Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM2141

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
03-510123-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging, noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/510123-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 april 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren [geboortegegevens],

wonende [adresgegevens].

Raadsvrouwe is mr. F.W. Oehlen, advocate te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 april 2010. De verdachte is in persoon verschenen en is ter terechtzitting bijgestaan door mr. F.W. Oehlen, advocate te Maastricht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsvrouwe van verdachte naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [naam slachtoffer] te doden, danwel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, danwel [naam slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de verklaring van verdachte dat zij tijdens een worsteling met het slachtoffer met een mes in het wilde weg in de rug van het slachtoffer heeft gestoken, de verklaring van het slachtoffer en de medische informatie dat het slachtoffer is geraakt in gevaarlijk gebied. De officier van justitie heeft ter terechtzitting nog een proces-verbaal, opgemaakt op 8 april 2010, overgelegd, waarin staat dat het slachtoffer tijdens het slachtoffergesprek op 7 april 2010 heeft verklaard dat de steekwond tijdens de worsteling ontstaan is en niet voorafgaand aan de worsteling.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De raadsvrouwe heeft zich, net als de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat de steekwond is toegebracht toen de verdachte en het slachtoffer op de grond lagen. Anders dan de officier van justitie heeft de raadsvrouwe echter aangevoerd dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat verdachte heeft gestoken met licht energetische impact en dat er op de plek van de wond vrij snel vitale structuren hadden kunnen worden geraakt, hetgeen niet is gebeurd. Hieruit blijkt volgens de raadsvrouwe dat er sprake is geweest van een heel lichte steek. Daarnaast heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat het niet haar bedoeling was om het slachtoffer iets aan te doen.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouwe zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdachte en het slachtoffer hebben samen een relatie gehad. Zowel verdachte als het slachtoffer hebben aangegeven dat hun relatie problematisch was en dat het slachtoffer verdachte in het verleden meerdere malen heeft geslagen. Op 19 april 2009 bevonden ze zich samen met hun dochtertje in de woning van verdachte. Zij hadden hun relatie enige tijd daarvoor verbroken. Het slachtoffer had zich reeds laten uitschrijven, had zijn spullen gepakt en stond op het punt om te vertrekken. Tijdens het gesprek dat beiden toen voerden, sloeg op een gegeven moment de stemming om.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het slachtoffer haar probeerde te intimideren door slaande bewegingen naar haar hoofd te maken. Zij kon deze bewegingen ontwijken. Verdachte heeft verklaard dat ze wist dat er weer iets zou gaan gebeuren, dat hij haar zou gaan slaan. Verdachte is toen op enig moment naar de keuken gegaan en heeft een mes uit de keukenlade gepakt, in de hoop hem daarmee af te schrikken. Zij zag toen dat het slachtoffer op haar kwam afgelopen. Het slachtoffer pakte haar bij haar polsen vast, waarna ze beiden op de grond terecht zijn gekomen. Verdachte lag op haar rug op de grond en het slachtoffer lag bovenop haar. Verdachte heeft verklaard dat zij in de hierop volgende worsteling in het wilde weg meerdere malen met het mes in de rug van het slachtoffer heeft gestoken.

Het slachtoffer heeft tijdens het slachtoffergesprek met de officier van justitie verklaard dat verdachte hem tijdens de worsteling in zijn rug heeft gestoken.

Er is gestoken met een vleesmes met een lengte van circa 29 centimeter. In de letselbeschrijving van de GGD Zuid Limburg staat dat het slachtoffer een oppervlakkig schrammetje had van ca. 1 centimeter ter hoogte van het binnenste midden linkerschouderblad, en een, met twee steken gehechte, snee van circa 1 centimeter ter hoogte van het binnenste rechter schouderblad. Van deze laatste snee wordt in de letselbeschrijving vermeld dat het slechts een vleeswond is en dat op de plek van de wond vrij snel vitale delen kunnen worden geraakt.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouwe van verdachte, van oordeel dat verdachte door het meerdere malen in het wilde weg steken met een mes in de rug van het slachtoffer, gelet op de vitale delen die zich hier bevinden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor het leven zou kunnen laten. Dat in de medische rapportage staat dat het geringe letsel pleit voor steken met een laag energetische impact, maakt dit niet anders. Verdachte heeft immers tijdens een worsteling in het wilde weg in de rug van het slachtoffer gestoken. Het had, gelet op de vitale delen die zich daar bevinden, ook heel anders kunnen aflopen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 april 2009 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam slachtoffer] met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, omdat er niet is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Er was geen sprake van een zodanig levensbedreigende situatie dat verdachte een mes mocht gebruiken. Bovendien had verdachte de woning kunnen en moeten verlaten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe acht verdachte niet strafbaar en pleit ervoor om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van noodweerexces. Dat verdachte zich vooraf aan de worsteling bewapend heeft, hoeft een beroep op noodweer of noodweerexces niet in de weg te staan. Verdachte was in het verleden reeds meermalen geslagen door het slachtoffer en wist wat er ging komen. Er kon op dat moment niet van verdachte verwacht worden dat ze weg zou gaan. Ze was immers in haar eigen woning en haar kind lag boven in bed. Verdachte is naar de keuken gelopen en heeft een mes gepakt in de hoop een verdere confrontatie te voorkomen. Het slachtoffer is verdachte naar de keuken gevolgd, is de confrontatie aangegaan en heeft verdachte bij de polsen gepakt en haar naar de grond gewerkt. Op dat moment was er sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Het gebruik van dat mes was niet proportioneel, maar verdachte gebruikte het mes dat ze in haar handen had, omdat ze door het verleden en de gebeurtenissen vlak voor de worsteling onderhevig was aan een hevige gemoedsbeweging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweerexces, in het onderhavige geval, vast moet komen te staan dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf (of een onmiddellijke dreiging daartoe), waarbij verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt.

Uit de verklaringen van zowel verdachte als het slachtoffer is gebleken dat op de bewuste avond een ruzieachtige sfeer hing, die steeds dreigender werd. In het verleden is er reeds sprake geweest van huiselijk geweld, hetgeen niet alleen blijkt uit de verklaringen van zowel verdachte als het slachtoffer, maar ook uit de mutaties in het proces-verbaal behorende bij deze strafzaak. Verdachte heeft verklaard dat ze voelde aankomen dat het weer de verkeerde kant zou opgaan en dat het slachtoffer wederom gewelddadig zou worden. Verdachte heeft verklaard dat zij die avond tegen het slachtoffer heeft gezegd dat ze zich niet meer door hem zou laten slaan en dat ze niet meer bang voor hem was. Hierop heeft het slachtoffer, volgens verdachte, een beweging richting verdachte gemaakt waarvan ze schrok. Het slachtoffer heeft haar vervolgens uitgelachen en gezegd dat ze wel nog altijd bang voor hem was. Verdachte heeft verklaard dat ze zich toen erg geïntimideerd voelde en bang was en haar zus wilde bellen om haar op te komen halen, maar dat het slachtoffer haar telefoon afpakte en die doormidden brak. Deze kapotte telefoon is ook ter plaatse door de politie aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat ze vervolgens in paniek naar de keuken is gegaan en daar een mes heeft gepakt in de hoop het slachtoffer zo af te schrikken. Het slachtoffer is haar achterna gekomen en heeft haar bij haar polsen gepakt, waardoor ze op de grond terecht is gekomen met verdachte bovenop haar. In de hierop volgende worsteling heeft verdachte het slachtoffer met het mes, dat ze nog altijd in haar hand had, in de rug gestoken. Al die tijd lag hun dochter boven in bed.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf op het moment dat het slachtoffer haar in de keuken bij de polsen pakte en dat ze beiden op de grond terecht kwamen. Verdachte mocht zich tegen deze aanranding verdedigen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het niet aan verdachte was om het huis te verlaten om zich zo aan de dreigende aanranding te onttrekken. Ze bevond zich immers in haar eigen huis en haar dochter lag boven te slapen. Bovendien had verdachte geprobeerd om telefonisch de hulp van haar zus in te roepen, zodat die haar kon komen ophalen. Dit was echter niet gelukt, omdat het slachtoffer haar telefoon afpakte en kapot gooide. Doordat verdachte zich heeft verdedigd tegen de aanranding door het slachtoffer, door hem met het mes dat ze op dat moment in haar handen had in de rug te steken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging was echter een onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die bij verdachte is ontstaan door de aanval door het slachtoffer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep op noodweerexces slaagt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet strafbaar is en dat zij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

- verklaart dat verdachte niet strafbaar is;

- ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. A.J. Hazen en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Drenth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 april 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 19 april 2009 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam slachtoffer] met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 19 april 2009 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer] met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 19 april 2009 in de gemeente Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]), met een mes in de rug heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.