Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM2987

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
03/550769-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis: Een minderjarige verdachte kan afstand doen van zijn consultatierecht en het aanwezigheidsrecht van een advocaat, indien de minderjarige dit ondubbelzinnig doet en indien de autoriteiten in redelijkheid alles hebben gedaan om ervoor te zorgen dat hij zich bewust is van zijn rechten en zoveel mogelijk de consequenties van zijn afstand kan overzien. Of dit het geval is, hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval, zoals de leeftijd van verdachte, zijn persoon, zijn opleiding, zijn levenservaring en zijn ervaring met politie en justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KINDERRECHTER MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/550769-09

vonnis van de kinderrechter d.d. 29 april 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren [geboortegegevens],

wonende [adresgegevens].

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander een fiets heeft gestolen;

Feit 2: samen met een ander een computer heeft gestolen;

Feit 3: gepoogd heeft een fiets en een of meer appels te stelen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat het eerste en het derde feit wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ook acht zij het tweede feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte de computer alleen, dus niet samen met een ander, heeft gestolen.

Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat in geval de verklaringen van verdachte ten aanzien van de feiten 2 en 3 van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat de “Salduz-rechten” van verdachte zouden zijn geschonden, feit 2 nog steeds wettig en overtuigend kan worden bewezen en voor feit 3 vrijspraak zou moeten volgen. De officier van justitie heeft echter uitdrukkelijk gesteld dat bedoelde rechten niet zijn geschonden.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht enkel feit 1 wettig en overtuigend bewezen en heeft ten aanzien van feit 2 en feit 3 tot vrijspraak gepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de Salduz-rechten van verdachte zijn geschonden, zodat de verklaringen van verdachte in die zaken van het bewijs moeten worden uitgesloten. Deze conclusie baseert de raadsman op een uitspraak van de (raadkamer van de) rechtbank Rotterdam van 17 februari 2010 en een vonnis van de kinderrechter Amsterdam van 13 november 2009, welke uitspraken weer teruggrijpen op de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) gewezen Salduz- en Panovitsarresten en het naar aanleiding daarvan door de Hoge Raad op 30 juni 2009 gewezen arrest. De kernoverweging van de (raadkamer van de) rechtbank Rotterdam houdt in dat bij kinderen die jonger zijn dan 16 jaar ervan moet worden uitgegaan dat ze de consequenties van het afstand doen van een recht op een advocaat niet kunnen overzien, zodat alleen een advocaat afstand kan doen van dit recht. Dat impliceert dat de politie een zware zorgplicht heeft die meer inhoudt dan de simpele vraag of een minderjarige afstand wil doen van zijn recht op een advocaat voorafgaand aan het verhoor. Bovendien heeft een minderjarige ook recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor, dus daar zou, aldus de raadsman, apart afstand van gedaan moeten worden. De kinderrechter in Amsterdam is nog stelliger en zegt dat een minderjarige niet eerder afstand kan doen van het consultatierecht dan nadat hij een raadsman heeft gesproken, hetgeen vervolgens nog moet worden bevestigd door de raadsman.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat verdachte geen idee had waarvan hij afstand deed. De verklaringen die verdachte heeft gedaan tot het moment dat hij met zijn raadsman heeft gesproken op 7 november 2009 moeten dus van het bewijs worden uitgesloten. De raadsman heeft geconcludeerd dat feit 2 dan niet meer wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht, omdat dan alleen de aangifte, de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] en de verklaring van de moeder van medeverdachte overblijven. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat [naam medeverdachte] er belang bij heeft de schuld in de schoenen van verdachte te schuiven. Er kan dan niet worden uitgesloten dat de computer door iemand anders is gestolen.

Datzelfde geldt volgens de raadsman voor feit 3. De enkele notitie dat verdachte afstand doet van zijn recht op juridische bijstand is volstrekt onvoldoende. De verklaring van verdachte in deze zaak moet dus ook worden uitgestolen van het bewijs, waarna enkel de aangifte overblijft, wat niet genoeg is om te komen tot een bewezenverklaring van dit feit.

3.3 Het oordeel van de kinderrechter

Feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman acht de kinderrechter het eerste feit wettig en overtuigend bewezen. Daartoe wordt verwezen naar de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting alsmede naar de aangifte.

Feit 2

In het licht van het door de raadsman gevoerde Salduz-verweer stelt de kinderrechter het volgende voorop. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM, aangevangen met de arresten inzake Salduz tegen Turkije van 27 november 2008 en Panovits tegen Cyprus van 11 december 2008, alsmede het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 moet een aangehouden verdachte, behoudens uitzonderingen, binnen redelijke grenzen gelegenheid worden geboden vóór het politieverhoor een advocaat te raadplegen en moet de verdachte op dat consultatierecht worden gewezen. Voor jeugdige verdachten geldt bovendien dat zij recht hebben op de aanwezigheid van een raadsman of een andere vertrouwenspersoon

– doorgaans (een van) de ouders – tijdens het politieverhoor, het zogeheten aanwezigheidsrecht.

De kinderrechter zal eerst het consultatierecht onder de loep nemen. Eerst dient dan te worden vastgesteld of verdachte is gewezen op zijn consultatierecht. Nu de politie verdachte bij de aanhouding heeft gevraagd of hij voorafgaande aan het verhoor gebruik wilde maken van een onderhoud “in persoon/telefonisch” met een advocaat dan wel met zijn ouders, is komen vast te staan dat het consultatierecht van verdachte tot dusverre is geëerbiedigd.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte vervolgens op de hiervoor bedoelde vraag van de politie heeft verklaard dat hij géén gebruik wilde maken van zijn recht op een onderhoud met een advocaat of met een van zijn ouders, moet voorts de vraag worden beantwoord of de verdachte daarmee afstand heeft gedaan van dat recht dan wel of hij daarvan afstand kón doen.

Uit genoemde arresten van het EHRM volgt dat de verdachte binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid zal moeten worden geboden zijn recht te verwezenlijken, tenzij verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, maar in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht dan wel indien sprake is van dwingende redenen die ertoe nopen om hiervan af te wijken. In het arrest Panovits tegen Cyprus heeft het EHRM bovendien nog overwogen dat gegeven de kwetsbaarheid van een minderjarige verdachte en diens ongelijkwaardige positie in het strafproces het afzien van een wezenlijk recht als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), zoals het consultatierecht, alleen kan worden geaccepteerd, indien dit ondubbelzinnig is en de autoriteiten in redelijkheid alles hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de (minderjarige) verdachte zich volledig bewust is van zijn rechten en zoveel mogelijk de consequenties van het hiervan afstand doen kan overzien. In het arrest Pishchalnikov tegen Rusland van 24 september 2009 heeft het EHRM voorts overwogen dat afstand niet alleen vrijwillig moet gebeuren, maar ook zodanig dat blijkt dat de (minderjarige) verdachte zich van het doen van afstand bewust is.

In het licht van deze rechtspraak van het EHRM kan de kinderrechter niet onderschrijven dat minderjarige verdachten nimmer afstand kunnen doen van de hen ingevolge artikel 6 van het EVRM toekomende rechten, zoals is overwogen door voormelde (raadkamer van) de rechtbank Rotterdam. Evenmin kan de kinderrechter de daarin gemaakte categorisering volgen, te weten een categorie van minderjarigen die jonger zijn dan 16 jaar en een categorie van minderjarigen van 16 en 17 jaar. Dit geldt evenzeer voor voormeld vonnis van de kinderrechter van Amsterdam, waarin is overwogen dat een minderjarige geen afstand kan doen van het consultatierecht. Beide uitspraken zijn naar het oordeel van de kinderrechter te algemeen en stellig geformuleerd en vinden naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende steun in voormelde rechtspraak van het EHRM. Voor zover de raadsman hierop een beroep heeft gedaan, zal de kinderrechter dat beroep dan ook passeren.

De kinderrechter staat een meer casuïstische benadering van de Salduz-problematiek bij minderjarigen voor. Het door het EHRM aangereikte criterium dat afstand van het consultatierecht door een minderjarige verdachte alleen kan worden geaccepteerd, indien dit ondubbelzinnig is en de autoriteiten in redelijkheid alles hebben gedaan om ervoor te zorgen dat deze zich volledig bewust is van zijn rechten en zoveel mogelijk de consequenties van het hiervan afstand doen kan overzien, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, zoals de wijze waarop het consultatierecht met de minderjarige is besproken, de leeftijd van verdachte, zijn persoon (zoals zijn intelligentie), zijn opleiding, zijn levenservaring en zijn eventuele ervaringen met politie en justitie. Zo kan het zijn dat een minderjarige van 15 jaar heel goed begrijpt waar het om gaat en bewust afstand doet van zijn consultatierecht. Anderzijds kan het ook zijn dat een 17-jarige verdachte die de meerderjarigheid nadert de consequenties van zijn afstand doen niet overziet. Dit alles is dus – de kinderrechter wenst dit andermaal te beklemtonen – afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

Verdachte was bij zijn aanhouding 14,5 jaar. Hij is bekend met de hulpverlening, onder meer wegens psychische problemen. Hij heeft een lage intelligentie (IQ 80) en is beïnvloedbaar. Bovendien zou hij ADHD hebben. Ook is sprake van ernstig drugsgebruik, voornamelijk van wiet, maar de Raad vermoedt tevens cocaïnegebruik. Hij is één keer in februari 2008 in aanraking met de politie gekomen wegens openlijke geweldpleging. Daarvoor heeft hij een taakstraf gekregen van 20 uur bij Bureau HALT. Volgens de Raad voor de Kinderbescherming zijn er aanwijzingen voor onderliggende problemen en/of stoornissen en is nader diagnostisch onderzoek geïndiceerd. De Raad is op dit moment nog bezig met een opvoedingsonderzoek. Het voornemen is om de (civiele) rechter te verzoeken een ondertoezichtstelling uit te spreken.

In het licht hiervan en met name van de persoon van verdachte is de kinderrechter van oordeel dat de politie met de enkele mededeling van verdachte dat hij geen gebruik wilde maken van zijn recht op een onderhoud met een advocaat of met een van zijn ouders niet kon volstaan. Niet is komen vast te staan dat dit afstand doen ondubbelzinnig is gedaan en evenmin kan worden vastgesteld dat de politie in redelijkheid alles heeft gedaan om ervoor te zorgen dat verdachte zich volledig bewust was van zijn rechten en zoveel mogelijk de consequenties van het afstand doen kon overzien.

Nu daarmee het consultatierecht naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende is nageleefd, dient dit ingevolge meergenoemd arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 te leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte ten aanzien van dit feit een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Dit impliceert dat voor het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde nog slechts resteren de aangifte, de processen-verbaal van bevindingen alsmede de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte]. Anders dan de raadsman acht de kinderrechter de verklaring van [naam medeverdachte] betrouwbaar. Niet valt in te zien waarom [naam medeverdachte] verdachte de schuld in de schoenen wilt schuiven, zoals de raadsman heeft aangevoerd, temeer nu [naam medeverdachte] zijn eigen rol bij de diefstal van de fiets (feit 1 op de dagvaarding van verdachte) niet bagatelliseert. De verklaring van [naam medeverdachte] over de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van de computer vindt bovendien steun in voormelde processen-verbaal van bevindingen.

Hieruit volgt dat de kinderrechter wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een computer. Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel dat hij dit samen met een ander heeft gedaan, nu hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Aan de vraag of tevens het aanwezigheidsrecht is geëerbiedigd, komt de kinderrechter, gelet op al het voorgaande, niet meer toe.

Feit 3

Bij het verhoor van verdachte op 16 november 2009 heeft deze verklaard dat hij begrijpt dat hij niet tot antwoorden verplicht is, dat hij recht heeft op juridische bijstand, dat hij een verklaring wenst af te leggen en dat hij afziet van het recht op juridische bijstand.

Naar het oordeel van de kinderrechter kan, gelet op de concrete feiten en omstandigheden van het geval – de kinderrechter verwijst naar hetgeen hij hiervoor onder feit 2 heeft overwogen, in het bijzonder naar hetgeen over de persoon van verdachte is komen vast te staan – onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan en evenmin kan worden vastgesteld dat de politie in redelijkheid alles heeft gedaan om ervoor te zorgen dat verdachte zich volledig bewust was van zijn rechten en zoveel mogelijk de consequenties van het afstand doen kon overzien.

Nu daarmee het consultatierecht naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende is nageleefd, dient dit ingevolge meergenoemd arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 te leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaring van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte ten aanzien van dit feit een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Dit impliceert dat voor het bewijs van het onder 3 ten laste gelegde nog slechts de aangifte resteert. Nu daarmee onvoldoende wettig bewijs voor het onder 3 ten laste gelegde voorhanden is, zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 2:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

4 De strafoplegging

4.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 90 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht alleen feit 1 wettig en overtuigend bewezen en heeft aangegeven zich te refereren aan de uitspraak van de kinderrechter.

4.3 Het oordeel van de kinderrechter

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De kinderrechter laat ten voordele van de verdachte meewegen dat het inmiddels beter met hem lijkt te gaan. Er is hulpverlening ingeschakeld en het lijkt erop dat verdachte geen softdrugs meer gebruikt. Die voorzichtig positieve ontwikkeling wil de kinderrechter niet dwarsbomen. Anderzijds dient er een signaal uit te gaan naar verdachte. De feiten die hij heeft gepleegd zijn relatief ernstig en dat kan niet worden getolereerd. Al met al acht de kinderrechter een werkstraf van voor de duur van 50 uren passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van 2 uur per dag.

Om ervoor te zorgen dat de positieve ontwikkeling zal doorzetten, zal de kinderrechter de helft hiervan voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur.

5 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

6 De beslissing

De kinderrechter:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde onder 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 50 uren waarvan 25 uren voorwaardelijk;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 25 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijk gedeelte van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit ;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Drenth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 april 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 november 2009 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk/type: [G.]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij op of omstreeks 6 november 2009 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personal) computer (merk/type: [F.]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

hij op of omstreeks 16 november 2009 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets (merk [G.]) en/of een of meer appel(s), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met voornoemd oogmerk een loods (welke in gebruik is bij [benadeelde partij 3]) is binnengegaan en/of (vervolgens) die fiets heeft gepakt en/of (vervolgens) die appel(s) in/onder zijn kleding heeft gestopt en/of zich (vervolgens) heeft begeven naar de uitgang van die loods, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.