Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL8119

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
09/466
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8888, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ8888
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart bezwaren tegen merendeel van de gelegde beslagen op panden ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Rekestnummer: 09/466

Deze beschikking is gegeven door de rechtbank te Maastricht, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van

[naam klager],

geboren [geboortegegevens],

wonende [adresgegevens],

hierna te noemen: (de) klager.

Klager heeft in deze zaak woonplaats gekozen te Maastricht, ten kantore van zijn raadsman mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

1. De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag dat door het openbaar ministerie ex artikel 94 en 94a van het Wetboek van Strafvordering is gelegd op een groot aantal onroerende goederen.

2. De procesgang

Het klaagschrift is op 28 september 2009 ter griffie van de rechtbank ingediend. Ter zitting in raadkamer van 9 december 2009 is de behandeling van het klaagschrift voor bepaalde tijd aangehouden, waarbij de raadsman in de gelegenheid werd gesteld de inhoud van het klaagschrift aan te passen naar aanleiding van de gewijzigde omstandigheden omtrent de panden.

Bij verweerschrift van 10 februari 2010 voorzien van bijlagen heeft de officier van justitie zijn standpunt in dezen kenbaar gemaakt.

Op 19 februari 2010 is de behandeling van het klaagschrift voortgezet. De officier van justitie enerzijds, klager en zijn raadsman anderzijds, hebben bij die gelegenheid hun respectieve standpunten uiteengezet, zulks aan de hand van een schriftelijke toelichting c.q. pleitnota.

Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

3. De bevoegdheid

De rechtbank is bevoegd van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, nu

de inbeslagneming binnen haar arrondissement heeft plaatsgevonden.

4. De ontvankelijkheid

Het klaagschrift is ingediend binnen de bij artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

5. De verdere beoordeling

5.1. Vaststaande feiten

Door de deurwaarder is op 28 juli 2009, na een daartoe door de officier van justitie gegeven last, strafvorderlijk beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: klassiek beslag) gelegd op in totaal 55 onroerende zaken welke geheel of gedeeltelijk aan de klager toebehoren.

Op 29 oktober 2009 is het klassiek beslag op het aan klager toebehorende pand gelegen aan de [T.straat] te Kerkrade middels een machtiging van de rechter-commissaris ex artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering omgezet naar een conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: conservatoir beslag).

Op vordering van de officier van justitie op 27 november 2009 heeft de rechter-commissaris schriftelijk machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO)

Op 4 december 2009 heeft de deurwaarder – op last van de officier van justitie – een groot deel van het klassieke beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering op de onroerende goederen doorgehaald.

Op 4 december 2009 is door de deurwaarder – op last van de officier van justitie – ten laste van klager conservatoir beslag gelegd op in totaal 54 onroerende zaken (geheel of gedeeltelijk) aan klager toebehorend.

Het klassiek beslag betreft daardoor thans nog 5 onroerende zaken. Op deze 5 onroerende zaken rust zowel klassiek- als conservatoir beslag.

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn tevens in totaal 28 voertuigen in klassiek beslag genomen. Op 22 januari 2010 is het klassiek beslag op deze voertuigen middels een machtiging ex artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering omgezet naar conservatoir beslag.

5.2. Het standpunt van klager

5.2.1.

De raadsman heeft allereerst in het klaagschrift gesteld dat, indien de grondslag van het beslag gewijzigd wordt van artikel 94 in artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, altijd een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris is vereist. Die ontbreekt in dit geval zodat het beslag onrechtmatig is.

5.2.2.

Ten aanzien van het conservatoir beslag is klagers raadsman van mening dat klager zich niet schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten zoals omschreven in het proces-verbaal van verdenking ex artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, d.d. 8 mei 2009. Hieruit volgt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan klager door de rechter de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd.

5.2.3.

Ten aanzien van het klassiek beslag heeft de raadsman aangevoerd dat de verbeurdverklaring een (bijkomende) straf is die alleen kan worden opgelegd als klager ter zake van een of meer van de in het proces-verbaal ex artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, d.d. 8 mei 2009 genoemde verdenkingen zal worden veroordeeld. Gelet op het onderliggende feitencomplex is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de in beslag genomen onroerende zaken zal bevelen.

5.2.4.

Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat het beslag disproportioneel is. Zowel uit de jurisprudentie van de Hoge Raad als die van het EHRM valt af te leiden dat het beslag proportioneel dient te zijn. Volgens de Hoge Raad kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat er naar de proportionaliteit van het beslag moet worden gekeken.

De raadsman heeft in dit verband gewezen op het verschil tussen de WOZ-waarde van de onroerendgoedportefeuille en de door het openbaar ministerie genoemde hoogte van de ontnemingsvordering. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de belastingaanslag die in casu betrekking heeft op feiten die mede de basis vormen voor het onderhavige conservatoir beslag. Een eventuele ontnemingsvordering zal daardoor van de belastingaanslag afgetrokken kunnen worden, waardoor er een kleiner of wellicht helemaal geen bedrag resteert waarvoor klager (dan wel één van zijn familieleden) aangeslagen zou kunnen worden.

5.3. Het standpunt van het openbaar ministerie

5.3.1.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van het conservatoir beslag heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het beslag rechtmatig is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op 4 december 2009 het klassiek beslag grotendeels is opgeheven en in het kadaster is doorgehaald. Op dezelfde dag is door de officier van justitie bij het BOOM – bij afzonderlijke opdracht aan de deurwaarder – op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek beslag gelegd op alle onroerende zaken, ter verhaal van een eventueel op te leggen ontnemingsmaatregel. Van enige omzetting van klassiek beslag in conservatoir beslag is dus geen sprake. Omdat er een SFO was geopend behoefde de officier van justitie voor het leggen van conservatoir beslag geen rechterlijke machtiging.

5.3.2.

Ter zake van het conservatoir beslag heeft de officier van justitie aangevoerd dat in casu sprake is van verdenking van betrokkenheid van klager bij (onder meer) de artikelen 140, 225 c.q. 227 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 3 juncto artikel 11 van de Opiumwet. Uit de onderliggende stukken blijkt dat deze verdenking voldoende onderbouwd is. Derhalve kan niet gesteld worden dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter klager een (hoge) ontnemingsmaatregel zal opleggen.

5.3.3.

Ten aanzien van de panden waarop klassiek beslag is gelegd bestaat de gegronde verdenking dat deze (ten dele) zijn verkregen door strafbare feiten zoals oplichting, valsheid in geschrifte en (gewoonte)witwassen en dat deze panden ten dele zijn gebruikt om hennepteelt mogelijk te maken. Uit de onderliggende stukken blijkt dat de grond voor de beslaglegging nog altijd bestaat en dat er sprake is van een terechte verdenking tegen de verdachte. Ten aanzien van deze panden moet, mede gelet op wat tot nu toe werd bevonden in het onderzoek, worden geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een veroordeling en verbeurdverklaring zal komen. Dit geldt te meer, nu de Hoge Raad ten aanzien van de gronden voor het voortduren van de inbeslagneming nog eens uitdrukkelijk heeft gesteld dat er slechts een geringe mate van waarschijnlijkheid van het bestaan van die gronden behoeft te blijken.

5.3.4.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beslag in de huidige omvang niet disproportioneel is. Er is ten aanzien van de panden waarop klassiek beslag rust een zorgvuldige afweging gemaakt. Er worden immers niet meer panden in beslag gehouden dan waarvoor nog steeds verbeurdverklaring wordt nagestreefd, te weten de panden waarnaar actief onderzoek wordt gedaan.

Ter zake de proportionaliteit van het conservatoir beslag heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat er sprake is van meerdere preferente schuldeisers, namelijk de hypothecaire geldverstrekker en de Belastingsdienst. Een exacte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vooralsnog niet gemaakt. Daarvoor zal het onderzoek eerst afgerond moeten worden. Dat betekent dat het hier heel uitdrukkelijk gaat om een minimale voorlopige schatting. De huidige schatting van 1,5 miljoen euro is een voorlopige schatting die later nog veel hoger kan uitvallen.

5.4. Het oordeel van de rechtbank

5.4.1.

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat, nu een groot deel van het klassiek beslag op 4 december 2009 door de deurwaarder op last van de officier van justitie is doorgehaald, gevolgd door hernieuwde beslaglegging op grond van artikel 94a Wetboek van Strafvordering, er geen sprake is van een omzetting van beslag waarvoor een machtiging vereist was. Er is immers sprake van een nieuwe beslaglegging tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen klager en daarvoor is geen afzonderlijke rechterlijke machtiging vereist is. Het beslag voldoet daarom aan de formele vereisten.

5.4.2.

Met betrekking tot de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan klager te zijner tijd een ontnemingsvordering zal worden opgelegd, overweegt de rechtbank het volgende:

Klager wordt verdacht van betrokkenheid bij het plegen van valsheid in geschrifte, het doen van valse opgave in authentieke akten, witwaspraktijken, het maken van illegale prijsafspraken bij de verkoop van panden, oplichting, deelneming aan een criminele organisatie, betrokkenheid bij hennepteelt en overtreding van bepalingen van de Algemene Wet Rijksbelastingen.

Uit de onderliggende stukken komt in ieder geval naar voren dat tijdens de doorzoeking op 16 juni 2009 in de woning van klager twee bankpassen van [een bank] in België zijn aangetroffen met een rekeningnummer ten name van klager en zijn echtgenote. Uit onderzoek in de bestanden van de Belastingdienst komt naar voren dat klager of zijn echtgenote geen buitenlands vermogen heeft opgegeven. Het bestaan van deze buitenlandse bankrekening, waarvan het saldo aan de fiscus was onttrokken, wordt door klager niet betwist.

Ten aanzien van de verdenking dat klager is betrokken bij de hennepteelt en daarmee op wederrechtelijke wijze geld heeft verdiend, heeft de rechtbank kennis genomen van de verklaringen van de getuige [naam medeverdachte 1] en de als verdachte gehoorde [naam medeverdachte 2].

[medeverdachte 1] voornoemd heeft verklaard dat klager wist dat hij een wietplantage wilde beginnen en klager heeft [medeverdachte 1] toen een pand aangeboden. Klager wilde vervolgens meer huur van [medeverdachte 1] ontvangen omdat hij wist dat [medeverdachte 1] een wietplantage in het pand had.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat de plantage onder in de kelder eerder is geoogst door de huurbaas [naam klager] (noot griffier: zijnde klager). [naam klager] heeft deze plantage weggehaald omdat [medeverdachte 2] niet eerlijk tegen [naam klager] had gezegd dat hij een plantage had. [naam klager] eiste een deel van de opbrengst. [naam klager] eiste tienduizend euro van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] mocht van [naam klager] doorgaan met kweken als hij de tienduizend euro zou betalen. Omdat [medeverdachte 2] dit niet kon betalen, heeft [naam klager] de plantage die onder in de kelder stond meegenomen.

Door [naam benadeelde partij] is aangifte gedaan van oplichting gepleegd door klager. [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij zijn appartement heeft verkocht aan klager. Een gedeelte van de verkoopsom zou door klager zwart worden betaald. Dit bedrag heeft [benadeelde partij] echter nooit ontvangen. Bij de aangifte worden onder meer twee schriftelijke verklaringen overgelegd van [namen van getuige 1 en 2] die de aangifte van [benadeelde partij] moeten ondersteunen.

Gelet op deze onderdelen van het dossier is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een veroordeling van klager zal komen en een ontnemingsvordering zal opleggen.

5.4.3.

Of de in klassiek beslag genomen panden later door de rechter eventueel verbeurd verklaard zouden kunnen worden, moet door de rechtbank worden getoetst aan het daarvoor geldende criterium dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een veroordeling en verbeurdverklaring zal komen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er nog uitvoerig onderzoek zal worden verricht ten aanzien van de hennepteelt in de panden waarop klassiek beslag berust. Daarvoor hoeft echter geen beslag op de panden te liggen. Onroerend goed kan nu eenmaal niet verdwijnen en blijft daarom altijd beschikbaar voor onderzoek.

Ook het andere argument, dat te zijner tijd verbeurdverklaring gevraagd zal worden, overtuigt de rechtbank niet. Immers, bij een veroordeling terzake van het telen van hennep ligt het niet in de rede om als bijkomende straf verbeurdverklaring van de betreffende panden op te leggen.

5.4.4.

De rechtbank heeft zich afgevraagd of het klassiek en het conservatoir beslag op de panden in kwestie disproportioneel is. Klager heeft gewezen op het grote verschil in waarde van de gezamenlijke panden volgens de WOZ- aanslagen en de hoogte van de door de officier van justitie genoemde ontnemingsvordering.

De rechtbank is echter niet op de hoogte gebracht van de daadwerkelijke “verhaalswaarde” van de beslagen panden. Zo weet de rechtbank niet wat de executoriale verkoopwaarde van deze panden is. Dat deze vermoedelijk lager is dan de WOZ-waarde blijkt uit het feit dat klager zelf regelmatig op veilingen panden onder de WOZ-waarde heeft kunnen verwerven. Evenmin weet de rechtbank in hoeverre de panden met beslag door derden en/of hypotheek zijn bezwaard. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan het geven van een oordeel over de proportionaliteit van het beslag.

5.4.5.

Het onder 5.4.1. en 5.4.2. gegeven oordeel van de rechtbank leidt tot de conclusie dat het klaagschrift in zoverre ongegrond zal worden verklaard en het onder 5.4.3. gegeven oordeel leidt tot de conclusie dat het klaagschrift in zoverre gegrond moet worden verklaard.

Aldus zal worden beslist.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het klaagschrift ten aanzien van het klassiek beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering gegrond en gelast de opheffing van dit beslag;

- verklaart het klaagschrift ten aanzien van het conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. I. Becker-Hartenhof en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer op 19 maart 2010.