heeft verweerder vastgesteld dat ook in de oude woning een aanpassing noodzakelijk zou zijn.

De rechtbank constateert dat verweerder geen vergelijking heeft gemaakt van de kosten die benodigd zijn voor het (eventueel) aanpassen van de door eiser verlaten (huur)woning met de kosten die benodigd zijn voor het aanpassen van de huidige (eigendoms)woning.

Verweerder heeft aldus aan de afwijzing van de aanvraag een onjuiste maatstaf ten grondslag gelegd. Reeds op deze grond komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank verwijst hiervoor ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

12 januari 2010, LJN BL4024. Het beroep is gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbij¬stand worden vastgesteld op € 644,00. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve € 644,00.

3. Beslissing

De rechtbank:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2.draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

3.bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 39,00 vergoed;

4.veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 644,00, te vergoeden aan eiser.

Aldus gedaan door P.J.M. Bruijnzeels, voorzitter, M. Hillen en Y.J. Klik, leden

in tegenwoordigheid van I.M.T. Wijnands als griffier en in het openbaar uitgesproken op

3 mei 2010.

w.g. I.M.T. Wijnands w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.