Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL8293

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
147815 / OT RK 10-156
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gesloten jeugdzorg. BJZ overlegt een indicatiebesluit, waarin geen data meer worden vermeld. Als tijdstip van inwerkingtreding van het besluit wordt vermeld: ingangsdatum machtiging uithuisplaatsing. Onder het kopje ”nieuwe aanspraak” heeft BJZ zowel ter aanduiding van de duur van de geldigheid van het besluit als ter aanduiding van het einde van de verzilveringstermijn vermeld: expiratiedatum machtiging uithuisplaatsing. Doel van deze wijze van aanduiding is de termijnen van de ingang van het indicatiebesluit en de machtiging tot uithuisplaatsing gelijk te laten lopen.

Op grond van artikel 3:41 van de Awb is het tijdstip van inwerkingtreding van het indicatiebesluit de dag nadat dit besluit aan de belanghebbenden is bekendgemaakt.

Omdat de geïndiceerde zorg ziet op een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling, komt aan de vermelding van de verzilveringstermijn in zoverre een beperkte betekenis toe, dat in artikel 1: 262 lid 3 BW is bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing vervalt, indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. In navolging van de uitspraken van de gerechtshoven Amsterdam en Arnhem (respectievelijk van 21 juli 2009, LJN: BJ4783 en 2 september 2009, LJN: BG2667) is de kinderrechter van oordeel dat artikel 1: 262 lid 3 BW ook van toepassing is op de machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg. Met het vervallen van de machtiging komt op grond van artikel 3 lid 4 van de Wjz tevens het indicatiebesluit te vervallen. Voornoemde wettelijke bepalingen brengen mee dat, door voor de datum einde verzilveringstermijn aan te knopen bij de expiratiedatum van de machtiging uithuisplaatsing wordt bewerkstelligd dat de verzilveringstermijn maximaal drie maanden bedraagt.

Artikel 6 lid 1 aanhef en onder c van de Wjz, gelezen in samenhang met de uit de artikelen 5 en 6 van het EVRM voortvloeiende noodzakelijkheids- en proportionaliteitseisen en artikel 29h lid 2 van de Wjz, brengt mee dat BJZ in het indicatiebesluit dat strekt tot gesloten jeugdzorg zelf de duur van de geldigheid van het indicatiebesluit moet vermelden. Het is weliswaar de kinderrechter die de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg bepaalt, maar deze beoordeling vindt plaats met inachtneming van de door BJZ in het indicatiebesluit aan te duiden begrenzing in de tijd, die op haar beurt een weerspiegeling dient te zijn van de door bureau jeugdzorg aanwezig geachte noodzaak van de uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 18 februari 2010

Zaaknummer: 147815 / OT RK 10-156

BESCHIKKING OP VERZOEK MACHTIGING UITHUISPLAATSING

IN EEN ACCOMMODATIE VOOR GESLOTEN JEUGDZORG

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[de minderjarige], geboren [geboortegegevens],

verder te noemen [de minderjarige],

advocaat mr. B.H.M. Nijsten,

kind van:

[de moeder], wonende te [adres],

verder te noemen de moeder,

en

[de vader], wonende te [adres],

verder te noemen de vader.

Daarnaast wordt als belanghebbende aangemerkt:

Dhr. [M], wonende te [adres].

1. Verloop van de procedure

Op 28 januari 2010 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 februari 2010.

2. Vaststaande feiten

[de minderjarige] is geboren uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en een niet als belanghebbende aangemerkte man. [de minderjarige] is erkend door [de vader], verder te noemen de vader.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft bij

dhr. [M]

De ondertoezichtstelling loopt vanaf 28 mei 2009.

Bij beschikking van 28 mei 2009 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 28 mei 2009 verleend tot 28 mei 2010.

Bij beschikking van 28 mei 2009 van de kinderrechter is de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor licht verstandelijk gehandicapte jongeren verleend tot 28 mei 2010.

3. Verzoek, grondslag en verweer

3.1

Bureau jeugdzorg heeft verzocht een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de termijn genoemd in het indicatiebesluit.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft bureau jeugdzorg verwezen naar de bij het verzoek gevoegde motivering en rapportage en het navolgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

[de minderjarige] is een zwakbegaafde jongen die geen probleembesef heeft. Er zijn zorgen omtrent zijn gebrekkige gewetensontwikkeling en daarnaast is sprake van ernstige gedragsproblematiek; [de minderjarige] is zelfbepalend, dominant, houdt zich niet aan de regels en accepteert geen sturing. Ook gaat [de minderjarige] al geruime tijd niet meer naar school. [de minderjarige] wilde niet meewerken aan een plaatsing bij Gastenhof, zodat de bij beschikking van 28 mei 2009 verleende machtiging tot uithuisplaatsing niet is geëffectueerd. Het school-werkproject ‘Der sjtiel’ kan een bijdrage leveren aan de oplossing van het school probleem, maar het is geen oplossing voor de gedragsproblemen van [de minderjarige]. Bovendien is dit alleen een vorm van dagbesteding en zijn er enorme wachtlijsten om voor dit project in aanmerking te komen. [de minderjarige] heeft een duidelijke dagstructuur nodig. Het is de vraag of de moeder in staat is gezag over hem uit te oefenen en hem de dagelijkse structuur te bieden die [de minderjarige] nodig heeft.

3.3

De advocaat heeft ter zitting toegelicht dat het belangrijkste wat [de minderjarige] nodig heeft structuur is. [de minderjarige] heeft een dagritme nodig en moet weer naar school gaan. De leerplichtambtenaar heeft de moeder gewezen op het project ‘Der sjtiel’. Dit is een speciaal school-werktraject. Ook bureau jeugdzorg is hierop gewezen, maar er is niets mee gedaan. Daarnaast is het onderzoek door de gedragsdeskundige te summier om tot een zo verstrekkende maatregel als een plaatsing in gesloten jeugdzorg te komen. Volgens de advocaat kan [de minderjarige] het beste terug naar zijn moeder.

3.4

De moeder heeft ter zitting toegelicht dat [de minderjarige] bij haar kan komen wonen. De moeder geeft aan dat [de minderjarige] bij haar thuis rust krijgt omdat hij dan alleen met haar in huis is. Volgens de moeder zal de combinatie van rust bij haar thuis en het weer naar school gaan, inclusief het project ‘Der sjtiel’ een positief effect hebben op [de minderjarige]. Een plaatsing in gesloten jeugdzorg is volgens de moeder niet noodzakelijk.

3.5

De vader heeft ter zitting verklaard dat [de minderjarige] terug moet naar zijn moeder. Volgens de vader kan dhr. [M] de zorg over [de minderjarige] niet meer aan en is het beter voor [de minderjarige] om bij de moeder thuis te zijn. Zij kan [de minderjarige] de structuur bieden die hij nodig heeft.

3.6

Dhr. [M] heeft ter zitting verklaard dat hij het niet eens is met het verzoek tot gesloten plaatsing van [de minderjarige]. Volgens dhr. [M] is het geen oplossing voor het probleem van [de minderjarige]. Dhr. [M] geeft aan dat het bij hem thuis niet meer gaat met [de minderjarige] maar dat de moeder [de minderjarige] de structuur kan bieden die hij nodig heeft. Bovendien zorgt bureau jeugdzorg volgens dhr. [M] alleen voor veel onduidelijkheid voor [de minderjarige], wat veel spanningen voor hem met zich meebrengt.

3.7

[de minderjarige] heeft ter zitting aangegeven dat bureau jeugdzorg tot nu toe geen school voor hem heeft gezocht, terwijl bureau jeugdzorg volgens hem wel had aangegeven dat te zullen doen. Volgens [de minderjarige] is het heel belangrijk dat er een school voor hem wordt gevonden, zodat hij weer een dagstructuur heeft. [de minderjarige] geeft aan dat dit het belangrijkste is wat moet veranderen. Ten slotte geeft [de minderjarige] aan slechts tien minuten met de gedragsdeskundige te hebben gesproken.

4.Beoordeling

4.1

Bureau jeugdzorg heeft bij het verzoekschrift een indicatiebesluit overgelegd, dat ertoe strekt voor [de minderjarige] een nieuwe aanspraak te vestigen op verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Als datum van inwerkingtreding van het besluit heeft bureau jeugdzorg vermeld: ingangsdatum machtiging uithuisplaatsing. Onder het kopje “nieuwe aanspraak” heeft bureau jeugdzorg zowel ter aanduiding van de geldigheid van het indicatiebesluit als van de datum einde verzilveringstermijn vermeld: expiratiedatum machtiging uithuisplaatsing. Naar de kinderrechter heeft begrepen zijn deze aanduidingen een gevolg van een aanpassing van de modellen van de verzoekschriften, met de bedoeling de termijnen van de ingang van het indicatiebesluit en de machtiging tot uithuisplaatsing gelijk te laten lopen. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of deze wijze waarop bureau jeugdzorg dit, op zichzelf toe te juichen, doel beoogt te verwezenlijken in overeenstemming is met de toepasselijke wettelijke voorschriften. De kinderrechter overweegt als volgt.

4.2

Ingevolge artikel 5 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) heeft bureau jeugdzorg tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

Ingevolge artikel 5 lid 2 aanhef en onder a van de Wjz behoort tot de taak bedoeld in het eerste lid het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge de Wjz aanspraak bestaat. Het besluit waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5 lid 2 van de Wjz wordt aangeduid als: het indicatiebesluit. Dit is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt het indicatiebesluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41 lid 1 van de Awb geschiedt de bekendmaking door toezending of uitreiking aan de belanghebbenden. Ingevolge artikel 1:2 lid 1 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 6 lid 1 aanhef en onder c van de Wjz moet bureau jeugdzorg, indien het een indicatiebesluit neemt daarbij in ieder geval aangeven: de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen (hierna aangeduid als: de geldingstermijn).

Ingevolge artikel 6 lid 1 aanhef en onder d van de Wjz dient bureau jeugdzorg bij het indicatiebesluit in ieder geval aan te geven: de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen (hierna aangeduid als: de verzilveringstermijn).

4.3

Uit deze wettelijke bepalingen, in onderling verband gelezen, volgt in de eerste plaats dat bureau jeugdzorg als datum van de inwerkingtreding van het indicatiebesluit ten onrechte de ingangsdatum van de machtiging uithuisplaatsing heeft aangemerkt. Op grond van artikel 3:41 van de Awb is het indicatiebesluit in werking getreden op de dag nadat het besluit aan de in de kop van deze beschikking vermelde belanghebbenden is bekendgemaakt. Dit tijdstip staat geheel los van het moment waarop de machtiging tot uithuisplaatsing door de kinderrechter wordt verleend.

Dat de datum van inwerkingtreding van de machtiging tot uithuisplaatsing niet gekoppeld kan worden aan de rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing volgt eveneens uit de wettelijke bepalingen die op deze machtiging zelf betrekking hebben. Zo is in artikel 1: 261 lid 2 BW bepaald dat indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5 lid 2 van de Wjz, het verzoek is gericht op de effectuering van het indicatiebesluit. In hetzelfde artikellid is voorts bepaald dat het indicatiebesluit bij het verzoek moet worden overgelegd. In deze bepalingen wordt voorondersteld dat de aanspraak op de zorg waarop het verzoek ziet al bestaat. Voor het bestaan van de aanspraak is noodzakelijk dat het indicatiebesluit in werking is getreden. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de datum van inwerkingtreding van het indicatiebesluit en de datum met ingang waarvan de in dit besluit opgenomen aanspraak wordt geëffectueerd. Voor deze laatste datum is bepalend het tijdstip met ingang waarvan de zorg waarop de machtiging ziet feitelijk aanvangt.

4.4

Met betrekking tot de wijze waarop bureau jeugdzorg de verzilveringstermijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 aanhef en onder d van de Wjz heeft aangeduid overweegt de kinderechter als volgt.

Artikel 6 van de Wjz regelt de elementaire eisen die aan de inhoud van het indicatiebesluit worden gesteld. Uit de parlementaire geschiedenis van dit artikel blijkt dat het opnemen in het indicatiebesluit van deze termijn ertoe strekt te voorkomen dat de zorg door tijdsverloop niet meer aansluit bij de behoefte van de cliënt. Als de geïndiceerde zorg, zoals in deze zaak, een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling van een jeugdige betreft, komt aan de in artikel 6 van de Wjz geregelde verzilveringstermijn in zoverre een beperkte betekenis toe, dat in artikel 1: 262 lid 3 BW is bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing vervalt, indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. In navolging van de uitspraken van de gerechtshoven Amsterdam en Arnhem (respectievelijk van 21 juli 2009, LJN: BJ4783 en 2 september 2009, LJN: BG2667) is de kinderrechter van oordeel dat artikel 1: 262 lid 3 BW van toepassing is op de machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg. Met het vervallen van de machtiging komt op grond van artikel 3 lid 4 van de Wjz tevens het indicatiebesluit te vervallen.

Gelet op de zojuist genoemde wettelijke bepalingen en jurisprudentie heeft de aanknoping van de datum einde verzilveringstermijn bij de expiratiedatum van de machtiging uithuisplaatsing feitelijk tot gevolg dat de verzilveringstermijn in een indicatiebesluit dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling maximaal drie maanden bedraagt. Dit acht de kinderrechter alleszins aanvaardbaar.

4.5

Met betrekking tot de wijze waarop bureau jeugdzorg de geldingstermijn als bedoeld in artikel 6 lid aanhef en onder c van de Wjz heeft aangeduid overweegt de kinderechter als volgt.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6 van de Wjz (K 2, 2001 – 2002, 28 168, nr. 3, p. 55) blijkt dat het opnemen van de geldingstermijn in het indicatiebesluit in verband moet worden gebracht met de noodzaak van de geïndiceerde zorgverlening. Volgens de wetgever zijn aanspraken voor onbepaalde duur niet gewenst. Regelmatig moet worden beoordeeld of de cliënt nog behoefte heeft aan de geïndiceerde zorg. Zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat onnodige of minder effectieve zorg wordt verleend. Het is om deze redenen dat bureau jeugdzorg in het indicatiebesluit een termijn moet noemen gedurende welke de aanspraak geldt. In artikel 23 lid 1 van het Uitvoeringsbesluit wet op de jeugdzorg is bepaald dat deze termijn ten hoogste een jaar bedraagt na de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet is aangevangen, behoudens een aantal limitatief in dit artikel opgesomde uitzonderingen op deze regel, die in deze zaak niet van toepassing zijn.

De door bureau jeugdzorg uit te voeren beoordeling van de noodzaak van de geïndiceerde zorg komt extra gewicht toe als de zorg een uithuisplaatsing betreft. De uithuisplaatsing is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht op respect op het gezinsleven van het kind en zijn ouders. De inbreuk op dit recht kan weliswaar gerechtvaardigd zijn, maar dan zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat de maatregel in het belang van de verzorging en de opvoeding van het kind noodzakelijk is en dat evenmin met een minder verstrekkende maatregel kan worden volstaan. Deze vereisten gelden in versterkte mate als het indicatiebesluit strekt tot plaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg, in welk geval ook voldaan moet zijn aan de voorwaarden die een inbreuk op artikel 5 EVRM rechtvaardigen. Bij gesloten jeugdzorg komt aan de geldingsduur ook in die zin zelfstandige betekenis toe dat in artikel 29h lid 2 eerste volzin is bepaald dat de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf kan bepalen.

Toegespitst op deze zaak doet zich dus de vraag voor of de door bureau jeugdzorg gevolgde werkwijze, waarbij voor de geldingsduur van het indicatiebesluit wordt aangesloten bij de door de kinderrechter bepaalde expiratiedatum van de machtiging uithuisplaatsing, in overeenstemming is met de wijze waarop de beoordeling van de noodzaak en proportionaliteit van de uithuisplaatsing dient plaats te vinden.

Een belangrijke doelstelling die de wetgever voor ogen heeft gehad bij de regeling van het indicatiebesluit is het scheppen van rechtszekerheid voor de belanghebbenden. Zo wordt in artikel 6 van de Wjz voorgeschreven dat bureau jeugdzorg in het indicatiebesluit in ieder geval een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt geeft, alsmede van de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan. Verder is voorgeschreven dat bureau jeugdzorg in het indicatiebesluit een beschrijving geeft van de in verband met die problemen benodigde zorg en de mogelijke oorzaken daarvan. Als zelfstandige, aan de inhoud van het indicatiebesluit te stellen, eis wordt voorts voorgeschreven dat bureau jeugdzorg in het indicatiebesluit de duur van de aanspraak, nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen (voornoemde geldingstermijn), vermeldt. Anders gezegd: de motivering van het indicatiebesluit moet zodanig zijn dat de belanghebbenden weten waar zij aan toe zijn (vgl. K 2, 2001 – 2002, 28168, nr. 3, p. 55) Dit geldt ook voor de duur van de zorg die bureau jeugdzorg noodzakelijk acht.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat de eis van voorzienbaarheid meer gewicht toekomt naarmate de inbreuk op de grondrechten, zoals die geregeld in artikel 5 en 6 EVRM, ingrijpender wordt (vgl. K 2, 2005 – 2006, 30 644, nr. 3, p. 6). Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de kinderrechter om de door de uithuisplaatsing gemaakte inbreuk op deze grondrechten te beoordelen. Deze beoordeling dient op de grondslag van het indicatiebesluit plaats te vinden (vgl. K 2, 2001 – 2002, 28 168, nr. 3, p. 82 en K 2, 2005 – 2006, 30 644, nr. 3, p. 23-24), terwijl de kinderrechter gehouden is de door de belanghebbenden tegen het indicatiebesluit gemaakte bezwaren in die beoordeling te betrekken (vgl. K 2, 2001 -2002, 28 168, nr. 3, p. 52 en 85). Bij verzoeken om uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg dient de kinderrechter het indicatiebesluit in nauw verband met de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper te beoordelen. Het is de combinatie van de verklaring van de gedragswetenschapper en het indicatiebesluit die de kinderrechter het deskundigenoordeel verschaft op grond waarvan hij moet toetsen of er sprake is van een situatie waarin gesloten jeugdzorg nodig is, en zo ja, voor welke periode deze zorg nodig is (vgl. K 2, 2006 – 2007, 30 644, nr. 7, p. 3 en K 1, 2007 – 2008, 30 644 D, p. 5). Met deze wettelijke uitgangspunten verdraagt zich niet dat bureau jeugdzorg in het indicatiebesluit niet langer zou vermelden voor welke periode gesloten jeugdzorg noodzakelijk wordt geacht. Het is weliswaar de kinderrechter die de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg bepaalt, maar deze beoordeling vindt plaats met inachtneming van de door bureau jeugdzorg in het indicatiebesluit aan te duiden begrenzing in de tijd, die op haar beurt een weerspiegeling dient te zijn van de door bureau jeugdzorg aanwezig geachte noodzaak van de uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg.

De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de door bureau jeugdzorg voorgestane werkwijze, waarbij voor de geldingsduur van het indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 aanhef en onder c van de Wjz wordt aangeknoopt bij de expiratiedatum van de machtiging van de kinderrechter tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg, niet in overeenstemming is met de toepasselijke wettelijke voorschriften en dus onrechtmatig is. Het verzoek van bureau jeugdzorg is in zoverre dan ook onvoldoende onderbouwd.

4.6

De kinderrechter overweegt voorts dat bureau jeugdzorg een instemmingsverklaring van de heer [R], gedragswetenschapper, gedateerd 25 januari 2010, heeft overgelegd. Deze verklaring betreft een op 1 februari 2010 door de rechtbank ontvangen gecorrigeerde versie van een eerder bij de indiening het verzoekschrift overgelegde instemmingsverklaring. De kinderrechter heeft vastgesteld dat deze gecorrigeerde instemmingsverklaring niet is ondertekend door de gerdragsdeskundige.

De kinderrechter is voorts met de advocaat van [de minderjarige] van oordeel dat de verklaring erg summier is. [de minderjarige] zelf heeft ter zitting verklaard dat de gedragswetenschapper weliswaar kort voor de totstandkoming van de verklaring met hem gesproken heeft, maar dat dit gesprek slechts tien minuten heeft geduurd. Afgaande op de rapportage van het gesprek acht de kinderrechter dit niet onaannemelijk. Naar het voordeel van de kinderrechter bevat de verklaring onvoldoende feitelijke onderbouwing voor een gesloten plaatsing van [de minderjarige].

De kinderrechter stelt voorts vast dat in het indicatiebesluit geen recente informatie is opgenomen over de toestand waarin [de minderjarige] verkeert. De laatste informatie dateert van

1 augustus 2008. Het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg lijkt vooral te zijn ingegeven door het feit dat [de minderjarige] opname in Gastenhof heeft geweigerd, ten gevolge waarvan de eerdere hiertoe verstrekte machtiging is verlopen. Naar het oordeel van de kinderrechter geven de stukken en het verhandelde ter zitting echter onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat [de minderjarige] ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft, die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig bedreigen en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [de minderjarige] zich aan die zorg die hij nodig heeft zal ontrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Naar het oordeel van de kinderrechter ligt het op de weg van bureau jeugdzorg allereerst te onderzoeken of niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden volstaan om de gedragsmoeilijkheden van [de minderjarige] het hoofd te bieden.

Op grond van al het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

5. Beslissing:

Wijst het verzoek af.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op

18 februari 2010 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.S. Frings, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.