Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL7926

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 2240
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fictieve weigering. Geen uitvoering uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Weigering te beslissen op de aanvraag van eiseres ter zake vergoeding van wettelijke rente over de aan eiseres (mogelijk) na te betalen WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 2240

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres],

wonend te Obbicht, eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vestiging Heerlen,

verweerder.

Kenmerk: fictieve weigering

1. Procesverloop

Eiseres heeft op 10 januari 2010 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag inzake vergoeding van wettelijke rente over de aan haar door verweerder na te betalen uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO).

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 3 maart 2010 plaatsgehad. Eiser is verschenen bij gemachtigde A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2. Overwegingen

Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: Wet dwangsom) in werking getreden. Afdeling 8.2.4A van de Awb maakt deel uit van deze wetswijziging. Ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4A van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. De in het eerste lid bedoelde termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan (artikel 4:13, tweede lid, van de Awb).

Ingevolge artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 4:99 van de Awb stelt het bestuursorgaan het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, zoals dat luidt met ingang van 1 oktober 2009, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb, zoals dat luidt met ingang van 1 oktober 2009, kan, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij besluit van 6 september 2004 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiseres ingetrokken. Verweerder heeft het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep (zaak met kenmerk 05/617 WAO) hiertegen is door de rechtbank ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft vervolgens in hoger beroep bepaald dat verweerder met inachtneming van zijn uitspraak een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van eiseres. Daarbij heeft de CRvB het tevens geraden geacht dat verweerder zich eveneens beraadt over het namens eiseres gedane verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb van schade in de vorm van wettelijke rente over ten onrechte niet betaalde uitkering (rechtsoverweging 7.2).

Bij besluit van 17 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres vervolgens alsnog gegrond verklaard en haar WAO-uitkering per 21 oktober 2004 voortgezet naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

Eiseres heeft verweerder bij brief van 24 juli 2009 gemaand tot uitvoering van genoemde uitspraak van de CRvB in die zin dat zij van verweerder specificaties ontvangt inzake de (eventueel) aan haar na te betalen WAO-vergoeding en de proceskosten alsmede de wettelijke rente over de (eventueel) na te betalen WAO-uitkering worden vergoed. Eiseres heeft haar verzoek herhaald in haar brieven van 1 september 2009 en 18 november 2009.

Centraal in dit geding staat de weigering van verweerder te beslissen op het verzoek van eiseres om vergoeding van wettelijke rente over de (nog) aan haar na te betalen WAO-uitkering.

De rechtbank stelt vast dat eiseres alvorens fictief beroep in te dienen verweerder niet conform het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb in gebreke heeft gesteld.

Nu eiseres verweerder echter voorafgaande aan het indienen van beroep meerdere malen heeft gemaand en dit niet tot enige actie aan de zijde van verweerder heeft geleid, terwijl voorts ter zitting door de gemachtigde van verweerder is aangegeven dat niet duidelijk is of en wanneer er daadwerkelijk een besluit omtrent vergoeding van wettelijke rente genomen zal worden -in tegenstelling tot hetgeen door verweerder eerder bij fax van 23 februari 2010 is medegedeeld (gedingstuk A20)- is de rechtbank van oordeel dat het redelijkerwijs niet meer van eiseres kan worden gevergd dat zij verweerder alsnog in gebreke stelt.

Ter zake het verzoek om vergoeding van wettelijke rente overweegt de rechtbank dat als aanvraagdatum van het onderhavige verzoek de datum -24 juli 2009- zal worden gehanteerd. Eiseres heeft immers in de brief van 24 juli 2009 (voor het eerst) verzocht om uitvoering van de uitspraak van de CRvB, waaronder de vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de WAO-uitkering. Rekening houdende met de termijn als bepaald in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, had verweerder uiterlijk 17 september 2009 dienen te beslissen op de aanvraag van eiseres. Tot op heden heeft verweerder niet beslist en er is ook nog geen uitzicht op een besluit. Het beroep is gegrond.

De rechtbank ziet gelet op artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aanleiding om hier een dwangsom van € 100,-- aan te verbinden per dag of gedeelte daarvan dat verweerder in gebreke is een besluit te nemen, met een maximum van € 15.000,--.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 437,-- toe voor de indie¬ning van de beroepschriften en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1), respectievelijk zeer licht (0,25).

Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve (1 x € 437,-- x 1 =

€ 437,--) + (1 x € 437,--,- x 0,25 = € 109,25) = € 546,25.

3. Beslissing

De rechtbank:

1.verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

2.draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

3.bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,-- verbeurt voor elke dag dat hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,--;

4.bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 wordt vergoed door verweerder;

5.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 546,25 wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door verweerder aan eiseres.

Aldus gedaan door P.J.M. Bruijnzeels in tegenwoordigheid van I.M.T. Wijnands als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2010.

w.g. I.M.T. Wijnands w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 17 maart 2010

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.