Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL7950

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
340991 CV EXPL 09-3180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Verkoop woning te Gulpen-Wittem. Kosten makelaar. Bemiddelingsovereenkomst. Relatieve bevoegdheid. Geen keuzevrijheid op grond van art 108 lid 2 Rv. Woonplaats gedaagde. Artikel 103 Rv niet van toepassing."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 340991 CV EXPL 09-3180

typ: RW

vonnis van 24 februari 2010

in de zaak van

[NAAM].,

gevestigd te [woonplaats] (gemeente [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. R.H.M. Wagemans, advocaat te Maastricht,

tegen

[NAAM]

en

[NAAM],

beiden wonend te [woonplaats] gemeente [plaats],

gedaagde partijen,

hierna gezamenlijk ook te noemen: [gedaagde partij].,

gemachtigde: mr. D. Brouwer, advocaat te Ede.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Partijen hebben achtereenvolgens de navolgende processtukken gewisseld:

- exploot van dagvaarding van 3 juli 2009 met twee producties;

- conclusie van antwoord met drie producties;

- conclusie van repliek, tevens akte wijziging van eis met twee producties;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is vastgesteld op heden.

MOTIVERING

[eiser] vordert [gedaagde partij]. - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 5.000,00, onder verwijzing van [gedaagde partij]. in de kosten van dit geding.

[eiser] onderbouwt zijn vordering als volgt.

[eiser] en [gedaagde partij]. zijn op 27 december 2007 een bemiddelingsovereenkomst aangegaan voor de verkoop van een woning te [woonplaats] ([adres]). Op grond van die overeenkomst heeft [eiser] aan [gedaagde partij]. diensten geleverd en zijn [gedaagde partij]. aan hem “courtage van 1,85% van de verkoopprijs van de te verkopen woning (exclusief btw)” verschuldigd. De aan [gedaagde partij]. verzonden factuur van 16 februari 2009 ten bedrage van € 4.006,73 (waarvan € 1.000,00 ziet op door [eiser] gemaakte kosten) is tot op heden ondanks aanmaningen, sommatie en ingebrekestelling onbetaald gebleven. [eiser] vordert betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente met ingang van de op de factuur vermelde “vervaldag”. [eiser] baseert zich daarbij op artikel 6:83 aanhef en onder a BW. Daarnaast vordert [eiser] vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, door hem aanvankelijk gesteld op € 1.158,00. [eiser] stelt dat [gedaagde partij]. ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn. Het tot op de dag van dagvaarding door [gedaagde partij]. gevoerde verweer dat [naam] een bedrag verschuldigd zou zijn, snijdt volgens [eiser] geen hout, nu die [naam] hem volledig onbekend is. [eiser] beperkt zijn vordering tot een bedrag van € 5.000,00.

Bij antwoord verwijzen [gedaagde partij]. naar artikel 5, bezien in samenhang met het bepaalde in de artikelen 1 en 4 van de bemiddelingsovereenkomst, waaruit volgens hen blijkt dat slechts courtage verschuldigd is in geval van causaal verband tussen de door [eiser] verleende diensten en de verkoop van hun woning. [gedaagde partij]. stellen dat zij hun woning zonder tussenkomst van [eiser] bij akte van 29 februari 2009 voor € 175.000,00 hebben verkocht aan [naam] B.V., zodat [eiser] geen recht heeft op courtage. [gedaagde partij]. voeren daarnaast aan dat zij “niet de schuldenaren van [eiser]” zijn. [eiser] is er immers mee akkoord gegaan dat [naam] B.V. in de plaats werd gesteld van [gedaagde partij]. Ter onderbouwing van die stelling verwijzen [gedaagde partij]. naar een als productie 3 overgelegde schriftelijke verklaring van [naam]. [gedaagde partij]. betogen voorts dat een en ander ook blijkt uit het feit dat [eiser] niet meer met hen maar met [naam] (bestuurder en enig aandeelhouder van [naam] B.V.) overleg heeft gevoerd over de verkoop van de woning. Dit heeft geleid tot een verlaging van de verkoopprijs van € 259.000,00 naar € 227.000.00. Zodra een bod op de woning werd gedaan, nam [eiser] met [naam] contact op. In januari 2009 is vorstschade ontstaan aan de woning. [eiser] “bemoeide (…) zich daarmee ofschoon het pand toen al lang en breed aan [naam] B.V. was verkocht en geleverd”. Omdat de woning tot op heden niet is verkocht, achten [gedaagde partij]. de vordering van [eiser] niet opeisbaar.

Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde vergoeding van reclamekosten tot een bedrag van € 1.000,00 stellen [gedaagde partij]. dat niet is gebleken dat die kosten zijn gemaakt.

Subsidiair, voor het geval zij aan [eiser] wel (een gedeelte van) de hoofdsom verschuldigd zijn, betwisten [gedaagde partij]. dat zij wettelijke handelsrente verschuldigd zijn, aangezien er volgens hen sprake is van een consumentenovereenkomst. De verwijzing naar artikel 6:83 BW heeft [eiser] volgens [gedaagde partij]. niet onderbouwd. Buitengerechtelijke kosten komen in de visie van [gedaagde partij]. niet voor hun rekening, omdat niets is gesteld over buitengerechtelijke werkzaamheden. Daarnaast heeft [eiser] volgens hen het verkeerde liquidatietarief gehanteerd. [gedaagde partij]. zijn van mening dat bij toepassing van het juiste tarief hoogstens € 768,00 aan buitengerechtelijke kosten in rekening gebracht zou kunnen worden.

Bij repliek vermindert [eiser] de vordering voor wat betreft de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten naar € 768,00. [eiser] handhaaft zijn stelling dat [gedaagde partij]. de courtage verschuldigd zijn inclusief de volgens hem gebruikelijke kosten en btw “nu immers de koopovereenkomst is getekend tussen gedaagden en [naam] op 26 februari 2008”. [eiser] stelt nimmer zaken te hebben gedaan met [naam] B.V. en nooit voor dit bedrijf noch voor [naam] als makelaar te zijn opgetreden. De inhoud van de schriftelijke verklaring van [naam] (productie 3 bij antwoord) wordt door [eiser] betwist. Hij heeft uitsluitend werkzaamheden verricht voor [naam], waarbij [naam] B.V. althans de heer [naam] als vertegenwoordig(st)er van [gedaagde partij] . is opgetreden. [eiser] wijst op zijn lange staat van dienst in de makelaardij en stelt in dat verband dat het “buitengewoon onaannemelijk” is dat iemand met zoveel ervaring zonder “schriftelijk stuk” een “indeplaatsstelling” zou aanvaarden. Het is voorts volgens [eiser] bestendig gebruik in zijn bedrijfstak dat uitsluitend zaken worden gedaan voor diegene die de bemiddelingsovereenkomst heeft getekend. Voor het kostenbedrag van

€ 1.000,00 verwijst [eiser] naar een door hem als productie 1 bij repliek overgelegd overzicht. [eiser] handhaaft hetgeen hij heeft gesteld omtrent de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente en de ingangsdatum daarvan.

Bij dupliek volharden [gedaagde partij]. in de stelling dat zij de gevorderde hoofdsom niet verschuldigd zijn omdat de verkoop van de woning niet tot stand is gekomen door inspanningen van [eiser] en omdat er sprake is van een indeplaatsstelling. Ten aanzien van de indeplaatsstelling blijft het volgens [gedaagde partij]. bij een vrijwel “blote ontkenning” door [eiser]. Dat er sprake is geweest van vertegenwoordiging van [gedaagde partij]. door [naam] B.V. althans [naam] wordt door hen betwist. Zij wijzen er daarbij op dat zij, op het moment dat [naam] met [eiser] contact opnam, hun woning al verkocht hadden. De door [eiser] gepretendeerde kosten zijn met het overgelegde overzicht onvoldoende onderbouwd.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties, staat tussen partijen het navolgende vast.

Op 27 december 2007 hebben partijen een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst gesloten, waarbij onder meer is overeengekomen dat [eiser] (kort gezegd) zou bemiddelen bij de verkoop van de woning van [gedaagde partij]. aan het [adres] te [woonplaats] (gemeente [plaats]. De woning is, zonder dat daaraan enige bemiddeling van [eiser] te pas gekomen was, bij koopovereenkomst van 26 februari 2008 voor

€ 175.000,00 verkocht aan [naam] in zijn hoedanigheid van zelfstandig bevoegd directeur van [naam] B.V. Op enig moment, maar in ieder geval nadat de woning aan [naam] B.V. verkocht was, heeft [naam] met [eiser] contact opgenomen. Bij factuur van

16 februari 2009 heeft [eiser] aan [gedaagde partij]. een bedrag van € 4.006,73 in rekening gebracht voor bemiddelingsactiviteiten, met het verzoek dit bedrag binnen veertien dagen na factuurdatum te betalen. [gedaagde partij]. hebben tot op heden voornoemd bedrag niet betaald.

De kantonrechter overweegt ambtshalve het volgende.

[eiser] heeft bij exploot gesteld dat de Rechtbank Maastricht, Sector Kanton, bevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen op grond van artikel 4 van de bemiddelingsovereenkomst. [eiser] heeft hiermee kennelijk (impliciet) een beroep willen doen op het bepaalde in artikel 108 lid 1 Rv waarin (kort gezegd) de vrijheid van partijen is vastgelegd om een rechter van hun keuze bij overeenkomst aan te wijzen (in zaken die ‘tot hun vrije bepaling’ staan. In artikel 108 lid 2 Rv is echter het volgende bepaald, bij wijze van uitzondering op de hoofdregel van het eerste lid:

Beloopt de vordering evenwel ten hoogste € 5.000,00 of betreft het een individuele arbeidsovereenkomst dan wel een zaak als bedoeld in artikel 101 of artikel 103, tweede zin, dan heeft een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid geen gevolg tenzij:

a. zij is aangegaan na het ontstaan van het geschil, of

b. de werknemer, de partij die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf dan wel de huurder zich tot de aangewezen rechter wendt.

Vaststaat dat de vordering in de onderhavige zaak door [eiser] welbewust tot een bedrag van € 5.000,00 beperkt is (welk bedrag na dagvaarding zelfs nog is verlaagd). Bovendien is er sprake van een zaak als bedoeld in artikel 101 Rv, aangezien [gedaagde partij]. bij het sluiten van de overeenkomst hebben gehandeld als natuurlijk persoon en niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Nu gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst is aangegaan na het ontstaan van het geschil tussen partijen, wordt de relatieve bevoegdheid van de rechter niet bepaald door de keuze die partijen in de bewuste bemiddelingsovereenkomst van 27 december 2007 hebben gemaakt voor “de bevoegde rechter in het arrondissement Maastricht”. De (relatieve) bevoegdheid dient derhalve te worden vastgesteld aan de hand van hetgeen overigens in de artikelen 99 e.v. Rv is bepaald.

Hoofdregel is dat de rechter van de woonplaats van een gedaagde partij bevoegd is (art. 99 lid 1 Rv). In zaken betreffende onroerende zaken is mede bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste gedeelte daarvan gelegen is (art. 103 Rv, eerste zin).

De woning te [woonplaats] ligt weliswaar binnen het rechtsgebied van de Rechtbank Maastricht (locatie Maastricht), maar het onderhavige geding ziet niet op (eigenschappen van) de zaak zelf doch op de te dien aanzien door [eiser] (te) verrichte(n) werkzaamheden, waarbij dan met name de partijen verdeeld houdende vraag speelt of de in [plaats] woonachtige [gedaagde partij]. zich terecht beroepen op contractovername door de in [plaats] gevestigde [[naam] B.V. Het motief van de wetgever om in “zaken betreffende onroerende zaken” voor de relatieve bevoegdheid (mede) aan te knopen bij de ligging van de zaak, speelt hier geen rol, want enige bezichtiging van of onderzoek aan het object (de woning) kan geen enkele bijdrage leveren aan de oplossing van het bewuste nalevingsconflict. Nu op grond van deze overwegingen niet gezegd kan worden dat dit geschil een onroerende zaak betreft, mist artikel 103 Rv toepassing.

Ook anderszins is er geen grond om af te wijken van de hoofdregel van artikel 99 Rv, zodat

de rechter van de woonplaats van [gedaagde partij]. (relatief) bevoegd is.

Geconcludeerd moet worden dat de Rechtbank Maastricht, Sector Kanton, niet bevoegd is deze zaak te behandelen. De Rechtbank Arnhem, Sector Kanton (nevenzittingsplaats Wageningen) is in dezen bevoegd. De zaak zal derhalve naar de betreffende Sector Kanton worden verwezen.

BESLISSING

Verklaart zich onbevoegd.

Verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de Rechtbank Arnhem, Sector Kanton (nevenzittingsplaats Wageningen).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.