Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM0945

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 873
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft zijn auto geparkeerd op een vergunninghouderplaats. Eiser had vergunning om op deze plaats te parkeren, maar de vergunning was niet duidelijk van buitenaf leesbaar in de auto aanwezig. Verweerder heeft, nu de vergunning niet leesbaar in de auto aanwezig was en aangezien eiser geen kaartje bij een parkeerautomaat had gekocht, een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser opgelegd.

Ingevolge de parkeerverordening van de gemeente Maastricht is het verboden een motorvoertuig op een vergunninghouderplaats te parkeren of geparkeerd te houden zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning. Gelet hierop gold voor eiser een wettelijk verbod om op de vergunninghouderplaats te parkeren. Als gevolg van dit wettelijk verbod was in dit geval geen sprake van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet, zodat geen parkeerbelasting kon worden geheven. Daarom had ook geen naheffingsaanslag aan eiser mogen worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 873

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser],

wonend te Maastricht, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Maastricht,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 13 mei 2009

Kenmerk: 2009-21752

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Ter zitting is eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door P. van den Dijck, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

2. Overwegingen

Eiser heeft op 7 mei 2009 zijn auto geparkeerd aan de Tongersestraat te Maastricht. Verweerder heeft eiser op genoemde datum een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd en uitgereikt ten bedrage van € 52,60 omdat volgens verweerder in de auto van eiser geen parkeervergunning duidelijk zichtbaar aanwezig was.

Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Eiser kan zich daarmee niet verenigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij op 7 mei 2009 beschikte over een parkeervergunning voor de betreffende parkeerplaats en de vergunning toen wel duidelijk zichtbaar achter de voorruit van zijn auto heeft gelegd.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden de naheffingsaanslag heeft opgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 225 van de Gemeentewet, voor zover hier van belang, luidt:

1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:

a.een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belasting

verordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen

door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

b.een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren

van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats, tijdstip en wijze.

2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een

aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd

die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan

wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het

openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan

niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

Verweerder is op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting na te heffen.

Artikel 10 van de Verordening Parkeerregulering en Parkeerbelastingen 2009 van de gemeente Maastricht (hierna: de Verordening) is voorzien van de tekst "geldigheid". Het vijfde lid van dit artikel luidt:

Tijdens het gebruik van de vergunning dient het vergunningbewijs duidelijk van buitenaf leesbaar in het motorvoertuig aanwezig te zijn.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de parkeervergunning niet duidelijk van buitenaf leesbaar in de auto van eiser aanwezig was, dat dit echter op grond van de gemeentelijke parkeerverordening een voorwaarde is voor het geldige gebruik van een parkeervergunning en dat eiser daarom zonder geldige parkeervergunning heeft geparkeerd. Bovendien was geen door een parkeerautomaat afgegeven kaartje zichtbaar in de auto aanwezig. Nu eiser geen parkeerbelasting heeft betaald, heeft verweerder een naheffingsaanslag opgelegd.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat eiser, nu geen van buitenaf leesbare parkeervergunning in de auto aanwezig was, voor het parkeren van de auto parkeerbelasting verschuldigd was.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de auto van eiser geparkeerd stond op een vergunninghouderplaats als bedoeld in artikel 1, onder p, van de Verordening.

Artikel 15 van de Verordening, voor zover hier van belang, luidt:

1.Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een vergunninghouderplaats

slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of

geparkeerd te houden:

a. (…);

b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning.

Nu volgens verweerder de auto van eiser niet duidelijk zichtbaar was voorzien van de vergunning, was het op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening aan eiser verboden de auto daar te parkeren.

Nu eiser heeft geparkeerd in strijd met dit wettelijk verbod, was geen sprake van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentwet, en kon terzake dit parkeren geen parkeerbelasting worden geheven.

De naheffingsaanslag is dan ook ten onrechte opgelegd. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank zal zelf recht doen in de zaak en de naheffingsaanslag vernietigen.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-vernietigt de aanslag parkeerbelasting van 7 mei 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde besluit;

-bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Schutte, als rechter, in tegenwoordigheid van A.G.P.M. Zweipfenning, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2010.

w.g. A. Zweipfenning w.g. A.M. Schutte

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden: 7 april 2010

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ te ’s Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd,

2.het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a.de naam en het adres van de indiener;

b.een dagtekening

c.een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d.de gronden van het hoger beroep.