Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM1664

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
03-702984-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3879, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/46 met annotatie van WR
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702984-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortegegevens],

wonende [adresgegevens],

gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. J.H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 april 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander met zijn auto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij drie personen zijn omgekomen en een persoon zwaar gewond is geraakt, dan wel dat verdachte samen met een ander gevaar op de weg heeft veroorzaakt, dan wel heeft meegedaan aan een wedstrijd op de weg met auto’s;

Feit 2: is doorgereden na een ongeval.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte met zijn [merk auto 1] samen met de bestuurder van een [merk auto 2] een competitie is aangegaan door hard te rijden. Het verkeersgedrag van verdachte en de bestuurder van de andere auto valt aan te merken als roekeloos rijden. Verdachte en de bestuurder van de [merk auto 2] hebben welbewust het risico genomen op het ernstige ongeval dat vervolgens heeft plaatsgehad, waarbij de bestuurder van de [merk auto 2] en twee van zijn passagiers zijn omgekomen en een vierde inzittende zwaar gewond is geraakt.

Ook acht de officier van justitie bewezen dat verdachte vervolgens na dit ongeval is doorgereden.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Verdachte kan niet verweten worden het ongeval met dodelijke afloop te hebben veroorzaakt. Verdachte werd in zijn auto belaagd door de bestuurder van de [merk auto 2]. Als er al sprake was van een race, dan werd deze eenzijdig gehouden door de bestuurder van de [merk auto 2]. Verdachte heeft slechts gereageerd op dit gedrag door met zijn auto gas bij te geven of juist terug te nemen, ter de-escalatie van de situatie. Verdachte heeft daarmee gedaan wat hij kon en moest doen.

Het feit dat verdachte daarbij te hard heeft gereden legt onvoldoende gewicht in de schaal om hem strafrechtelijk een verwijt te maken. Het is juist de bestuurder van de [merk auto 2] die als de veroorzaker van het ongeval moet worden aangewezen, nu deze uiteindelijk de auto van verdachte de weg heeft afgesneden met een manoeuvre naar links, waarbij hij de controle over de [merk auto 2] heeft verloren met alle gevolgen van dien.

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 10 mei 2008 heeft er op de [naam autoweg] voorbij de kruising met het [K.plein/O.plein] in de gemeente Maastricht een ongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto van het merk [merk auto 2] is betrokken. Ten gevolge van dit ongeval is de bestuurder van de [merk auto 2], [naam bestuurder], om het leven gekomen. Ook zijn twee van de drie overige inzittenden van de [merk auto 2], [naam inzittende 2] en [naam inzittende 3], overleden. Een vierde inzittende, [naam inzittende 4], is bij het ongeval zwaar gewond geraakt.

Bij de toedracht van dit ongeval was verdachte als bestuurder van een [merk auto 1] betrokken. Er waren diverse getuigen van het ongeval.

Uit de analyse van het ongeval die door de politie is gemaakt, is gebleken dat de bestuurder van de [merk auto 2] ter hoogte van het kruisvlak [O.plein/S.weg] uiterst links op de linker rijstrook van de weg heeft gereden. Daarbij is de auto met de linkerwielen door de links van de rijbaan gelegen watergoot gereden. Op dat moment heeft de bestuurder naar rechts ingestuurd, waarbij het linker achterwiel met de betonnen sluitband van de goot in contact is gekomen. Vervolgens is de [merk auto 2] om de hoogte-as gedraaid en dwars op de rijrichting gaan schuiven naar de rechterzijde van de weg, overgaand in een slip. Uiteindelijk heeft de [merk auto 2] met de linkerzijde een boom geraakt en vervolgens een betonnen geluidswal.

De botssnelheid van de [merk auto 2] kon door de ongevalanalisten niet worden vastgesteld, maar heeft, gelet op de stand van de snelheidsmeter van de [merk auto 2], vermoedelijk om en nabij de 60 km per uur gelegen. Gezien de sporen op het wegdek, de schade en de vervorming van de [merk auto 2] én deze vermoedelijke botssnelheid, kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld dat de aanvangssnelheid van de [merk auto 2] aan het begin van de sporen aanzienlijk hoger is geweest dan de maximum snelheid van 50 km per uur die ter plaatse geldt.

Overwegingen ten aanzien van feit 1

De kernvraag in dezen is of het ongeval dat heeft plaatsgevonden in zijn totaliteit valt toe te rekenen aan roekeloos, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend verkeersgedrag van verdachte.

Verdachte heeft over het ongeval en wat daaraan voorafging het volgende verklaard.

Verdachte heeft ter plekke op de [naam autoweg] ongeveer 80 à 90 km per uur gereden en reed steeds op de linkerrijbaan. De bestuurder van de [merk auto 2] reed voortdurend rechts naast hem of probeerde naast hem te komen. Als verdachte remde of optrok, remde ook de [merk auto 2] gelijk of trok deze weer op. Verdachte kan zich voorstellen dat getuigen dit weggedrag als een race hebben ervaren, maar wat verdachte betreft was het geen race; verdachte wilde de [merk auto 2] ontwijken. Verdachte wilde niet dat de bestuurder van de [merk auto 2], die volgens verdachte wilde praten, op deze manier contact zocht, omdat verdachte in een auto reed die niet van hem was en hij schade aan deze auto vreesde, mede omdat de inzittenden van de [merk auto 2] lawaai maakten en mogelijk dronken waren. Ter hoogte van de kruising [O.plein/S.weg] opende de bestuurder van de [merk auto 2] het raam, maakte een “peace-teken” en reed vervolgens van de auto van verdachte weg, waarna de [merk auto 2] verongelukte.

Het weggedrag van de bestuurder van de [merk auto 2] en van verdachte, zoals verdachte dit schetst, vindt bevestiging in de verklaringen van getuigen die zich allen ter hoogte van de kruising [O.plein/S.weg] bevonden toen het ongeval plaatsvond. Over het weggedrag van de beide auto’s kan op basis van hun verklaringen van het volgende worden uitgegaan.

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geven aan dat de snelheid waarmee verdachte en de bestuurder van de [merk auto 2] reden ter plekke van het ongeval in elk geval hoger was dan 50 km per uur. De getuigen [getuige 3] en [getuige 1] beschrijven verder dat de beide auto’s naast elkaar reden en zij spreken over een straatrace. Ook volgt uit de getuigenverklaringen dat de auto van verdachte op de linkerrijbaan reed en de [merk auto 2] op de rechterrijbaan.

Volgens [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2] was het de bestuurder van de [merk auto 2] die bij de kruising van de [naam autoweg] met de [S.weg] te Maastricht vanaf de rechterrijbaan naar de linkerrijbaan week, in de richting van de auto van verdachte, en snijdend voor verdachte langs de linkerrijbaan opreed. Het ongeval voltrok zich direct daarna.

De ongevalsanalyse bevestigt wat de getuigen hebben gezien. De analyse bevestigt in de eerste plaats dat de snelheid van de [merk auto 2] hoog moet zijn geweest. Verder volgt uit de analyse dat de bestuurder van de [merk auto 2], na de manoeuvre van rechterrijbaan naar linkerrijbaan, vervolgens waarschijnlijk weer abrupt naar rechts heeft gestuurd, waarop hij met het linkerachterwiel de betonnen sluitband langs de middenberm raakte, waardoor (kort gezegd) zijn auto is gaan driften en in een slip is geraakt met alle gevolgen van dien.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de bestuurder van de [merk auto 2], [naam bestuurder], op de kruising zijn weggedrag tot dan toe plotseling heeft gewijzigd en de auto van verdachte rechts heeft ingehaald en daarbij de auto van verdachte heeft gesneden. Deze manoeuvre en gedragingen zijn, naar het oordeel van de rechtbank, niet veroorzaakt door het weggedrag van verdachte, maar primair door [naam bestuurder] zelf. Tevens vormen zij ook, met name het –waarschijnlijk– abrupte sturen naar rechts, de directe oorzaak van het verongelukken van de [merk auto 2]. De invloed van het rijgedrag van verdachte hierop is te gering om verdachte geheel verantwoordelijk te stellen voor het ontstaan van het ongeluk.

Wél moet worden vastgesteld dat het weggedrag van verdachte niet zonder invloed is geweest op de toedracht het ongeval. De conclusie van de rechtbank luidt dat verdachte en [naam bestuurder] elkaar hebben uitgedaagd. Verdachte heeft niet inzichtelijk gemaakt welk concreet gevaar er was, dat hem noopte om zijn snelheid tot 80/90 km per uur te verhogen, waar een snelheid van slechts 50 km per uur is toegestaan en wat het doel was van het accelereren tot die snelheid. Voor zover verdachte op die wijze had willen ontkomen aan de auto van [naam bestuurder], ontbeert het relaas logica, aangezien een dergelijke snelheid daarvoor evident onvoldoende was. Indien er al geen mogelijkheid voor verdachte bestond om naar de rechterrijbaan terug te keren, was de voor de hand liggende keuze – die verdachte met het oog op de van iedere verkeersdeelnemer te vergen voorzichtigheid ook had moeten maken – om dan met de toegestane maximumsnelheid van 50 km per uur naast [naam bestuurder] te (blijven) rijden.

In het licht van het rijgedrag van [naam bestuurder], die bij remmen en optrekken door verdachte steeds probeerde naast verdachte te blijven rijden, gaat naar het oordeel van de rechtbank van het opvoeren van de snelheid tot 80/90 km per uur door verdachte ook de uitdaging naar [naam bestuurder] uit om eveneens tot die snelheid op te trekken. Door aldus met twee auto’s naast elkaar, afremmend en optrekkend en uiteindelijk met een snelheid van ruim boven de toegestane maximumsnelheid ter plekke te rijden, heeft verdachte tezamen met [naam bestuurder] dan ook het gevaar gezet zoals hem ten laste is gelegd, waarbij de rechtbank het als een feit van algemene bekendheid beschouwt dat een hogere snelheid dan toegestaan de kans op ongevallen doet toenemen.

Het door de verdediging ter zitting geschetste beeld dat [naam bestuurder] met de door hem bestuurde auto steeds op de rechterbaan om de auto van verdachte heen zwermde en hem aldus dwong om op de linkerrijbaan te blijven rijden en afwisselend bij te remmen en op te trekken tot (uiteindelijk) hoge snelheid, een en ander uit vrees voor een botsing of een confrontatie met de inzittenden van de andere auto, wordt door de rechtbank, gelet op het voorgaande, derhalve niet onderschreven.

De rechtbank oordeelt dat het onder 1 primair aan verdachte ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Wél acht zij bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Overwegingen ten aanzien van feit 2

Gelet op het hiervoor bij feit 1 weergegeven bewijs, staat vast dat verdachte betrokken was bij het ongeval. Verdachte heeft bekend te zijn doorgereden na het ongeval. Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij het ongeluk voor zich heeft zien gebeuren en dat hij vreesde dat de brokstukken van de door [naam bestuurder] bestuurde auto zijn auto zouden raken. Eerder verklaarde verdachte te hebben geweten dat het een zwaar ongeluk was.

Uit het vorenstaande volgt dat verdachte wist of in ieder geval redelijkerwijs moet hebben vermoed dat bij het ongeval een ander is gedood of letsel was toegebracht.

De rechtbank oordeelt derhalve dat het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 subsidiair

op 10 mei 2008, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig, [merk auto 1], tezamen en in vereniging met [naam bestuurder], welke eveneens een motorrijtuig (personenauto, merk [merk auto 2]) bestuurde, heeft gereden over de wegen, de [V.weg] en de [naam autoweg/P.R.laan], ter plaatse waar de door beide verdachten bereden rijbaan van die [V.weg] en [naam autoweg/P.R.laan], was verdeeld in twee rijstroken, rijdend over, gezien in de rijrichting van de verdachte, de linker rijstrook, met hoge snelheid naast een met nagenoeg gelijke snelheid over de rechter rijstrook van die [V.weg] en [naam autoweg/P.R.laan] rijdend motorrijtuig (personenauto, merk [merk auto 2]) is blijven rijden en waarbij hij, verdachte, en zijn medeverdachte elkaar middels (telkens) gas geven hebben uitgedaagd, waarna op of direct na de kruising van die [naam autoweg/K.plein/O.plein] en de [S.weg], de medeverdachte/bestuurder van dat over de rechter rijstrook rijdend motorrijtuig (personenauto, merk [merk auto 2]) op zodanige wijze plotseling naar links is gereden dat hij met zijn motorrijtuig (personenauto) door de links van die rijbaan gelegen watergoot heeft gereden en de bestuurder/medeverdachte naar rechts heeft gestuurd waardoor vervolgens dat laatstbedoelde motorrijtuig (personenauto) gedeeltelijk om de hoogte-as is gaan draaien en gedeeltelijk dwars op de rijrichting is gaan draaien en vervolgens met het linker achterwiel de links van de rijbaan geplaatste sluitband heeft geraakt en vervolgens naar de rechter zijde van die rijbaan op het [O.plein] is geschoven, door welke gedragingen van hem, verdachte, en zijn medeverdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt;

Feit 2

op 10 mei 2008 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto [merk auto 1]) betrokken bij een verkeersongeval op de [naam autoweg/P.R.laan] (vlak) achter de kruising van die [naam autoweg/K.plein/O.plein] en de [S.weg] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [naam inzittende 2] en/of [naam inzittende 3] en/of [naam bestuurder]) is

gedood en aan [naam inzittende 4] letsel was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 2

overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van 18 maanden op te leggen met daarnaast een rijontzegging voor de duur van 5 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat in het geval de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf nodig acht voor feit 2, deze beperkt moet blijven tot de tijd die verdachte in het kader van deze zaak in voorarrest heeft doorgebracht.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie voor ogen had, zal zij ook in aanzienlijke mate afwijken van de door de officier van justitie geëiste straf. In het bijzonder heeft de rechtbank gelet op het navolgende.

Het zwaarste verwijt dat de rechtbank verdachte maakt, is dat hij is doorgereden na een ongeval. Dat is een ernstig misdrijf. Daarnaast heeft verdachte door zijn rijgedrag gevaar op de weg veroorzaakt. Dit laatste feit is een overtreding en wordt doorgaans met een geldboete afgedaan.

In de onderhavige zaak is de rechtbank echter van oordeel dat het om een ernstige overtreding gaat. Verdachte is immers met te hoge snelheid in een gevaarlijke interactie met de bestuurder van de [merk auto 2] verwikkeld geraakt en heeft zich daar niet aan onttrokken.

Nadat verdachte heeft gezien dat de [merk auto 2] verongelukte, is hij doorgereden, terwijl hij wist dat het om een zwaar ongeval ging, zoals hiervoor reeds weergegeven. De opmerking van verdachte ter zitting dat er genoeg mensen ter plaatse waren en mede daarom en uit angst is doorgereden, wijst erop dat verdachte niet begrijpt hoe ernstig dit delict is en het laakbare van zijn gedrag kennelijk niet inziet. Iedere verkeersdeelnemer dient zijn verantwoordelijkheid te nemen, wanneer hij op enigerlei wijze betrokken is bij een ongeval. Dit geldt temeer als het voor de betrokkene duidelijk is dat het een ernstig ongeval betreft. Op zijn minst dient een verkeersdeelnemer zijn identiteit kenbaar maken ten behoeve van de afwikkeling van eventuele schade. Verdachte is echter niet alleen doorgereden, maar is vervolgens, nadat hij naar huis was gereden, met een taxi teruggekeerd naar de plaats van het ongeluk. Ter zitting heeft verdachte verklaard toen begrepen te hebben dat er drie doden te betreuren waren. Desondanks heeft verdachte zich nog steeds niet gemeld. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

Ook kan de rechtbank bij het bepalen van de straf niet voorbij gaan aan het feit dat het ongeval voor drie personen een dodelijke afloop heeft gehad en dat een inzittende van de [merk auto 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

Alles overziend acht de rechtbank voor beide feiten een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf geboden. Voor de overtreding zal zij een hechtenis opleggen van 1 maand en voor het doorrijden na een ongeval een gevangenisstraf van 3 maanden. Daarbij vindt de rechtbank de oplegging van rijontzeggingen voor de totale duur van 3 jaar noodzakelijk om recht te doen aan de ernst van de feiten en ter bescherming van andere verkeersdeelnemers.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij], nabestaande van [naam inzittende 2], vordert een schadevergoeding van € 22.880,- ter zake van feit 1. Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het veroorzaken van het dodelijke ongeval en de schade niet als rechtstreeks gevolg van het bij feit 1 bewezen verklaarde kan worden aangemerkt, zal de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zullen aan verdachte worden teruggegeven. Ten aanzien van de in beslag genomen personenauto zal de rechtbank geen beslissing nemen, nu de officier van justitie ter zitting heeft medegedeeld dat deze auto al is vervreemd en de rechtbank hieruit begrijpt dat zij de beslaglijst met betrekking tot deze auto ter zitting heeft ingetrokken.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot een hechtenis van 1 maand;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Rijontzegging

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 1 jaar;

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 2 jaren;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij], [adresgegevens], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde partij] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

20300184659 1 1.00 STK Kentekenbewijs Kl: roze, [merk auto 1]

20300184659 2 1.00 STK Sleutel, autosleutel [merk auto 1].

- verstaat dat de beslaglijst voor het overige is ingetrokken;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. R.P.J. Quaedackers en mr. R.H.J.G. Borger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 april 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

In de tenlastelegging is als gevolg van een kennelijke omissie onder feit 1 subsidiar in de vierde regel van onderen het woord geschoven niet toegevoegd. De rechtbank herstelt deze fout, omdat dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 mei 2008, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, [merk auto 1]), daarmede rijdende over de weg(en), de [V.weg] en/of de [naam autoweg] ([P.R.laan), tezamen en in vereniging met [naam bestuurder], eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig ([merk auto 2]), daarmede rijdende over die zelfde weg, [V.weg] en/of de [naam autoweg] ([P.R.laan]) waarin die [naam inzittende 2] en [naam inzittende 3] en [naam inzittende 4] als inzittenden waren gezeten, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes, en aan zijn medeverdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [naam inzittende 2] en [naam inzittende 3] en [naam bestuurder] werden gedood en/of waardoor [naam inzittende 4] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte,

op de [V.weg] en/of de [naam autoweg/P.R.laan] (in de richting van België), ter plaatse waar de door verdachte bereden rijbaan was verdeeld in twee rijstroken, rijdende over, de gezien zijn, verdachtes, rijrichting, linker rijstrook, met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de aldaar ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer naast althans (schuin) achter een met nagenoeg gelijke snelheid over de rechter rijstrook van die [V.weg] en/of [naam autoweg/P.R.laan] rijdend motorrijtuig (personenauto, merk [merk auto 2]) is gaan althans blijven rijden en/of waarbij hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte elkaar middels gebaren en (telkens) gas geven hebben uitgedaagd waarna op of direct na de kruising althans splitsing van die [naam autoweg/K.plein/O.plein] en de [S.weg], de medeverdachte/bestuurder van dat over de rechter rijstrook rijdend motorrijtuig (personauto, merk [merk auto 2]) op zodanige wijze (plotseling) naar links is gereden, althans heeft gestuurd, dat hij met zijn motorrijtuig (personenauto) door de links van die rijbaan gelegen watergoot heeft gereden althans in die watergoot is terechtgekomen en/of de bestuurder/medeverdachte naar rechts heeft gestuurd waardoor althans mede waardoor (vervolgens) dat laatstbedoelde motorrijtuig (personenauto) (gedeeltelijk) om de hoogte-as is gaan draaien en gedeeltelijk dwars op de rijrichting is gaan draaien en (vervolgens) met (de) het linker achterwiel(en) de links van de rijbaan geplaatste sluitband heeft geraakt en/of (vervolgens) naar de rechter zijde van die rijbaan op het [O.plein] is gereden althans geschoven waardoor althans mede waardoor (vervolgens) het door die medeverdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk [merk auto 2]), van welk motorrijtuig die [naam bestuurder] als bestuurder optrad en in welk motorrijtuig die [naam inzittende 2], [naam inzittende 3] en [naam inzittende 4] als passagiers waren gezeten, tegen meerdere in elk geval een aan de rechtzijde van de weg staande bo(o)m(en) is gebotst althans is aangereden althans geschoven en (vervolgens) hierna tegen een aan de rechterzijde van de weg staande geluidswal is gebotst althans is aangereden althans is geschoven;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

dat hij op of omstreeks 10 mei 2008, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig, [merk auto 1]) tezamen en in vereniging met [naam bestuurder], welke eveneens een motorrijtuig (personenauto, merk [merk auto 2]) bestuurde, heeft gereden over de weg(en), de [V.weg] en/of de [naam autoweg/P.R.laan], ter plaatse waar de door beide verdachten bereden rijbaan van die [V.weg] en/of [naam autoweg/P.R.laan], was verdeeld in twee rijstroken, rijdend over, gezien in de rijrichting van de verdachten, de linker rijstrook, met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de aldaar ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer naast althans (schuin) achter een met nagenoeg gelijke snelheid over de rechter rijstrook van die [V.weg] en/of [naam autoweg/P.R.laan] rijdend motorrijtuig (personenauto, merk [merk auto 2]) is gaan althans blijven rijden en/of waarbij hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte elkaar middels gebaren en (telkens) gas geven hebben uitgedaagd waarna op of direct na de kruising althans splitsing van die [naam autoweg/K.plein/O.plein] en de [S.weg], de medeverdachte/bestuurder van dat over de rechter rijstrook rijdend motorrijtuig (personauto, merk [merk auto 2]) op zodanige wijze (plotseling) naar links is gereden althans heeft gestuurd dat

hij met zijn motorrijtuig (personenauto) door de links van die rijbaan gelegen watergoot heeft gereden althans in die watergoot is terechtgekomen en/of de bestuurder/medeverdachte naar rechts heeft gestuurd waardoor althans mede waardoor (vervolgens) dat laatstbedoelde motorrijtuig (personenauto) (gedeeltelijk) om de hoogte-as is gaan draaien en gedeeltelijk dwars op de rijrichting is gaan draaien en (vervolgens) met (de) het linker achterwiel(en) de links van de rijbaan geplaatste sluitband heeft geraakt en/of (vervolgens) naar de rechter zijde van die rijbaan op het [O.plein] is geschoven door welke gedraging(en) van hem, verdachte en/of zijn medeverdachte, (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd althans (telkens) kon worden gehinderd;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2008 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de weg de [naam autoweg] ([P.R.laan]) een wedstrijd met voertuigen heeft gehouden en/of heeft deelgenomen aan een wedstrijd met voertuigen;

2.

hij op of omstreeks 10 mei 2008 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto [merk auto 1]) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [naam autoweg/P.R.laan] (vlak) achter de kruising althans splitsing van die [naam autoweg/K.plein/O.plein] en de [S.weg] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [naam inzittende 2] en/of [naam inzittende 3] en/of [naam bestuurder]) is

gedood en/of aan [naam inzittende 4] letsel was toegebracht.