Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM1228

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
03-550620-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling op twee verbalisanten. De rechtbank is van oordeel dat de kans op dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel niet aanmerkelijk is te achten door het - in de onderhavige omstandigheden - gooien van een broodmes in de richting van de verbalisant(en).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/550620-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren [geboortegegevens verdachte],

wonende [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. D.M. Penn, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 maart 2010, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd hoofdagenten [agent 1] en [agent 2] te doden dan wel zwaar te mishandelen door met messen in de hand in hun richting te rennen en vervolgens een mes in hun richting te gooien.

Feit 2: samen met anderen een fiets heeft gestolen.

Feit 3: een winkeldiefstal heeft gepleegd.

Feit 4: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op de verbalisanten [agent 1] en [agent 2] wettig en overtuigend bewezen.

Zij overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte heeft op enig moment besloten om messen te halen. Vervolgens heeft hij een van de messen gegooid in de richting van de verbalisanten.

Volgens verbalisant [agent 1] is het mes op een afstand van tien centimeter langs hem heen gegaan. Een getuige heeft verklaard dat verbalisant [agent 1] moest wegdraaien om niet te worden geraakt.

Voorts blijkt uit de stukken dat het mes langs verbalisant [agent 2] is afgegaan.

Het is meer geluk dan wijsheid dat verdachte niemand heeft geraakt.

De officier van justitie gaat er vanuit dat verdachte de verbalisanten niet heeft willen doden. Wel heeft hij door het gooien van het mes willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de verbalisanten dodelijk zou treffen. Daarbij acht de officier van justitie het niet van belang of verdachte het mes boven- of onderhands heeft gegooid.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie acht de diefstal van de fiets wettig en overtuigend bewezen. Het ten laste gelegde ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ acht zij niet bewezen.

Ze verwijst hiertoe naar de aangifte van [slachtoffer 3] en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5].

Hoewel verdachte ter terechtzitting d.d. 9 maart 2010 uiteindelijk heeft verklaard dat hij erbij stond toen een van zijn vrienden de fiets wegnam, hecht de officier van justitie geen geloof aan deze verklaring, nu deze niet wordt ondersteund door bovengenoemde verklaringen, waarin aan verdachte een andere rol wordt toegedicht.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

De officier van justitie acht ook deze feiten wettig en overtuigend bewezen, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte geen opzet had op het doden dan wel zwaar verwonden van de verbalisanten.

De bedoeling van verdachte was het wegjagen van de verbalisanten. Het feit dat hij willekeurig twee messen uit de la heeft gepakt, duidt er op dat hij niet de bedoeling had iemand te verwonden.

Buiten liet verdachte het vrij scherpe mes vallen. Het broodmes gooide hij vervolgens met zijn linkerhand -terwijl hij rechtshandig is- met een boog en van meters afstand in de richting van een van de verbalisanten. Uit deze gang van zaken blijkt al dat verdachte niet de bedoeling had om iemand te verwonden, maar slechts om de agenten weg te jagen. Bovendien ontstaat door deze handelingen niet de aanmerkelijke kans dat iemand overlijdt of zwaar wordt verwond.

De verdediging verzoekt de rechtbank dan ook verdachte vrij te spreken van het verdachte onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte over deze feiten een duidelijke verklaring heeft afgelegd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Verbalisant [agent 1], een van de aangevers, heeft onder meer verklaard dat:

- verdachte naar buiten kwam, in zijn richting keek en zei: ‘Ik steek je kapot.’;

- verdachte met twee messen in zijn richting rende en naar hem keek;

- verdachte door zijn moeder werd tegengehouden, toen hij op een afstand van vijf of zes meter van hem, [agent 1], vandaan was;

- verdachte met zijn rechterhand een broodmes gooide in zijn richting op het moment dat zijn moeder hem, verdachte, vast had;

- het mes in een strakke lijn en met kracht werd gegooid;

- het mes ongeveer een halve meter langs het bovenlichaam van [agent 2] ging en ongeveer tien centimeter van hem, [agent 1], vandaan terecht kwam.

Blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging verwijt de officier verdachte niet dat hij [agent 1] heeft willen doden door hem met een mes te steken, wat niet gelukt is door het ingrijpen van zijn moeder. Ook uit requisitoir van de officier blijkt dat dit niet het verwijt is dat verdachte wordt gemaakt. De rechtbank zal op deze mogelijkheid dan ook niet ingaan.

Verdachte is tenlastegelegd dat hij verbalisanten [agent 1] en [agent 2] heeft willen doden, dan wel zwaar letsel heeft willen toebrengen door:

- het ter hand nemen van messen;

- het met die messen rennen in de richting van [agent 1] en [agent 2];

- het (met kracht) met een mes gooien in de richting van [agent 1] en [agent 2].

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet kan worden bewezen dat verdachte de verbalisanten heeft willen doden of zwaar heeft willen verwonden. Verdachte heeft verklaard dat hij wilde bereiken dat verbalisant [agent 1] zijn zus zou loslaten; hij wilde hem wegjagen.

Is er bij verdachte dan sprake geweest van opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet? De vraag die dan moet worden beantwoord is of verdachte door te handelen als voormeld beschreven zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [agent 1] en/of [agent 2] daarbij het leven zouden laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

De rechtbank moet vaststellen dat van de verdachte verweten gedragingen alleen het (met kracht) gooien van een mes letsel tot gevolg kan hebben.

Daarbij is het volgende van belang. Op grond van de stukken moet worden vastgesteld dat:

- verdachtes handelen gericht was op verbalisant [agent 1] en niet mede op verbalisant [agent 2];

- verdachte een broodmes heeft gegooid in de richting van verbalisant [agent 1];

- dit broodmes geen scherpe punt had;

- verbalisant [agent 2] ongeveer twee à drie meter bij verdachte vandaan stond en de afstand tussen [agent 2] en het mes toen dit hem passeerde, ongeveer een halve meter heeft bedragen;

- de afstand tussen verdachte en verbalisant [agent 1] op moment van gooien van het mes minstens vier meter is geweest. [agent 1] heeft de afstand als reeds aangegeven zelf geschat op vijf à zes meter; en

- verdachte het mes heeft gegooid op moment dat zijn moeder – die hem de messen afhandig wilde maken – al dicht bij hem in de buurt stond.

Hoewel het onder deze omstandigheden gooien van een broodmes niet zonder risico is, is de rechtbank van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat onder deze omstandigheden de kans op dodelijk dan wel zwaar letsel aanmerkelijk is te achten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair en subsidiair.

De rechtbank wil opmerken dat voormeld oordeel niet betekent dat geen sprake zou zijn geweest van een, voor meerdere personen, erg bedreigende situatie. Het handelen van verdachte was - als reeds aangegeven - zeker niet zonder risico en kan bovendien heel zorgelijk genoemd worden.

Ten aanzien van feit 2

Op 21 augustus 2009 deed [slachtoffer 3] aangifte van diefstal van haar fiets, Koga Myata, gepleegd op diezelfde dag te Maastricht. Zij vermoedde dat drie jongens haar fiets hadden gestolen. Uiteindelijk werd ze door twee van hen naar verdachte geleid. Bij verdachte trof ze haar fiets aan.

[getuige 1] verklaarde dat hij op 21 augustus 2009 samen was met verdachte en met [getuige 2] en dat verdachte toen een fiets heeft weggenomen. Vervolgens werden hij en [getuige 2] door een mevrouw aangesproken. Zij wilde haar fiets terug. Hierop brachten ze haar naar de woning van verdachte. Daar werd de fiets aangetroffen.

De verklaring van [getuige 1] wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 2].

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij de fiets had gevonden in het park.

Ter terechtzitting d.d. 9 maart 2010 heeft verdachte uiteindelijk bekend dat hij betrokken is geweest bij de diefstal van de fiets. Hij verklaarde hierover dat hij op de uitkijk heeft gestaan en dat [getuige 1] of [getuige 2] de fiets heeft weggenomen. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring van verdachte, nu deze op geen enkele wijze wordt ondersteund door andere verklaringen of bevindingen, terwijl de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], voor zover deze luiden dat verdachte de fiets heeft weggenomen, worden ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5].

Gelet hierop acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het tezamen en in vereniging met een ander of anderen plegen van de fietsendiefstal acht de rechtbank niet bewezen, nu er onvoldoende bewijs is dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met [getuige 1] en/of [getuige 2] gericht op de diefstal van de fiets.

Ten aanzien van feit 3

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 1];

- de aangifte van [slachtoffer 2];

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 maart 2010.

Ten aanzien van feit 4

Op 30 oktober 2009 deed [slachtoffer 1] aangifte van onder meer bedreiging, gepleegd op diezelfde dag in zijn supermarkt te Maastricht. Hij verklaarde dat verdachte door hem en twee anderen, onder wie [slachtoffer 2], naar een kantoorruimte werd begeleid, omdat hij iets zou hebben gestolen. Op het moment dat [slachtoffer 1] tegen verdachte zei dat hij de politie ging bellen, flipte verdachte uit en ontstond er een schermutseling tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds. Op enig moment zei verdachte dat hij een mes bij zich had en dat [slachtoffer 1] moest uitkijken. Voorts zei verdachte tegen hem dat hij hem zou neersteken.

Ook [slachtoffer 2] deed aangifte van bedreiging gepleegd op 30 oktober 2009 te Maastricht. Hij verklaarde dat verdachte, na verdenking van diefstal, door hem en de eigenaar van de winkel werd meegenomen naar het kantoor. Daar ging verdachte helemaal door het lint. [slachtoffer 2] hoorde dat verdachte dreigde hem en zijn baas neer te steken. Voorts zei verdachte dat hij een mes had.

Bij de politie verklaarde verdachte dat hij tijdens de betreffende worsteling in het kantoor tegen een van de medewerkers heeft geroepen dat hij hem zou komen opzoeken en hem neer zou steken. Voorts verklaarde hij dat hij tijdens de worsteling heeft geroepen dat hij een mes bij zich had.

Ter terechtzitting d.d. 9 maart 2010 heeft verdachte bekend dat hij zich bedreigend heeft uitgelaten door te zeggen dat hij de manager zou neersteken. Hij ontkende echter te hebben gezegd dat hij een mes had.

Niettemin acht de rechtbank beide dreigende uitingen van verdachte wettig en overtuigend bewezen, nu zij geen reden heeft te twijfelen aan de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens woedeaanvallen van alles zegt.

De rechtbank acht feit 4 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 2

op 21 augustus 2009 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk/type Koga Myata), toebehorende aan [slachtoffer 3].

Feit 3

op 30 oktober 2009 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pakje Dextro Energy, toebehorende aan Albert Heijn.

Feit 4

op 30 oktober 2009 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij, verdachte, een mes bij zich had en dat hij, verdachte, hen neer zou steken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Nu de rechtbank feit 1 primair en subsidiair niet bewezen acht en verdachte daarvan zal vrijspreken, komt zij niet toe aan de bespreking van het verweer van de verdediging dat verdachte ten aanzien van feit 1 handelde uit noodweer, noodweerexces dan wel psychische overmacht.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 telkens:

diefstal.

Ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de gezinsvoogd gedurende de ondertoezichtstelling en, als de ondertoezichtstelling weg mocht vallen tijdens de proeftijd, aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit betekent dat verdachte bepaalde behandelingen moet volgen.

Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie.

De hoogte van de eis baseert de officier van justitie met name op de ernst van het onder 1 primair ten laste gelegde feit dat zij bewezen acht. Normaal gesproken zou verdachte voor dit feit zijn voorgeleid voor de rechter-commissaris. Door de bijzondere omstandigheden van het geval is dat niet gebeurd. De officier van justitie acht een fikse stok achter de deur wenselijk, omdat er hard moet worden gewerkt aan het gedrag en de agressie van verdachte. Die agressie komt ook in feit 4 naar voren.

Voorts wijst de officier van justitie erop dat de diefstallen erg vervelende feiten zijn voor de samenleving in het algemeen en voor de benadeelden in het bijzonder.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de geweldstoepassing van de politie, betrekking hebbend op feit 1, buitenproportioneel was. Onder verwijzing naar een vonnis van deze rechtbank met de vindplaats LJN BA5553 stelt de verdediging dat dit een vormverzuim oplevert. Dit zou in de strafmaat verdisconteerd moeten worden.

Ten aanzien van de overige feiten kan volgens de verdediging worden volstaan met een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden toezicht, hulp en steun. Het opleggen van een afzonderlijke werkstraf zou geen enkele meerwaarde hebben.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij zich voldoende geïnformeerd acht omtrent de persoon van verdachte om een beslissing te kunnen nemen over de op te leggen straf.

Nu de rechtbank feit 1 primair en subsidiair niet bewezen acht en verdachte daarvan zal vrijspreken, komt zij niet toe aan de bespreking van het verweer van de verdediging dat er sprake is van een vormverzuim, omdat de politie buitenproportioneel geweld zou hebben gebruikt.

Verdachte heeft als dertienjarige een fiets gestolen uit een fietsenstalling, een winkeldiefstal gepleegd en twee personen ernstig bedreigd, nadat hij bij de winkeldiefstal was betrapt.

De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over de persoonlijke ontwikkeling van verdachte. Niet alleen vanwege deze feiten, maar ook vanwege de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. Immers:

- verdachte scheldt de aangeefster van de fietsendiefstal ook nog eens uit;

- verdachte ontkent tot aan de zitting dat hij de fiets heeft gestolen en ter terechtzitting erkent hij enige betrokkenheid bij de diefstal, maar verklaart hij nog niet naar waarheid;

- verdachte flipt uit als hij betrapt wordt bij de winkeldiefstal;

- verdachte stelt dat de personen die hij heeft bedreigd dit (deels) aan zichzelf te wijten hebben, omdat ze hem te hard hebben aangepakt.

De zorgen die de rechtbank heeft worden versterkt door verdachtes handelen tijdens de gebeurtenissen waarop het eerste ten laste gelegde feit betrekking heeft. Wat er ook zij van fouten die anderen hebben gemaakt, verdachte heeft daar duidelijk de verkeerde keuzen gemaakt, gevaarlijk gehandeld en de situatie nog dreigender gemaakt.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 9 december 2009 in civielrechtelijk kader gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een (ernstig) bedreigde ontwikkeling. Er wordt onder meer gesteld: ‘Er zijn grote zorgen rond het welbevinden van [verdachte]. De situatie waarin hij zich bevindt remt zijn ontwikkeling af en is tevens een ernstige bedreiging voor de sociale en emotionele ontwikkeling. Hij laat zelfbepalend gedrag zien, waarbij hij geen inzicht heeft in zijn eigen aandeel en manier van reageren. [verdachte] overziet zijn situatie niet.’ Op basis van dit rapport heeft de Raad voor de Kinderbescherming de kinderrechter verzocht om verdachte voor de periode van een jaar onder toezicht te stellen. In haar strafadvies van 15 december 2009 heeft de Raad zich op het standpunt gesteld dat op dit moment hulpverlening in civielrechtelijk kader dient te prevaleren boven straf.

Uit informatie van verdachtes gezinsvoogd [T.B.] blijkt dat de ondertoezichtstelling is uitgesproken op 22 december jongstleden. Hij heeft de rechtbank geadviseerd in de strafoplegging het traject te ondersteunen waarin verdachte voor zijn problemen behandeld wordt.

Op grond van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd enerzijds en de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat hij geen strafblad heeft anderzijds, acht de rechtbank een werkstraf van 80 uren op zijn plaats.

Gelet op de zorgelijke ontwikkeling van verdachte en het advies van zijn gezinsvoogd, is de rechtbank de noodzaak gebleken dat verdachte voor zijn problematiek behandeld wordt. Om die reden zal de rechtbank de werkstraf van 80 uren volledig voorwaardelijk opleggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd van twee jaren zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de gezinsvoogd, gedurende de ondertoezichtstelling, en door of vanwege de Jeugdreclassering, indien de ondertoezichtstelling gedurende de proeftijd wegvalt, te stellen richtlijnen zolang de gezinsvoogd en, indien van toepassing, voornoemde reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd noodzakelijk oordelen, ook als dit inhoudt dat verdachte behandeling moet volgen.

6 Het beslag

De officier van justitie vordert de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen messen. Voorts vordert zij de teruggave aan de politie van de in beslag genomen CD-Rom.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank zal de teruggave aan de politie gelasten van de CD-Rom. Ten aanzien van de messen merkt de rechtbank op dat verdachte zal worden vrijgesproken van het feit dat met de messen zou zijn gepleegd. Dit betekent dat de messen niet verbeurd verklaard kunnen worden. Uit de stukken blijkt dat het hier keukenmessen betreft afkomstig uit een la bij verdachte thuis. De messen behoren derhalve toe aan de ouders van verdachte. Nu het bezit van keukenmessen niet in strijd is met de wet of het algemeen belang, moet de rechtbank de teruggave aan de ouders gelasten. De rechtbank kan zich overigens voorstellen dat de ouders de messen niet terug willen krijgen. In dat geval kunnen de messen worden vernietigd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de

o door of vanwege de gezinsvoogd gedurende de ondertoezichtstelling en

o door of vanwege de Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg in het Arrondissement Maastricht, indien de ondertoezichtstelling gedurende de proeftijd wegvalt

te stellen richtlijnen zolang de gezinsvoogd en, indien van toepassing, voornoemde reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd noodzakelijk oordelen, ook als dit inhoudt dat de veroordeelde behandeling moet volgen;

- geeft opdracht aan de gezinsvoogd en, indien van toepassing, genoemde reclasseringsinstelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uren per dag;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, aan de ouders van verdachte:

o een keukenmes (nummer 1687120);

o een mes, kleur zwart, met een kromme punt (nummer 1689838);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, aan de politie regio Limburg-Zuid:

o een CD-Rom (nummer 1691170).

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wapenaar, voorzitter, kinderrechter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 maart 2010.

Mr. W.F.J. Aalderink is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 augustus 2009 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [agent 1](hoofdagent van politie) en/of [agent 2] (hoofdagent van politie) van het leven te beroven, met dat opzet een of meer mes(sen) ter hand heeft genomen en/of (vervolgens) met die/dat mes(sen) in zijn hand(en) in de richting van die [agent 1] en/of die [agent 2] is gerend en/of (vervolgens) (met kracht) een mes in de richting van die [agent 1] en/of die [agent 2] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 21 augustus 2009 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer ambtena(a)r(en), te weten [agent 1](hoofdagent van politie) en/of [agent 2] (hoofdagent van politie), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meer mes(sen) ter hand heeft genomen en/of

(vervolgens) met die/dat mes(sen) in zijn hand(en) in de richting van die [agent 1] en/of die [agent 2] is gerend en/of (vervolgens) (met kracht) een mes in de richting van die [agent 1] en/of die [agent 2] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 21 augustus 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk/type Koga Myata), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

hij op of omstreeks 30 oktober 2009 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pakje Dextro Energy, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 30 oktober 2009 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij, verdachte, een mes bij zich had en/of dat hij, verdachte, hem/hen neer zou steken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.