Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM0577

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
03-700702-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachten van dood door schuld vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700702-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortegegevens],

wonende [adresgegevens].

Raadsvrouw is mr. S.M. Kurvers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 maart 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig niet heeft zorggedragen voor deugdelijke bevestiging van een deur, ten gevolge waarvan die deur is losgekomen en op [naam slachtoffer] (geboren [2002]) is gevallen, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] zodanig letsel heeft opgelopen dat deze daaraan is overleden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn eigenaren van [naam vakantieboerderij], een vakantieboerderij gelegen aan [adresgegevens]. Zij exploiteren deze Hoeve al een aantal jaren. Het betreft een agrarisch bedrijf waarbij tevens een aantal vakantieappartementen wordt geëxploiteerd.

Bij het realiseren van de vakantieappartementen is omstreeks 2002 in een stal een deuropening dichtgemetseld. Op last van de gemeente is de deur als zogenoemde ‘blinde deur’ in de nis teruggeplaatst om de karakteristieke aanblik van de boerderij te behouden.

Op 20 juli 2009 speelt [naam slachtoffer], die dan met zijn ouders en broertje op de vakantieboerderij verblijft, met andere kinderen op het terrein van de vakantieboerderij. De 8-jarige [naam getuige 1] ziet dat [naam slachtoffer] aan eedergenoemde deur trekt en dat de deur op [naam slachtoffer] valt. Zij ziet vervolgens dat door de val van de deur een aan de deur bevestigde pin in het gezicht van [naam slachtoffer] terecht komt. De 8-jarige [naam getuige 2] hoort [naam getuige 1] om hulp roepen en ziet dat [naam slachtoffer] bijna geheel onder de deur ligt. De deur is vervolgens door gealarmeerde omstanders van [naam slachtoffer] afgetild.

[naam slachtoffer] blijkt buiten bewustzijn en wordt met een traumahelikopter overgebracht naar het Academisch Ziekenhuis te Maastricht. Bij de traumascreening blijkt dat er sprake is van een ernstig geïsoleerd neurotrauma. Aan dit hersenletsel overlijdt hij twee dagen later.

In het proces-verbaal sporenonderzoek van Bureau Forensische Opsporing staat dat het aannemelijk is dat de deur, die zo’n 75 kilogram weegt, slechts met een houten spie vastgeklemd heeft gezeten in de uitsparing in de muur. Het is volgens dit proces-verbaal tevens aannemelijk dat door weersomstandigheden (vocht en droogte) de houten deur en de houten spie krimpen en uitzetten. Het is volgens de verbalisanten die het onderzoek hebben verricht daarbij heel wel mogelijk dat door trekken en duwen tegen de deur de spie los is komen te zitten, waardoor de deur naar buiten is gevallen. Door de verbalisanten is niet vastgesteld dat de deur op welke wijze dan ook anders dan door middel van de spie aan of tegen de muur was bevestigd. Verbalisanten stellen dat redelijkerwijze er van te voren rekening mee gehouden zou moeten zijn dat een houten spie en een houten deur door toedoen van het bovenstaande op enig tijdstip los kan komen te zitten. Ten slotte wordt geconcludeerd dat, indien de deur zou zijn verankerd met schroeven door de houten deur in het metselwerk, een dergelijk ongeval niet had plaatsgevonden.

Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] hebben beiden verklaard dat de bewuste deur destijds in 2002 door een metselaar in de dichtgemetselde deuropening is geplaatst. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij hierbij hand- en spandiensten heeft geleverd, maar dat hij niet heeft gezien op welke wijze de deur is vastgezet. Verdachte heeft verklaard dat zij niet aanwezig was bij het terugplaatsen van de deur. Ze heeft wel bij tijd en wijle koffie gebracht, maar ze heeft zich er verder niet mee bezig gehouden. Beiden hebben voorts verklaard dat zij nadien de deur niet meer hebben gecontroleerd. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij er vanuit ging dat de deur goed vast zat, nu de deur door een vakman was vastgezet. Hij heeft voorts opgemerkt dat hij kort nadat de deur was teruggeplaatst uit automatisme nog wel eens heeft geprobeerd om de deur te openen, maar dat deze nooit meegaf. Ook zouden er volgens medeverdachte [naam medeverdachte] meerdere volwassenen en kinderen in de loop der jaren aan de deur hebben getrokken.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] verantwoordelijk zijn voor de ondeugdelijke bevestiging van de deur. Zij zijn eigenaren van het complex en exploiteren op professionele wijze hun vakantieappartementencomplex. De gasten die met hun kinderen op de boerderij vertoeven, mogen verwachten dat in en rond het vakantiecomplex gebruik is gemaakt van deugdelijk materiaal, bij gebruik waarvan de veiligheid niet in gevaar komt.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat daarmee de professionele zorgplicht ten volle berust bij verdachte en haar medeverdachte. [naam slachtoffer] liep als gevolg van het ongeval met de omgevallen deur fataal hersenletsel op. Ook zonder dat van opzet sprake is, kan het onzorgvuldige en onvoorzichtige gedrag van verdachte en haar medeverdachte als strafbaar worden gekwalificeerd. Aan hen is derhalve de schuld van het overlijden van [naam slachtoffer] te wijten.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schuld. Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] hebben niet aanmerkelijk onachtzaam dan wel nalatig gehandeld. Een professionele metselaar heeft de deuropening dichtgemetseld en de deur tegen het metselwerk bevestigd. Dat verdachte en haar medeverdachte niet precies weten hoe de deur was vast gemaakt, is naar de mening van de verdediging niet strafrechtelijk verwijtbaar. Zij mochten in de veronderstelling verkeren dat de deur vakkundig was vastgezet en aldus goed vast zat.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte en haar medeverdachte het voorval niet hadden kunnen voorzien en dat zij geen onjuiste inschatting hebben gemaakt. In redelijkheid hadden zij niet moeten en kunnen weten dat een deur die door een vakman is bevestigd en die jarenlang rotsvast heeft gezeten, ineens los zou komen met alle gevolgen van dien.

Voorts is aangevoerd dat uit verklaringen van andere bezoekers blijkt dat verdachte altijd op alles let, de kinderen steeds waarschuwt voor gevaren en bijna continu op de boerderij aanwezig is. Hieruit blijkt dat veiligheid bij verdachte en haar medeverdachte hoog in het vaandel staat.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, al zou er al sprake zijn van schuld, er nog steeds geen sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Al zou er enige mate van schuld bij verdachte en medeverdachte liggen, dan nog kan volgens de raadsman niet gezegd worden dat hun op grond daarvan een zodanig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld in strafrechtelijke zin oplevert.

3.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende voorop.

Voor het bewijs van schuld in de zin van artikel 307 Sr is nodig dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen, hetgeen hem kan worden verweten en dat dat gedrag van dien aard is dat het gevolg, de dood, aan hem kan worden toegerekend. Meer toegespitst op het onderhavige geval kan schuld omschreven worden als het niet of onvoldoende voorzien hebben van een gevolg van bepaald gedrag, hoewel dat redelijkerwijze had gekund en ook had gemoeten.

Er bestaat een algemene zorgplicht die eist dat mensen in het dagelijkse leven bepaalde zorgvuldigheidsnormen ten opzichte van elkaar in acht nemen, dat mensen zich niet aanmerkelijk onvoorzichtig of onachtzaam gedragen. Naar mate iemand meer kennis of vaardigheden heeft of, zoals in het onderhavige geval, een bepaalde functie uitoefent, wordt men geacht des te voorzichtiger te zijn. Niet elk gemis aan voorzichtigheid is echter voldoende om tot een bewezenverklaring van schuld te komen. Vereist wordt een min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid.

In het onderhavige geval hebben verdachte en haar medeverdachte, exploitanten van een vakantieboerderij, een nis in een muur van de vakantieboerderij laten dichtmetselen en in die nis een deur laten terugplaatsen door een metselaar. Verdachte noch haar medeverdachte hebben het werk van de metselaar gecontroleerd en hebben verklaard niet te hebben geweten op welke wijze die deur was bevestigd in de nis. Verdachte en haar medeverdachte hebben verklaard dat zij er van uit zijn gegaan dat de metselaar de deur deugdelijk had vastgezet. Ook in de jaren daarna hebben zij de deur nooit meer gecontroleerd. Uit het proces-verbaal sporenonderzoek blijkt dat de deur niet deugdelijk bevestigd heeft gezeten in de nis. Over de betreffende metselaar heeft de rechtbank niets anders in de stukken aangetroffen dan dat hij een aantal jaren geleden is overleden.

De vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is of verdachte en haar medeverdachte hadden moeten kunnen voorzien dat de metselaar die deur ondeugdelijk zou bevestigen en dat het niet controleren van het werk van de metselaar tot gevolg zou kunnen hebben dat de deur uit de nis zou vallen waarbij iemand zou (kunnen) komen te overlijden. Daarbij dient nog in aanmerking te worden genomen dat verdachte en haar medeverdachte een vakantieboerderij exploiteren en een bijzondere zorgplicht hebben ten opzichte van hun gasten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en haar medeverdachte niet de uiterste voorzichtigheid in acht hebben genomen, nu zij zich er in het geheel niet van vergewist hebben of die deur op deugdelijke wijze in de nis was bevestigd en ook in de jaren daarna nooit gecontroleerd hebben of de deur nog wel goed vast zat. Gelet op het feit dat verdachte en haar medeverdachte een vakantieboerderij exploiteren en jaarlijks vele gasten ontvangen, hadden zij hiervoor echter wel moeten zorgdragen. Van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid zoals bedoeld in artikel 307 Sr is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Daarvoor is het verwijt dat verdachte en haar medeverdachte treft te gering. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen haar ten laste is gelegd.

De rechtbank begrijpt dat dit voor de ouders en andere nabestaanden van [naam slachtoffer] moeilijk te accepteren kan zijn. Het leed dat hen is overkomen is immers onuitsprekelijk. Toch kan de rechtbank niet anders. Het leed mag immers geen maatstaf zijn voor de vraag of verdachten schuld treft. Die vraag kan en mag alleen beantwoord worden aan de hand van de beoordeling van dat gedrag zelf.

4 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen onder nummer

1 t/m 3 zal de rechtbank teruggave gelasten aan de rechthebbende.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Beslag

- gelast de teruggave aan rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten:

2009093165 1 1 sporen

spoornr. 25576-dur op de grond voor nis rechterzij

2009093165 2 1 sporen

spoornr 25577-houten spie voorzien van groene verf

2009093165 3 2 sporen

spoornr. 25578-ontvangen van verdachte van wersch

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. Th.A.J.M. Provaas en

mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 april 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 20 juli 2009 te Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem, tezamen en in vereniging, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig als (feitelijk) exploitant/vergunninghouder van vakantieappartementen, gelegen [adresgegevens], niet heeft zorggedragen voor deugdelijke bevestiging van een blinde poort/deur aan een gevel/nis (welke onderdeel uitmaakt van het complex van voornoemde vakantie- appartementen), (mede) ten gevolge waarvan die poort/deur -nadat daar aan door [naam slachtoffer] (geboren [2002]) is getrokken en/of geduwd- is losgekomen en vervolgens op [naam slachtoffer] is gevallen, althans tegen [naam slachtoffer] aan is gekomen, waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] zodanig letsel, te weten een geïsoleerd neurotrauma, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.