Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM2086

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
144775 / FA RK 09-1403
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:253t BW-gezag. Verzoek moeder en grootmoeder om samen met het gezag over de minderjarige te worden bekleed, wordt afgewezen. Het verzoek is in beginsel toewijsbaar als er geen gegronde vrees bestaat dat bij gezamenlijk gezag van de moeder en de grootmoeder de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd. Hoewel die vrees er niet is, is er binnen de grenzen van artikel 1:253t, lid 3 BW een beperkte ruimte toch de belangen van de biologische vader mee te wegen. Die belangen - het bestaan van een structurele omgangsregeling en de wens om zijn vaderrol in te vullen - brengen mee dat het verzoek om art. 1:253t BW-gezag wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 7 april 2010

Zaaknummer: 144775 / FA RK 09-1403

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de moeder],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

advocaat mr. M.M.A. Straatman-Selij te Maastricht,

en:

[de grootmoeder],

verzoekster, verder te noemen: de grootmoeder,

wonende [adres],

advocaat mr. M.M.A. Straatman-Selij te Maastricht,

en

[de biologische vader],

Wederpartij, verder te noemen: [de biologische vader],

wonende [adres],

advocaat mr. N.R. Heilhof te Maastricht.

1. Het verloop van de procedure

De moeder en de grootmoeder hebben op 9 oktober 2009 een verzoekschrift tot wijziging in de uitoefening van het ouderlijk gezag ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 maart 2010.

2. De feiten

[de minderjarige] (roepnaam: [de minderjarige]) is geboren [adres] op 7 juni 2004 binnen de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader.

[de minderjarige] is niet erkend door de vader.

De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft bij de grootouders.

3. Het verzoek en het verweer

De moeder en de grootmoeder hebben verzocht de gezagsvoorziening te wijzigen, in die zin dat beiden voortaan samen het gezag zullen uitoefenen over het minderjarig kind [de minderjarige].

Zij hebben daartoe gesteld dat [de minderjarige] is geboren binnen de relatie van de moeder en [de biologische vader] en dat de moeder, na het beëindigen van de relatie, uit vrees voor [de biologische vader] met onbekende bestemming en met achterlating van [de minderjarige] bij de grootouders, is vertrokken. Die feitelijke situatie is tot op de dag van vandaag onveranderd gebleven: [de minderjarige] heeft haar woon- en verblijfplaats bij de grootouders, zij wordt door hen opgevoegd en verzorgd, naar school gebracht en ook de beslissingen omtrent belangrijke zaken worden in feite, in goed en gezamenlijk overleg met de moeder, door de grootouders worden genomen.

Ter zitting heeft de moeder verklaard dat vanwege [de biologische vader] zij uit Limburg is moeten vertrekken. De situatie was, na het verbreken van de relatie met hem, voor haar onhoudbaar geworden. Zij heeft toen in overleg met de grootouders, [de minderjarige] bij hen achtergelaten. Zij stelt verder een goed contact met haar ouders te hebben en [de minderjarige] bijna dagelijks te zien.

Op dit moment vindt er een keer per drie weken omgang plaats tussen [de minderjarige] en [de biologische vader]. De moeder kan zich voorstellen dat deze omgang op termijn kan worden uitgebreid en als de omgang goed blijft verlopen, is de moeder ook bereid [de biologische vader] toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen. Volgens de moeder is het zover echter nog niet.

De grootmoeder heeft ter zitting verklaard dat zij [de minderjarige] in huis heeft genomen, omdat [de minderjarige] 'schoolplichtig' werd. Daartoe moest [de minderjarige] op een adres zijn ingeschreven.

De grootmoeder heeft een goed contact met de moeder en de beslissingen over [de minderjarige] worden in goed onderling overleg genomen.

De advocaat van de moeder en de grootmoeder heeft ter zitting nog aangevuld dat het van belang is dat de grootmoeder beslissingen kan nemen als de moeder niet bereikbaar is.

Het is in het belang van [de minderjarige] als de grootmoeder mede het gezag zou krijgen. Bovendien kan op deze manier recht worden gedaan aan de feitelijk gegroeide situatie.

Namens [de biologische vader] heeft zijn advocaat ter zitting verklaard geen noodzaak te zien de grootmoeder mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten. Er vindt een goed overleg tussen de moeder en de grootmoeder plaats en [de biologische vader] is blij met de goede zorgen van de grootouders voor [de minderjarige]. [de biologische vader] wil [de minderjarige] erkennen, zodra de moeder daarvoor haar toestemming verleend. Het is van groot belang dat de moeder en [de biologische vader] met elkaar in gesprek gaan om zaken helder te krijgen. [de biologische vader] heeft nu omgang met [de minderjarige] en die verloopt goed. De advocaat verzoekt tot afwijzing van het verzochte.

De vader heeft ter zitting nog verklaard dat de omgang met [de minderjarige] goed verloopt en dat hij blij is dat de grootouders goed voor haar zorgen. Hij is de biologische vader van [de minderjarige] en wil haar erkennen. Op dit moment echter geeft de moeder daarvoor nog geen toestemming.

De raad heeft ter zitting gesteld de visie van [de biologische vader] te kunnen volgen en de noodzaak tot wijziging van het gezag niet in te zien, nu de huidige situatie al geruime tijd voortduurt.

4. Beoordeling:

Allereerst dient, ambtshalve, te worden beoordeeld of deze rechtbank bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

Krachtens artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent.

Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechtbank van de woonplaats van de minderjarige of van het werkelijk verblijf van de minderjarige bevoegd.

Nu de moeder geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, en daar verder ook geen mededelingen over wenst te doen, zal het aanknopingspunt gezocht moeten worden bij het werkelijke verblijf van de minderjarige. Het werkelijke verblijf van de minderjarige is gelegen in de gemeente Landgraaf, bij de grootouders. Gelet hierop acht de rechtbank zich bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Aangenomen moet worden dat het verzoek steunt op het bepaalde in artikel 1:253t BW. Ingevolge artikel 1:253t, eerste lid, BW kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.

Blijkens het door de moeder en de grootmoeder overgelegde uittreksel uit de geboorteakte van [de minderjarige] staat het kind niet in een andere familierechtelijke betrekking dan die tot de moeder (en haar ouders). De moeder oefent van rechtswege (alleen) het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] staat niet in familierechterlijke betrekking tot de vader. Dat een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder en [de minderjarige] bestaat is ook niet in geschil.

De wet biedt bijzonder weinig aangrijpingspunten voor de in dezen aan te leggen rechterlijke toets. Nu [de minderjarige] (nog) niet tevens in familierechtelijke betrekking staat tot [de biologische vader] kan het tweede lid van artikel 1:253t BW hier geen toetsingskader bieden terwijl het verzoek van de moeder en de grootmoeder op grond van het derde lid van dat artikel dient te worden afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Anderzijds volgt hieruit niet dat het verzoek van de moeder en de grootmoeder zonder meer toewijsbaar is indien er geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, hoewel de ontzeggingsmogelijkheden in dit geval zeer beperkt zijn, de wetgever de rechter kennelijk enige beoordelingsruimte heeft willen laten. Die ruimte biedt in deze zaak de mogelijkheid bij de beantwoording van de vraag of het verzoek van de moeder en de grootmoeder dient te worden gehonoreerd, de belangen van [de biologische vader] mee te wegen.

De rechtbank is gebleken dat [de minderjarige] al sinds november 2007 bij de grootouders woont, daar wordt verzorgd en opgevoed en ook dat er vrijwel dagelijks contact is tussen de moeder, [de minderjarige] en de grootouders. De moeder woont elders op een slechts voor de grootouders bekend adres. Met de verwekker en biologische vader van [de minderjarige], [de biologische vader], is inmiddels een structurele omgangsregeling op gang gekomen, die goed loopt en waarover de moeder verklaart dat de reële mogelijkheid bestaat tot uitbreiding daarvan op termijn. Over de vraag aan welke criteria [de biologische vader] moet voldoen om die uitbreiding te bewerkstelligen heeft de moeder zich niet uitgelaten. [de biologische vader] heeft bij monde van zijn advocaat ter zitting verklaard de zaak niet op scherp te willen zetten door de rechter om vervangende toestemming tot erkenning te vragen en eerst de uitkomst van deze procedure te willen afwachten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de biologische vader] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij als vader een rol in het leven van [de minderjarige] wil (gaan) spelen. De moeder op haar beurt heeft ter zitting bovendien uitdrukkelijk gezinspeeld op een grotere rol van [de biologische vader] in het leven van [de minderjarige]: voor [de biologische vader] ligt uitbreiding van de omgangsregeling in het verschiet en ook van de wens van [de biologische vader] tot erkenning van [de minderjarige] heeft zij geen afstand genomen. Daarbij zou passen dat de moeder [de biologische vader] toestemming verleent [de minderjarige] te erkennen. Hoewel de kwestie rondom de mogelijke erkenning van [de minderjarige] door [de biologische vader] in deze procedure niet aan de orde is, werpt zij wel haar schaduw vooruit. Als vader, ook in juridische zin, heeft [de biologische vader] de mogelijkheid zijn vaderrol verder invulling te geven, bijvoorbeeld door de rechter te verzoeken hem naast de moeder met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten, waarmee hij de door hem kennelijk gevoelde verplichting tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] tot uitdrukking zou kunnen brengen. Die mogelijkheid, waarmee de belangen van [de minderjarige] in beginsel zijn gediend, wordt op voorhand illusoir als het verzoek van de moeder en de grootmoeder om beiden met het gezamenlijk gezag te bekleden, zou worden ingewilligd. Daar komt bij dat de moeder niet dezelfde verblijfplaats heeft als [de minderjarige] en dat de door haar aangevoerde argumenten in feite vooral pragmatisch van aard zijn: de grootmoeder moet gezaghebbende beslissingen kunnen nemen, voor zover moeder daartoe niet in staat is. Dergelijke pragmatische argumenten behoren naar het oordeel van de rechtbank echter niet te prevaleren boven de gerechtvaardigde belangen van de vader in die zin dat zij zouden kunnen beletten dat [de biologische vader] zijn rol en verantwoordelijkheden als vader kan nemen.

De rechtbank is, mede in dat licht bezien, van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat de belangen van [de minderjarige] bij inwilliging van het verzoek van de moeder en de grootmoeder schade zouden kunnen lijden. Aldus verstaan kan tevens worden aangenomen dat er gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind hierdoor zouden worden verwaarloosd.

Het verzoek van de moeder en de grootmoeder zal derhalve worden afgewezen.

5. Beslissing

De rechtbank:

Wijst af het verzoek van de moeder en de grootmoeder om de grootmoeder naast de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige], geboren te Heerlen op 7 juni 2004.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op

7 april 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

LF

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.