Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL6557

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
146790
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verlenging uithuisplaatsing bij pleegouders van kind dat al bij zijn geboorte op 11 april 2009 uit huis is geplaatst. Bij beschikking van 27 april 2009 heeft de kinderrechter BJZ verzocht onderzoek te doen ter beantwoording van de vraag of de moeder, met voldoende begeleiding en ondersteuning, in staat kan worden geacht om zelf de verzorging en opvoeding van haar kind op zich te nemen. BJZ heeft dit verzoek genegeerd, stellende dat de moeder zal hebben te accepteren dat het kind in een perspectiefbiedend pleeggezin zal worden geplaatst. Bij beschikking van 23 oktober 2009 heeft de kinderrechter opnieuw op voornoemd onderzoek aangedrongen. BJZ is pas op 5 januari 2010 met het onderzoek gestart. De kinderechter overweegt nu dat het hem voorkomt dat BJZ hem voor een voldongen feit heeft willen stellen. Het niet tijdig opstarten van het onderzoek heeft tot gevolg dat niet kan worden uitgesloten dat de moeder ten onrechte de mogelijkheid is ontnomen zelf voor haar kind te zorgen en het kind de mogelijkheid is ontnomen zich in zijn eerste levensfase aan moeder te hechten. Volgt verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden en opdracht aan BJZ een eventueel nieuw verzoek om verlenging van de uithuisplaatsing vergezeld te doen gaan van een uitgebreid onderzoeksrapport op basis waarvan de kinderrechter een weloverwogen beslissing kan nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 5 februari 2010

Zaaknummer: 146790 / OT RK 09-2160

BESCHIKKING OP VERZOEK VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING

EN VERLENGING MACHTIGING UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats minderjarige] op [geboortedatum minderjarige],

verder te noemen [de minderjarige],

kind van:

[naam moeder minderjarige], wonende te [adres moeder minderjarige],

advocaat mr. S.C.H. Poelman.

1. Verloop van de procedure

Op 18 december 2009 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ingediend.

Op 4 februari 2010 is een voortgangsverslag van de hulpverlening van de Stichting Xonar binnengekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 februari 2010.

2. Vaststaande feiten

De moeder oefent het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft bij pleegouder(s).

Bij beschikking van 20 februari 2009 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 17 februari 2009 verleend tot 17 februari 2010.

Bij beschikking van 7 januari 2010 van de kinderrechter is de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 17 februari 2010.

De ondertoezichtstelling loopt vanaf 17 februari 2009.

3. Verzoek, grondslag en verweer

3.1

Bureau jeugdzorg heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor een periode van een jaar en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij pleegouder(s) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft bureau jeugdzorg verwezen naar de bij het verzoek gevoegde motivering en rapportage en het navolgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

Bureau jeugdzorg blijft bij haar verzoek. Bureau jeugdzorg begrijpt dat moeder zelf de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ter hand wil nemen, doch de moeder is belast met de verzorging en opvoeding van twee andere kinderen en heeft het er moeilijk mee om een en ander in goede banen te leiden. [de minderjarige] heeft rust en regelmaat nodig en dat kan de moeder hem niet bieden. De moeder is niet in staat het geheel van problemen te omvatten. In de visie van bureau jeugdzorg dient [de minderjarige] geplaatst te worden in een perspectiefbiedend pleeggezin. Ook Xonar geeft in haar rapportage aan dat als [de minderjarige] naar huis gaat, dat maar gedurende twee uur kan zijn, als de twee andere kinderen niet thuis zijn. Het onderzoek zoals dat door de rechtbank is verzocht is op 5 januari 2010 gestart.

3.3

De advocaat heeft namens de moeder verweer gevoerd als volgt:

De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing heeft de advocaat aangevoerd dat de stijgende lijn in de verzorging van [de minderjarige] door moeder zich duidelijk voortzet en daarom is het niet juist dat in de rapportage staat dat moeder niet leerbaar is. Moeder weet heel goed hoe zij [de minderjarige] de fles moet geven en hoe zij [de minderjarige] moet verschonen, hoewel dit wat langer duurt dan gebruikelijk, doch de handicap van moeder is hier debet aan en [de minderjarige] ondervindt er geen hinder van. De moeder begint in de verzorging van [de minderjarige] routine te krijgen. Het wordt nu tijd dat de omgang wordt uitgebreid. Verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar is veel te lang. De moeder denkt aan een verlenging voor de duur van drie maanden. Gelet op de enorme vooruitgang in de laatste maand moet verlenging voor deze duur voldoende zijn om moeder in staat te stellen de verzorging en opvoeding zelf weer ter hand te nemen. Moeder heeft thans gedurende twee keer twee uren per week omgang. Dat is veel te weinig om zich te kunnen bewijzen. Moeder heeft, zoals verzocht, ook de hond weggedaan. Bureau jeugdzorg blijft bij haar standpunt en wil niet erkennen dat er vooruitgang is in de verzorging door moeder. Bureau jeugdzorg blijft telkens terugkomen op haar rapport uit mei 2009.

4. Beoordeling

Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat de gronden voor ondertoezicht¬stelling nog aanwezig zijn.

Dat verzoek zal daarom worden toegewezen.

Met betrekking tot het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter als volgt:

Het komt de kinderrechter voor dat bureau jeugdzorg de kinderrechter hem voor een voor een voldongen feit heeft willen stellen, dat ertoe zou moeten leiden dat de uithuisplaatsing voor de volle termijn verlengd zou dienen te worden. In het bij het verzoekschrift gevoegde plan van aanpak heeft bureau jeugdzorg vermeld dat de rechter recent heeft besloten dat binnen de thuissituatie van de moeder nader onderzocht dient te worden of thuisplaatsing van [de minderjarige] haalbaar is, daarmee ingaande tegen het verzoek van bureau jeugdzorg, dat van mening is dat het in het belang van [de minderjarige] is als de uithuisplaatsing wordt gecontinueerd en [de minderjarige] geplaatst wordt in een perspectiefbiedend pleeggezin. Uit deze opmerking van bureau jeugdzorg komt niet alleen naar voren dat bureau jeugdzorg met tegenzin tot het bedoelde onderzoek is overgegaan, maar de opmerking doet de feiten ook in zoverre geweld aan dat op dit nadere onderzoek al werd aangedrongen in de beschikking van de kinderrechter van 27 april 2009. Zoals de kinderrechter in zijn beschikking van 23 oktober 2009 immers heeft overwogen, is bij beschikking van 27 april 2009 aan bureau jeugdzorg verzocht nader onderzoek te doen ter beantwoording van de vraag of de moeder, met voldoende begeleiding en ondersteuning, in staat kan worden geacht om zelf de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Daarbij heeft de kinderrechter het perspectief op een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder dus opengehouden. Haaks op dit perspectief staat dat bureau jeugdzorg de moeder heeft voorgehouden dat zij dient te accepteren dat [de minderjarige] in een perspectief biedend pleeggezin zal worden geplaatst en dat de omgang niet zal worden uitgebreid, totdat zij een en ander heeft geaccepteerd. Het door bureau jeugdzorg één dag vóór de zitting ingediende stuk van de Stichting Xonar kan niet gezien worden als een rapport, maar is, zoals ook de aanhef van dit stuk aangeeft, een voortgangsverslag van de hulpverlening. Ter zitting heeft de vertegenwoordigster van bureau jeugdzorg verklaard dat het onderzoek zoals dat door de kinderrechter is bedoeld op 5 januari 2010 is gestart, derhalve acht maanden nadat de kinderrechter hierom verzocht heeft. In de tussentijd is kostbare tijd verloren gegaan. Algemeen bekend is dat de ontwikkeling van een kind in de eerste maanden van zijn leven cruciaal is voor de rest van zijn leven. Het niet tijdig opstarten van het onderzoek heeft tot gevolg dat niet kan worden uitgesloten dat de moeder ten onrechte de mogelijkheid is ontnomen zelf voor [de minderjarige] te zorgen en [de minderjarige] de mogelijkheid is ontnomen zich in zijn eerste levensfase aan moeder te hechten.

De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in bij pleegouder(s) toewijzen voor de duur van drie maanden. Indien bureau jeugdzorg tegen het einde van deze termijn een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing wil indienen, dient dit vergezeld te zijn van een uitgebreid onderzoeksrapport op basis waarvan de kinderrechter een weloverwogen beslissing kan nemen.

5. Beslissing:

Verlengt de termijn waarvoor voornoemde minderjarige onder toezicht is gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 17 februari 2010 voor één jaar.

Verlengt de termijn van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij pleegouder(s) met ingang van 17 februari 2009 voor de termijn van drie maanden.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op 5 februari 2010 uitgesproken in tegenwoordigheid van L.M.H. Beckers, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.