Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL7685

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
358210 CV EXPL 09-5619
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing hoofdsom, wettelijke rente en vergoeding incassokosten.

Reeds verrichte betalingen (gelijk aan de hoofdsom) door gedaagde zijn eerst in mindering gebracht op de kosten en de verschenen wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 358210 CV EXPL 09-5619

typ: RW

vonnis van 24 februari 2010

in de zaak van

Imabo Budé Maastricht B.V.,

statutair gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

hierna ook te noemen: Imabo,

gemachtigde: een in de processtukken ongenoemde persoon ten kantore van Constant & Van den Heuvel B.V. te Tilburg (“Incasso en Advies”)

tegen

1. [gedaagde sub 1], handelend onder de naam [gedaagde sub 1],

gevestigd en kantoorhoudend te [adres],

2. [gedaagde sub 2], vennoot van gedaagde sub 1,

wonend te [adres],

3. [gedaagde 3], eveneens vennoot van gedaagde sub 1,

wonend te [adres],

gedaagde partij,

hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden],

in rechte optredend bij de eerstgenoemde vennoot.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Partijen hebben achtereenvolgens de navolgende processtukken gewisseld:

- exploot van dagvaarding van 20 november 2009, met drie meervoudige producties (een vierde productie, genummerd als 2, is wel genoemd maar niet ingebracht);

- “akte” vermindering van eis (rol 2 december 2009);

- een als conclusie van antwoord aan te merken brief van 29 november 2009;

- “akte” vermindering van eis (rol 30 december 2009);

- conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis;

- een als conclusie van dupliek aan te merken brief van 19 januari 2010;

- “akte” vermindering van eis (rol van 27 januari 2010).

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

Imabo heeft bij exploot gevorderd [gedaagden] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Imabo te betalen:

- primair: een bedrag van € 3.754,04, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 17 november 2009 tot de dag van algehele voldoening

- subsidiair: een bedrag van € 7.842,16, vermeerderd met € 700,00 conform “Voor-werk II” en vervolgens verminderd met de deelbetaling van € 5.234,71 en weer vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 17 november 2009 tot de dag van algehele voldoening;

- primair en subsidiair onder verwijzing van [gedaagden] in de proceskosten.

Imabo stelt dat zij van [gedaagden] te vorderen heeft (gehad) de hoofdsom van € 7.447,37, welk bedrag [gedaagden] ondanks diverse sommaties onbetaald heeft gelaten. Daarnaast vordert Imabo de wettelijke handelsrente “vanaf de vervaldatum van de facturen”, tot en met 16 november 2009 berekend op een bedrag van € 394,79, alsmede vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 1.146,61, kennelijk subsidiair door Imabo gesteld op het forfaitaire bedrag van

€ 700,00 (exclusief btw). De door [gedaagden] op 11 november 2009 verrichte betaling van

€ 5.234,73 is door Imabo op grond van artikel 6:44 BW in de eerste plaats in mindering gebracht op de buitengerechtelijke kosten en de tot dat moment vervallen rente. Hetgeen vervolgens resteerde, is in mindering gebracht op de hoofdsom.

[gedaagden] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom in wezen niet betwist. Zij suggereert wel een vordering op Imabo te hebben, maar heeft geen vordering in reconventie ingesteld, noch zich uitdrukkelijk op verrekening beroepen. Vervolgens is bij dupliek gememoreerd dat [gedaagden] ter voorkoming van “een langslepende zaak” van aanspraken afziet. Zij heeft, na dagvaarding, nog de volgende betalingen verricht:

- op 30 november 2009: € 1.250,00;

- op 23 december 2009: € 1.250,00;

- op 30 december 2009: € 807,43.

Met deze betalingen stelt [gedaagden] “alles” aan Imabo te hebben betaald.

[gedaagden] heeft aldus ter zake van de bij exploot gememoreerde leveringen en facturen tot op heden in totaal aan Imabo een bedrag van € 8.542,16 voldaan, hetgeen overeenkomt met het totaal van de hoofdsom van € 7.447,37, de buitengerechtelijke kosten naar de forfaitaire maatstaf van € 700,00 en de tot en met 16 november 2009 berekende vervallen rente van

€ 394,79. Hieruit volgt dat [gedaagden] kennelijk de verschuldigdheid van zowel de hoofdsom als de wettelijke rente tot en met 16 november 2009 en zelfs de subsidiair gevorderde vergoeding van incassokosten erkent, maar dat zij betwist de primair gevorderde (hogere) vergoeding van incassokosten van € 1.146,61 verschuldigd te zijn.

Op grond van het vorenstaande zal, nu [gedaagden] de (grondslag van) de gevorderde hoofdsom niet betwist en die vordering de kantonrechter onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, de vordering in zoverre kunnen worden toegewezen, zij het met inachtneming van de mettertijd verrichte deelbetalingen.

Dat geldt evenzeer voor de gevorderde vergoeding van de wettelijke handelsrente, tot en met 16 november 2009 berekend op een bedrag van € 394,76. [gedaagden] heeft noch de verschuldigdheid als zodanig noch de berekening van Imabo in twijfel getrokken.

Voor toewijzing van een hoger bedrag aan vergoeding van buitengerechtelijke inspanningen en kosten dan het daarvoor krachtens het rapport “Voor-werk II” gehanteerde forfaitaire tarief (in casu neerkomend op € 700,00) bestaat geen valide grond. Imabo heeft immers geen enkele onderbouwing gegeven aan de volledig impliciete bewering dat meer, intensievere en/of kostbaardere incasso-inspanningen zijn geleverd dan waarvoor een bedrag van € 700,00 (redelijke) compensatie biedt. Zij heeft noch een urenoverzicht noch een kostenspecificatie verschaft, zodat de redelijkheid van haar primaire claim niet kan worden beoordeeld.

Op grond van het gebruikelijke forfaitaire tarief kan wel het subsidiair gevorderde bedrag van € 700,00 (exclusief btw) worden toegewezen. Imabo heeft de aan die kosten ten grondslag liggende werkzaamheden in voldoende mate naar aard en omvang (zij het zonder kostenbedragen en tijdbeslag) gespecificeerd. Dat die werkzaamheden zijn verricht, wordt door [gedaagden] niet betwist. Aard en omvang van de werkzaamheden rechtvaardigen redelijkerwijs het door Imabo subsidiair gevorderde bedrag.

Gezien het vorenstaande is [gedaagden] aan Imabo verschuldigd (geweest):

- hoofdsom: € 7.447,37

- rente tot en met 16 november 2009 € 394,79

-vergoeding buitengerechtelijke kosten € 700,00

Totaal: € 8.542,16

De door [gedaagden] aan Imabo reeds voor dagvaarding verrichte betaling van € 5.234,73 dient op de voet van artikel 6:44 BW eerst achtereenvolgens op de buitengerechtelijke kosten en de vervallen rente in mindering gebracht te worden.

Derhalve is toe te wijzen een bedrag van € 3.307,43 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 november 2009.

Op dat bedrag - en op de daarover vervallen rente vanaf 17 november 2009 - dienen vervolgens navolgende betalingen in mindering te worden gebracht:

- betaling op 30 november 2009 van € 1.250,00;

- betaling op 23 december 2009 van € 1.250,00;

- betaling van 30 december 2009 van € 807,43.

Als de merendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagden] in de proceskosten worden verwezen.

Hetgeen door [gedaagden] in dezen is aangevoerd, heeft niet tot een ander oordeel geleid. Volgens [gedaagden] had Imabo conform een tussen partijen gemaakte afspraak eerst moeten reageren op

een door [gedaagden] gepretendeerde vordering op Imabo. [gedaagden] heeft die vordering willen aantonen met een factuur van 16 juli 2009. Wat hier verder ook van zij, Imabo heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat [gedaagden] geen (aantoonbare) vordering op haar heeft. Van dat standpunt was [gedaagden] door de gemachtigde van Imabo bij brief van 16 september 2009 op de hoogte gesteld, waarna Imabo [gedaagden] nog diverse malen tevergeefs heeft aangemaand tot betaling. In die omstandigheden kan niet gezegd dat Imabo nog langer had moeten proberen

om [gedaagden] buiten rechte tot betaling van de (resterende) hoofdsom te bewegen. Onbetwist is immers dat [gedaagden] op dat moment reeds geruime tijd in betalingsverzuim was en dat de vordering van Imabo opeisbaar was. In een dergelijke situatie heeft een schuldenaar in beginsel geen recht op betalingsuitstel en/of gespreide betaling. In casu is dat niet anders, nu uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat Imabo [gedaagden] ruim voldoende gelegenheid heeft gegeven het verschuldigde te betalen. [gedaagden] heeft het evenwel welbewust op deze procedure laten aankomen.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagden] (hoofdelijk) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Imabo te betalen een bedrag van € 3.307,43, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 november 2009.

Verstaat dat [gedaagden] op het bovenstaande reeds in mindering heeft voldaan een bedrag van

€ 1.250,00 op 30 november 2009, een bedrag van € 1.250,00 op 23 december 2009 en een bedrag van € 807,43 op 30 december 2009, welke bedragen dienen te worden verrekend met het vorenstaande bedrag van € 3.307,43 plus de tot de respectieve betalingsdata vervallen wettelijke handelsrente, op de voet van artikel 6:44 BW.

Veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Imabo tot de datum van dit vonnis begroot op € 630,25, bestaande uit € 350,00 aan salaris gemachtigde, € 208,00 aan vastrecht en € 72,25 aan explootkosten.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.