Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL6740

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 454
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"De woning en de tuin van belanghebbenden staan ten dienste van het houden en fokken van gemiddeld acht honden. De rechtbank acht de omvang echter niet zodanig dat het niet meer zou passen binnen de geldende woonbestemming ter plaatse. Daarbij neemt zij in overweging dat het perceel weliswaar in planologisch opzicht niet is gelegen in het buitengebied, doch feitelijk gezien geen sprake is van een dichtgebouwd gebied. Verder acht zij van belang dat in de onderhavige situatie niet kan worden gesproken van een bedrijfsmatige activiteit (zie de uitspraak van de ABRS van 15 juli 2009, LJN BJ2606). Voorts blijkt uit de gedingstukken dat geen sprake is van stank- of geluidoverlast. Gelet op bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van activiteiten met een hobbymatig karakter. Niet kan worden gesteld dat de activiteiten een zodanige ruimtelijke uitstraling hebben die niet meer valt te rijmen met de woonbestemming van het perceel. Verweerder heeft zich daarom terecht niet bevoegd geacht ter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 454

Uitspraak

in het geding tussen

[eisers],

wonend te Schimmert, gemeente Nuth, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 10 februari 2009

Kenmerk: VROM/2009/1590

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn [belanghebbenden] (hierna: belanghebbenden) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Belanghebbenden hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft op 21 januari 2010 plaatsgevonden. Eisers zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door F.A.M. Graafhuis, werkzaam bij Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht BV. Belanghebbenden zijn in persoon verschenen.

2. Overwegingen

Eisers wonen op het perceel [adres], gelegen naast het perceel [adres B] (hierna: perceel) waarop belanghebbenden wonen. Laatstgenoemden houden en fokken honden. Verder drijven zij met een daartoe verleende vrijstelling een hondentrimsalon.

Bij brief van 19 februari 2008 hebben eisers verweerder verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van op het perceel opgerichte bouwwerken en het gebruik van het perceel in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Naar aanleiding van een door verweerder uitgevoerde controle is aan belanghebbenden een vooraankondiging last onder dwangsom gestuurd. Zowel eisers als belanghebbenden hebben van de mogelijkheid gebruik gemaakt om tegen deze vooraankondiging zienswijzen in te dienen.

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft verweerder besloten handhavend op te treden door het opleggen van een last onder dwangsom aan belanghebbenden. Op het perceel zijn namelijk een aantal bouwwerken aanwezig waarvoor een bouwvergunning is vereist. Aangezien deze vergunning niet is verleend, is sprake van onder meer overtreding van artikel 40 van de Woningwet. Verder heeft verweerder in dit besluit opgemerkt dat het houden van circa acht à negen honden niet in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan.

Bij een door verweerder gehouden controle op 24 juli 2008 is gebleken dat alles op het perceel is verwijderd conform de opgelegde last onder dwangsom.

Eisers hebben tegen het besluit van 17 juni 2008 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 27 november 2008, het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep hebben eisers gesteld dat zij van mening zijn dat de door belanghebbenden uitgeoefende activiteiten, namelijk het houden en het fokken van honden, in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Verweerder gaat ten onrechte uit van het gegeven dat er acht of negen honden worden gehouden, aangezien belanghebbenden in ieder geval meer dan tien honden houden. Het precieze aantal honden is onduidelijk omdat verweerder daarnaar geen onderzoek heeft verricht, mede gezien het feit dat belanghebbenden weigerachtig zijn terzake medewerking te verlenen. Belanghebbenden staan bovendien, anders dan verweerder van mening is, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). Voorts heeft verweerder ten onrechte voor de beoordeling in aanmerking genomen dat er geen strijd met de woonbestemming is als de hoofdfunctie van het perceel (wonen) blijft gehandhaafd. Volgens eisers geldt als toetsingskader dat aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die het gebruik heeft, geoordeeld dient te worden of het gebruik, gezien de aard, omvang en intensiteit, in strijd is met de bestemming. Eisers merken daarbij op dat de voornoemde activiteiten niet plaatsvinden in het buitengebied. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar de, volgens eisers, negatieve uitstraling van de bedrijfsactiviteiten door belanghebbenden op de woonomgeving. Verder heeft verweerder de activiteiten ten onrechte vergeleken met een aan huis gebonden beroep. Ten slotte hebben eisers de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge het bestemmingsplan "Schimmert" rust op het perceel onder meer de bestemming “Woondoeleinden". In artikel 4 (woondoeleinden: W), lid A, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de plankaart als zodanig aangegeven gronden zijn bestemd voor wonen en de daarbij behorende voorzieningen.

Tussen partijen is in geschil of het houden en fokken van honden in de woning, het buitenverblijf en de tuin op het perceel in strijd is met de bestemming “Woondoeleinden”.

De rechtbank overweegt dat de vraag of een bepaalde activiteit strijdig is met de op een perceel rustende woonbestemming, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS), zie onder meer de uitspraak van 22 maart 2001, Gst. 2001, 7145, 10, beoordeeld moet worden aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft.

Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel. Het betoog van eisers dat verweerder ten onrechte niet dit toetsingskader hanteert, kan niet slagen aangezien uit het bestreden besluit blijkt dat dit wel het geval is. Binnen dit kader kan, volgens vaste jurisprudentie van de ABRS (zie de uitspraak van 24 februari 2000, LJN AA5479), van belang zijn - doch is niet doorslaggevend - of de activiteiten een beroepsmatig of een hobbymatig karakter hebben.

Verweerder heeft in het bestreden besluit betoogd dat acht à negen honden worden gehouden op het perceel en dat enkele nesten op jaarbasis worden gefokt. Ter zitting hebben belanghebbenden desgevraagd aangegeven dat gemiddeld zeven à acht honden aanwezig zijn op het perceel. Verweerder heeft hieromtrent verwezen naar gemeentelijke inspectierapporten van 14 mei 2008 en 10 september 2008 en naar een onderzoek van de Intergemeentelijke Milieudienst van de gemeenten Beek, Nuth en Stein. De grond van eisers dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de activiteiten van belanghebbenden treft daarom geen doel. Uit de inspectierapporten blijkt dat op de momenten van de controles zeven labrador-retrievers werden gehouden. Jaarlijks worden gemiddeld twee tot drie nesten pups (labrador-retrievers) geboren. Een nest pups bestaat gemiddeld uit zes tot zeven labrador-retrievers. In de bij de woning behorende garage worden gemiddeld twee tot drie keer per week honden van derden getrimd. Ter zitting is toegelicht dat de honden overdag zijn gehuisvest in een in de tuin gelegen buitenverblijf met een oppervlakte van ongeveer 30 m² ofwel in een omheinde tuin met een oppervlakte van circa 775 m². In de avond- en nachtperiode verblijven de honden in het woonhuis.

Gezien het vorenstaande staat vast dat de woning en de tuin ten dienste staan van het houden en fokken van gemiddeld acht honden. Het aantal honden dat wordt gehouden is naar het oordeel van de rechtbank voor een normaal particulier bezit niet gering te noemen. Zij acht de omvang echter niet zodanig dat het niet meer zou passen binnen de geldende woonbestemming ter plaatse. Daarbij neemt zij in overweging dat het perceel weliswaar in planologisch opzicht niet is gelegen in het buitengebied, doch feitelijk gezien geen sprake is van een dichtgebouwd gebied. Verder acht zij van belang dat, anders dan eisers van mening zijn, in de onderhavige situatie niet kan worden gesproken van een bedrijfsmatige activiteit (zie de uitspraak van de ABRS van 15 juli 2009, LJN BJ2606). Voorts blijkt uit de gedingstukken dat geen sprake is van stank- of geluidoverlast. Voor zover eisers hebben beoogd te betogen dat dit wel het geval is, stelt de rechtbank vast dat uit de voornoemde inspectierapporten blijkt dat tijdens de controles slechts een enkele keer een hond blafte en dat geen sprake was van stankoverlast. Met betrekking tot de stelling van eisers dat belanghebbenden staan ingeschreven bij de KvK, overweegt de rechtbank dat deze inschrijving ziet op de hondentrimsalon waarvoor vergunning is verleend en niet op het houden en fokken van honden. Afgezien daarvan is ter zitting door middel van een uittreksel van de KvK vastgesteld dat belanghebbenden sinds 1 januari 2009 met de geregistreerde activiteiten zijn gestaakt.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van activiteiten met een hobbymatig karakter. Niet kan worden gesteld dat de activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die niet meer valt te rijmen met de woonbestemming van het perceel.

Verweerder heeft zich daarom terecht niet bevoegd geacht ter zake handhavend op te treden.

Al het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De rechtbank ziet daarom geen reden verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.J.G.H. Seerden in tegenwoordigheid van C.H.C.M. Lennertz als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.

w.g. C. Lennertz w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:3 maart 2010

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.