Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL6533

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
364243 Ej Verz 10-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk ontslag van een werknemer om het aantal uren te reduceren, deeltijdontslag, is juridisch mogelijk. Maar, ook voor deeltijdontslag is een ontslagvergunning nodig. De beleidsregels van het UWV-WERKbedrijf voor afgifte van een ontslagvergunning verbieden echter deeltijdontslag. Daardoor is een deeltijdontslag niet mogelijk in de praktijk .

De werkgever trachtte door een verzoek tot gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst via de kantonrechter toch te komen tot deeltijdontslag. Gevraagd werd te ontbinden en aangeboden werd de werknemer opnieuw, maar dan voor veel minder uren, in dienst te nemen. In deze zaak is de werknemer grotendeels arbeidsongeschikt, maar voor een aantal rest-uur nog wel voor arbeidsgeschikt en werkt die uren.

De kantonrechter Sittard-Geleen heeft vandaag beslist dat een dergelijk verzoek de overduidelijk bedoeling heeft om de normale ontslagregels te ontgaan.

De kantonrechter meent dat hij daaraan alleen kan meewerken als de verzoekende onderneming door weigering van ontbinding bijvoorbeeld in grote financiële moeilijkheden komt. Dat was in deze zaak niet het geval, de werkgever wilde alleen van het deel dat de werknemer arbeidsongeschikt was af.

De kantonrechter oordeelt dat door een dergelijk verzoek aan het stelsel van sociale zekerheid en ontslagbescherming wordt getornd. De kantonrechter vindt de erg eenvoudige ontbindingsprocedure, waarin hoger beroep niet mogelijk is, niet de weg om dat te doen, dat hoort bij de wetgever thuis, niet de kantonrechter. De kantonrechter wees het verzoek daarom af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Ontslagbesluit
Ontslagbesluit 4:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/393
JAR 2010/100
AR-Updates.nl 2010-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Sittard-Geleen

Datum beslissing : 4 maart 2010

Zaaknummer : 364243 EJ VERZ 10-63

Typ: MW

Coll:

De kantonrechter heeft de navolgende beschikking ex art. 7:685 BW gegeven

inzake

De Stichting Biblionova gevestigd en kantoorhoudende te 6137 BH Sittard aan de Broeksittarderweg 1, verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M. Stroes advocaat te Maastricht,

en

[verweerder] wonende te [adres], verwerende partij,

gemachtigde: mr. D. Gregoire advocaat te Beek;

1. het procesverloop

Gezien de stukken, waaronder speciaal het inleidend verzoekschrift met bijlagen d.d.13 januari 2010, ingekomen ter griffie op 14 januari 2010, de bijlagen bij het verzoekschrift en de nadere toelichting, het verweerschrift met bijlagen d.d. 2 februari 2010, het aantekeningenblad van de mondelinge behandeling d.d. 11 februari 2010, en de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde stukken;

Partijen hebben bij de mondelinge behandeling over en weer hun standpunten nader doen toelichten door bovengenoemde gemachtigden. Beide gemachtigden hebben daarbij een pleitnota overgelegd welke hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

2. de beoordeling

De verzoekende partij verzoekt op de in het verzoekschrift gestelde gronden de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen, in verband met de arbeidsongeschiktheid van verwerende partij die inmiddels meer dan 2 jaar duurt. Verzoekende partij is bereid een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden voor 3 uur, zijnde de uren waarop verwerende partij momenteel werkzaamheden verricht, met behoud van anciënniteit en het van toepassing blijven van de huidige arbeidsvoorwaarden. Verzoekende partij is niet bereid een vergoeding aan te bieden, dit baserend op de jurisprudentie dat na 2 jaar arbeidsongeschiktheid er geen grond voor vergoeding is. Verzoekende partij voegt hieraan toe dat zij 2 jaar het salaris van verwerende partij heeft doorbetaald en een voorschot op de uitkering heeft verstrekt. Voorts heeft verzoekende partij zich tot het uiterste ingespannen ten aanzien van de interne en externe integratie.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de verzoekende partij onder meer aangevoerd dat er eerst een ontslagvergunning bij het UWV WERKbedrijf is aangevraagd, maar deze is ingetrokken omdat UWV WERKbedrijf aangaf dat de aanvraag niet in behandeling genomen kon worden, aangezien er een herplaatsingsmogelijkheid was nu verwerende partij immers nog 3 uur passende werkzaamheden verricht.

Nu een gedeeltelijk beëindiging niet meer mogelijk is via de ontslagvergunningsprocedure is gekozen voor de onderhavige procedure.

Verzoekende partij stelt dat verwerende partij sedert 1995 arbeidsongeschikt is vanwege haar linkerenkel. Sedertdien is de arbeidsduur een aantal malen aangepast, vanaf 1 januari 1998 naar de huidige werktijden, zijnde 19,8 uur per week. Sinds 6 juni 2007 is verwerende partij weer uitgevallen vanwege de linkerenkel en sinds 25 juni 2007 verricht verwerende partij voor 3 uur per week aangepaste werkzaamheden bestaande uit voorbereiding en ondersteuning bij activiteiten in de bibliotheek. Na onderzoek concludeert verzoekende partij dat verwerende partij niet geschikt is voor eigen werk en dat het eigen werk niet passend is te maken. Voorts zijn er geen andere passende mogelijkheden voor handen. Verwerende partij dient begeleid te worden naar werk elders. Verzoekende partij is van oordeel dat ze voldoende inspanningen heeft geleverd ten aanzien van de re-integratie maar dat verwerende partij niet meewerkt aan het door verzoekende partij ingezette spoor 2 nu er naar de mening van verzoekende partij geen interne mogelijkheden zijn.

De verwerende partij stelt in het verweerschrift en bij de mondelinge behandeling dat verzoekende partij eerst een ontslagvergunning heeft aangevraagd, maar niet verkregen. Verwerende partij acht de thans gekozen weg van een ontbindingsprocedure niet de geëigende weg omdat er geen toetsing mogelijk is van de wet Poortwachter en geen UWV advisering plaatsvindt. Verwerende partij voegt hieraan toe dat er nog geen oordeel ligt van het UWV of verzoekende partij voldoende heeft gedaan aan verzuimbegeleiding. Op 1 februari 2010 heeft dienaangaande een hoorzitting plaatsgehad. Verwerende partij verzoekt dit oordeel af te wachten, nu het mogelijk is dat aan verzoekende partij een loonsanctie wordt opgelegd en er eventueel alsdan sprake is van een verlengde ontslagbescherming. Verwerende partij stelt dat tot tweemaal toe aangegeven is dat verwerende partij onvoldoende heeft gedaan en zij voegt hieraan toe dat er niet is gekeken naar alternatieven ondanks het feit dat verzoekende partij geruime tijd op de hoogte is van de beperkingen van verwerende partij. Verwerende partij is er van overtuigd dat met een beetje inspanning van verzoekende partij een volwaardige functie geboden kan worden, maar verzoekende partij weigert dit. Verwerende partij wordt zelfs toegang tot de werkplek ontzegd als ze bezig blijft met het zoeken naar passende werkzaamheden. Verwerende partij verzet zich tegen de verzochte ontbinding, nu deze in strijd is met de bedoeling van de wetgever om verantwoordelijkheid van ziekteverzuim en re-integratie en daaraan verbonden financiële gevolgen bij de werkgever te leggen.

Mocht de arbeidsovereenkomst toch ontbonden worden dan stelt verwerende partij dat een vergoeding van € 77.672,-- gezien alle omstandigheden (groot financieel verlies want beperkt WW, voorheen fulltime gewerkt, mogelijkheden niet ten volle benut) redelijk wordt geacht.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Uit het over en weer gestelde, alsmede uit hetgeen partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, maakt de kantonrechter de gevolgtrekking dat verzoekende partij in essentie de wens heeft de omvang van de dienstbetrekking van 19,8 uur tot 3 uur terug te brengen. Verzoekende partij heeft zelf gesteld dat verwerende partij binnen haar organisatie wordt ervaren als een gedreven en gewaardeerde kracht.

De kern van het probleem is dat sprake is van een complexe re-integratie- en herplaatsingsproblematiek.

Om die problematiek op te lossen kiest de werkgever de weg van artikel 7: 685 BW.

De kantonrechter oordeelt dat dit niet juist is: teneinde te kunnen ontbinden moet er sprake zijn van een verandering in de omstandigheden die een noodzaak in het leven heeft geroepen om de dienstbetrekking dadelijk of na korte tijd te beëindigen.

De reïntegratieproblematiek speelt blijkens de door partijen overgelegde producties al lange tijd. Daaruit kan niet volgen dat dit die omstandigheid is die in de weg staat dat de gebruikelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst -de opzegging- niet kan worden afgewacht.

De kantonrechter realiseert zich daarbij goed dat dit laatste, ingevolge de 3-uren arbeidsgeschiktheid, in de onderhavige zaak wordt geblokkeerd omdat ingevolge de uitleg van art. 4:3 van het Ontslagbesluit door het UWV-WERKbedrijf geen toestemming voor "deeltijdsontslag" zal worden gegeven (zie: Ontslagprocedure UWV WERKbedrijf, beleidsregels en regelgeving -2010, pag. 171 e.v.). De kantonrechter beschouwt het verzoek gezien haar motivering en het feit dat verzoekende partij aanbiedt de arbeidsovereenkomst voor drie uren voort te zetten, dan ook regelrecht gericht op het ontgaan van deze beleidsregel van het UWV WERKbedrijf.

Wanneer de kantonrechter, daartoe te allen tijde bevoegd zijnde, in deze zaak met dit ontbindingsverzoek zou meegaan zonder dat er sprake is van een zeer zwaarwegende verandering in de omstandigheden aan de zijde van verzoekende partij dat een dadelijke of spoedige beëindiging van de arbeidsverhouding voor haar voortbestaan noodzakelijk is, wordt door een verzoek als dit binnen het kader van een uiterst summiere procedure waaraan een inhoudelijk die hogere toetsing is ontzegd, aan het stelsel van sociale zekerheid en ontslagbescherming getornd. Daartoe is de wetgever en niet de kantonrechter bevoegd.

De kantonrechter beschouwt ter bescherming van het stelsel van sociale zekerheid en de regels voor ontslagbescherming, de hiervoor verwoorde toets van gelijke orde als die welke is verwoord in de laatste zin van lid 1 van artikel 7: 685 BW. Omdat feitelijk geen sprake is van “enig ander verbod tot opzegging” is het verzoek (helaas) niet rechtstreeks onder de werking van in deze zin van lid 1 te brengen.

Op grond van het vorenoverwogene oordeelt de kantonrechter daarom dat bij gebrek aan een gewichtige reden het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst behoort te worden afgewezen.

Verzoekende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de proceskosten aan de zijde van verwerende partij.

Al wat partijen overigens nog hebben aangevoerd leidt niet tot een andere beslissing.

3. de beslissing

De kantonrechter beschikt als volgt:

1. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen af;

2. veroordeelt verzoekende partij in de proceskosten aan de zijde van verwerende partij, die door de kantonrechter tot aan deze beschikking worden begroot op € 600,-- gemachtigdensalaris.

Aldus gegeven door mr. J.J. Groen, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.