Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL6546

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
124638
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het LBIO verzoekt de Rechtbank verlof tot tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank te Lebork (Polen), waarbij verweerder bij verstek is veroordeeld om kinderalimentatie te betalen.

Tussen partijen is in geding of het vonnis van de rechtbank te Lebork (Polen) in Nederland moet worden erkend of uitvoerbaar moet worden verklaard. Deze vraag wordt beheerst door de artikelen 4, 5 en 6 van het Verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, gesloten te 's-Gravenhage op 2 oktober 1973 (verder te noemen: het Verdrag), in onderling verband gelezen. Dit betekent dat de rechtbank moet toetsen of is voldaan aan de in artikel 4 van het Verdrag opgenomen basisvoorwaarden voor erkenning. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de rechtbank vervolgens te toetsen of desalniettemin sprake is van een van de weigeringsgronden zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het Verdrag. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan artikel 4 van het Verdrag en is de weigeringsgrond van artikel 5 van het verdrag niet aan de orde.

Aan voornoemd verstek verbindt artikel 6 van het Verdrag nadere voorwaarden voor erkenning of uitvoerbaarverklaring. Ingevolge dat artikel wordt een bij verstek gegeven beslissing slechts erkend of uitvoerbaar verklaard, indien het stuk waarmee het geding wordt ingeleid overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst is medegedeeld of betekend aan de partij tegen wie het verstek werd verleend.

Polen -de Staat van herkomst als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag- is partij bij het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken d.d. 15 november 1965 (verder te noemen: het Betekeningsverdrag). Gelet op het tijdstip van de door LBIO gestelde betekening van de inleidende stukken dient de vraag of de inleidende stukken rechtsgeldig aan verweerder werden medegedeeld of betekend aan de hand van het Betekeningsverdrag te worden beoordeeld.

Beoordeeld dient te worden of de uitreiking heeft plaatsgevonden op de in artikel 5 lid 1 onder a van het Betekeningsverdrag genoemde wijze, waarbij de vormen in acht moeten worden genomen die in de Nederlandse wetgeving zijn voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in Nederland zijn opgemaakt en bestemd zijn voor de zich in Nederland bevindende personen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in de Nederlandse wetgeving gestelde vormen voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in Nederland zijn opgemaakt en bestemd zijn voor de zich in Nederland bevindende personen, evident niet in acht genomen, omdat vast staat dat de inleidende stukken niet aan het adres van verweerder in Maastricht zijn betekend en verweerder evenmin op een andere wijze tijdig, voorafgaand aan de procedure in Polen, van het verzoek kennis heeft kunnen nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de stukken waarmee het geding voor de Poolse rechter werd ingeleid niet overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst aan verweerder zijn medegedeeld of betekend. Op grond van artikel 6 van het Verdrag dient de rechtbank de door LBIO gevraagde exequatur daarom te weigeren. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 12 januari 2010

Zaaknummer: 124638 / FA RK 07-1611

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN te Gouda,

verzoeker,

vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger]

en:

[naam wederpartij],

wederpartij, verder te noemen: [wederpartij],

wonende te Maastricht,

advocaat mr. S.C.J. Spreksel.

Gelet op een herverdeling van zaken wordt deze beschikking gegeven door een andere rechter dan de zittingsrechter.

1. Verder verloop van de procedure

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank tussen partijen gegeven en op 23 april 2008 uitgesproken tussenbeschikking.

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek aangehouden, in afwachting van de volgende nog door verzoeker over te leggen stukken:

- bewijs dat het stuk waarmee het geding bij de Poolse rechtbank te Lebork is ingeleid overeenkomstig het recht van de staat van herkomst is meegedeeld of betekend aan [de wederpartij];

- bewijs dat de termijn voor het verweer van [de wederpartij] voldoende was.

Verzoeker heeft vervolgens gereageerd bij brieven van 6 oktober 2008 en 18 december 2008. In de brief van 18 december 2008 heeft verzoeker beoogd uitvoering te geven aan voormelde bewijsopdracht van de rechtbank. Hierop heeft [de wederpartij] bij brief van 17 maart 2009 gereageerd. Ten slotte heeft verzoeker nog eens gereageerd bij brief van 2 april 2009.

2. De standpunten van partijen

Naar aanleiding van de bewijsopdracht van de rechtbank stelt verzoeker dat volgens artikel 1135 van het Poolse wetboek van burgerlijke rechtsvordering [wederpartij] verplicht is bij vertrek naar het buitenland een gevolmachtigde in Polen te benoemen. Het door verzoeker overgelegde (in de Nederlandse taal vertaalde) artikel 1135 van het Poolse wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt als volgt:

1. Indien de in het buitenland wonende partij geen in Polen gevolmachtigde voor het voeren van de zaak heeft benoemd, is hij verplicht een gevolmachtigde voor de ontvangst van correspondentie te noemen.

2. Werd geen gevolmachtigde voor ontvangst van correspondentie benoemd, worden de met deze zaak samenhangende gerechtsbrieven aan het dossier van rechtspleging toegevoegd met als gevolg de betekening.

Volgens verzoeker heeft [de wederpartij] nagelaten om bij zijn vertrek uit Polen een gevolmachtigde te benoemen. Verzoeker stelt dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat de rechtbank te Lebork toch heeft geprobeerd om de inleidende stukken in Nederland aan [de wederpartij] te betekenen. Dat is mislukt omdat de rechtbank te Lebork een oud adres van [de wederpartij] heeft gebruikt. Daarom moest de betekening in Polen plaatsvinden. Omdat [wederpartij] in Polen geen gevolmachtigde had benoemd, werden de stukken waarmee het geding in Polen werd ingeleid conform de Poolse wetgeving aan een curator betekend. Blijkens de bij de brief van verzoeker van 18 december 2008 overgelegde, in het Nederlands vertaalde, brief van de voorzitter van het arrondissementsparket te Slupsk (Polen) met referentienummer [X], waarvan geen kopie van de originele Poolse versie is overgelegd door verzoeker, zijn de inleidende stukken correct betekend, ondanks het feit dat de deze stukken niet aan [wederpartij] zijn verzonden. Verzoeker heeft gepersisteerd bij zijn verzoek.

In zijn brief van 17 maart 2009 betwist [de wederpartij] dat de inleidende stukken rechtsgeldig werden betekend. [De wederpartij] stelt dat hij slechts korte tijd in Polen verbleef en dat hij daarom niet was gehouden om in Polen een gevolmachtigde te benoemen. Daarnaast was hij niet op de hoogte van de tegen hem ingestelde procedure, zodat hij ook op het moment van de aanvang van de procedure geen gevolmachtigde in Polen heeft kunnen benoemen. Volgens [de wederpartij] blijkt uit de door verzoeker overgelegde stukken dat de Poolse autoriteiten ermee bekend waren dat [de wederpartij] in Maastricht woont. De Poolse autoriteiten hebben zich onvoldoende ingespannen om het juiste adres van [de wederpartij] te achterhalen. [de wederpartij] is van mening dat het exequatur dient te worden geweigerd.

3. Feiten

Gelet op de stukken in het dossier en de mondelinge behandeling van het verzoekschrift is het volgende komen vast te staan.

- [de wederpartij] staat sinds 1979 in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Maastricht ingeschreven. Vanaf 1991op het [adres] en vanaf 6 maart 1998 in die gemeente op het [adres].

- De rechtbank in Lebork in Polen heeft op 13 oktober 1999 de Belgische minister van Justitie verzocht de stukken, waarmee het geding in Polen werd ingeleid, te betekenen aan [de wederpartij] op het [adres te België].

- Bij brief 24 december 1999 heeft de Belgische minister van Justitie aan de rechtbank te Lebork medegedeeld dat de stukken niet aan [de wederpartij] konden worden betekend omdat [de wederpartij] niet stond ingeschreven in het Belgische bevolkingsregister.

- Bij formulier van 14 november 2000 heeft de rechtbank te Lebork conform artikel 3 van het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken d.d. 15 november 1965 (verder te noemen: het Betekeningsverdrag) een aanvraag ingediend bij de officier van justitie in het arrondissement Den Haag om op grond van artikel 5 van het Betekeningsverdrag over te gaan tot betekening of kennisgeving van het inleidende stuk op het onjuiste [adres te Maastricht].

- Op 23 februari 2001 heeft het arrondissementsparket Den Haag de van de rechtbank te Lebork ontvangen stukken ter uitvoering gezonden aan het politiekorps in Maastricht. Het arrondissementsparket Den Haag heeft vervolgens gerappelleerd bij de officier van justitie te Maastricht.

- Het rechtshulpverzoek van de rechtbank te Lebork aan de officier van justitie in het arrondissement Den Haag werd niet afgerond omdat het in het rechtshulpverzoek vermelde adres van [de wederpartij] onjuist bleek te zijn.

- Omdat het de rechtbank te Lebork niet lukte om de inleidende stukken rechtstreeks aan [wederpartij] te betekenen, heeft de rechtbank te Lebork conform artikel 1135 van het Poolse wetboek van burgerlijke rechtsvordering de inleidende stukken in Polen betekend. Omdat [de wederpartij] geen gevolmachtigde in Polen had benoemd, werd door de rechtbank te Lebork een curator aangesteld. Aan deze curator, [naam curator], werd een afschrift van de inleidende stukken uitgereikt. De aanstelling van de curator is aangekondigd op het informatiebord in het gerechtsgebouw te Lebork gedurende de periode 7 april 2000 tot en met 8 mei 2000. Op 28 juni 2000 vond er in onderhavige zaak een zitting plaats in het gerechtsgebouw te Lebork waar de curator namens [de wederpartij] verscheen.

- De voorzitter van het arrondissementsparket te Slupsk (Polen) heeft medegedeeld dat de inleidende stukken correct zijn betekend, ondanks het feit dat de deze stukken niet aan [de wederpartij] zijn verzonden.

- Op 27 augustus 2003 heeft de rechtbank te Lebork vonnis gewezen. Daarin is het vaderschap van [de wederpartij] ten aanzien van minderjarige [naam en gboortedatum minderjarige], bij verstek vastgesteld. Voorts is [de wederpartij] veroordeeld om ten behoeve van voormelde minderjarige een alimentatie te betalen van PLN 250,- per maand voor de periode 12 september 1998 tot en met 31 augustus 2000 en PLN 400,- per maand vanaf 1 september 2000.

- Bij brief van 15 december 2005 heeft verzoeker [de wederpartij] op de hoogte gesteld van onderhavige kwestie. De desbetreffende brief werd verzonden naar het juiste adres van [de wederpartij].

4. Beoordeling

Het vonnis van de rechtbank te Lebork van 27 augustus 2003 dient te worden aangemerkt als een beslissing als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, gesloten te 's-Gravenhage op 2 oktober 1973 (verder te noemen: het Verdrag), waarbij zowel Polen als Nederland partij zijn. Zoals hierboven is vastgesteld, is het vonnis van de rechtbank te Lebork bij verstek gewezen.

Tussen partijen is in geding of het vonnis van de rechtbank te Lebork in Nederland moet worden erkend of uitvoerbaar moet worden verklaard. Deze vraag wordt beheerst door de artikelen 4, 5 en 6 van het Verdrag, in onderling verband gelezen. Dit betekent dat de rechtbank moet toetsen of is voldaan aan de in artikel 4 van het Verdrag opgenomen basisvoorwaarden voor erkenning. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord dan dient de rechtbank te toetsen of desalniettemin sprake is van een van de weigeringsgronden zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het Verdrag.

Artikel 4 van het Verdrag bepaalt dat een in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing in een andere Verdragsluitende Staat erkend en uitvoerbaar moet worden verklaard indien die beslissing:

1. is gegeven door een autoriteit die als bevoegd wordt beschouwd in de zin van artikel 7 of 8 van het Verdrag, en

2.tegen die beslissing in de Staat van herkomst geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.

Het vonnis van de rechtbank te Lebork van 27 augustus 2003 is gewezen door een bevoegde autoriteit in Polen. Daarmee is voldaan aan de eerste basisvoorwaarde als genoemd in artikel 4 van het Verdag.

Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan de tweede in artikel 4 van het Verdrag genoemde basisvoorwaarde overweegt de rechtbank als volgt. In de procedure is weliswaar niet gebleken dat tegen het vonnis van de rechtbank te Lebork geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend, maar in de Duitse vertaling van het vonnis is opgenomen:

“Von Ambts wegen in Anlehnung an Art. 333 des Zivilverfahrenskodexes hat das Gericht dem Teil des Unterhalts sofortige Vollstreckungskraft verliehen”.

Hieruit leidt de rechtbank af dat de door de rechtbank te Lebork uitgesproken veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het onderhoud van de minderjarige onmiddellijke werking heeft. Artikel 4 van het Verdrag bepaalt ook dat, wanneer tegen een beslissing uitvoerbaar bij voorraad nog beroep kan worden aangetekend, de beslissing toch kan worden erkend of uitvoerbaar verklaard. Daarmee is ook voldaan aan de tweede basisvoorwaarde als genoemd in artikel 4 van het Verdag.

[DE wederpartij] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag kan worden aanvaard, zodat de rechtbank een dergelijke weigeringsgrond niet aanwezig acht.

De beslissing van de rechtbank te Lebork van 27 augustus 2003 werd bij verstek gewezen. Aan dat verstek verbindt artikel 6 van het Verdrag nadere voorwaarden voor erkenning of uitvoerbaarverklaring. Ingevolge dat artikel wordt een bij verstek gegeven beslissing slechts erkend of uitvoerbaar verklaard, indien het stuk waarmee het geding wordt ingeleid overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst is medegedeeld of betekend aan de partij tegen wie het verstek werd verleend.

Uit de door verzoeker overgelegde stukken naar aanleiding van de tussenbeschikking leidt de rechtbank af dat de Poolse autoriteiten, op basis van Poolse nationale wetgeving, van mening zijn dat de stukken waarmee het geding in Polen is ingeleid, in overeenstemming met het Poolse recht zijn betekend. Naar het oordeel van de rechtbank vallen onder “betekening overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst” in artikel 6 van het Verdrag ook de regels voor internationale betekening. De vraag of de inleidende stukken overeenkomstig het Poolse recht aan [de wederpartij] zijn betekend of daarvan anderszins mededeling is gedaan dient daarom mede te worden beantwoord aan de hand van de internationale regels waartoe Polen zich heeft verbonden.

Polen –de Staat van herkomst als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag- is partij bij het voornoemde Betekeningsverdrag. Gelet op het tijdstip van de door verzoeker gestelde betekening van de inleidende stukken dient de vraag of de inleidende stukken rechtsgeldig aan [de wederpartij] werden medegedeeld of betekend aan de hand van het Betekeningsverdrag te worden beoordeeld.

Op grond van artikel 2 in verbinding met artikel 5 van het Betekeningsverdrag dient de betekening te geschieden door de centrale autoriteit van de aangezochte staat. De officier van justitie in het arrondissement Den Haag is ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringswet Haags Betekeningsverdrag 1965 aangewezen als centrale autoriteit in geval Nederland de aangezochte staat is.

In artikel 5 lid 1 en 2 van het Betekeningsverdrag is bepaald op welke drie wijzen de betekening of de kennisgeving van het stuk kan worden gedaan aan degene voor wie het stuk is bestemd:

a. De plaatselijke vorm voor de betekening of de kennisgeving in het land van de aangezochte staat (artikel 5 lid 1 onder a van het Betekeningsverdrag).

b. Voor de betekening of kennisgeving van het stuk kan door de aanvrager elke bijzondere vorm worden verlangd, mits het geen vorm betreft die in strijd is met de wet van de aangezochte verdragsstaat (artikel 5 lid 1 onder b Betekeningsverdrag).

c. Eenvoudige afgifte als bedoeld in artikel 5 lid 2 van het Betekeningsverdrag die slechts mogelijk is, indien degene voor wie het stuk is bestemd zijn medewerking aan deze wijze van mededeling verleent. Deze persoon moet het stuk dan zelf vrijwillig aannemen.

Gesteld noch gebleken is dat:

- sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder b van het Betekeningsverdrag, of

- de betekening of kennisgeving door middel van de zogenaamde eenvoudige afgifte van art. 5 lid 2 van het Betekeningsverdrag heeft plaatsgehad.

Daarom dient te worden beoordeeld of de uitreiking heeft plaatsgevonden op de hiervoor onder a. genoemde wijze, waarbij de vormen in acht moeten worden genomen die in de Nederlandse wetgeving zijn voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in Nederland zijn opgemaakt en bestemd zijn voor de zich in Nederland bevindende personen.

De in de Nederlandse wetgeving gestelde vormen voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in Nederland zijn opgemaakt en bestemd zijn voor de zich in Nederland bevindende personen zijn evident niet in acht genomen, omdat vast staat dat de inleidende stukken niet aan het adres van [wederpartij] in Maastricht zijn betekend en [de wederpartij] evenmin op een andere wijze tijdig, voorafgaand aan de procedure in Polen, van het verzoek kennis heeft kunnen nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de stukken waarmee het geding voor de Poolse rechter werd ingeleid niet overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst aan [wederpartij] zijn medegedeeld of betekend. Op grond van artikel 6 van het Verdrag dient de rechtbank de door de verzoeker gevraagde exequatur daarom te weigeren.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal verzoeker worden veroordeeld in de proceskosten

5. Beslissing:

De rechtbank:

Wijst het verzoek van verzoeker af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de verweerder begroot op een totaalbedrag van

€ 678,-.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Geerits, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

LG

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.