Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL4792

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
347820 CV EXPL 09-4250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nodeloos procederen door bewindvoerder. Proceskostenveroordeling zal niet mogen worden verhaald op het vermogen van de rechthebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 347820 CV EXPL 09-4250

typ: RK

Vonnis van 3 februari 2010

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht HOIST KREDIT AB,

gevestigd te Stockholm (Zweden),

eisende partij,

verder te noemen: Hoist Kredit,

gemachtigden: J.L.G. Jeukens, mr. R.H.A. Buttolo en W. Drooghaag, deurwaarders te Heerlen

tegen

[bewindvoerder],

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van

[belanghebbende], (te [woonplaats], gemeente [gemeente]),

kantoorhoudend te [adres],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [bewindvoerder],

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het eerdere procesverloop wordt verwezen naar het op 9 december 2009 gewezen tussenvonnis.

[bewindvoerder] heeft op de daarvoor aangewezen roldatum niet voor dupliek geconcludeerd (mondeling of schriftelijk) en heeft evenmin om uitstel verzocht of anderszins van zich doen horen.

Hierna is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

Vaststaat dat bij beschikking van 15 november 2006 de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [belanghebbende], onder bewind zijn gesteld en dat [bewindvoerder] ten aanzien van dit bewind benoemd is tot bewindvoerder.

Bij exploot van dagvaarding van 2 september 2009 vordert Hoist Kredit de veroordeling van [bewindvoerder] qualitate qua - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van

€ 4.378,22, vermeerderd met de overeengekomen rente naar 18% per jaar, althans de wettelijke rente over een bedrag van € 3.264,59 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

De vordering is als volgt opgebouwd:

€ 3.264,59 hoofdsom (restantsaldo van een kredietovereenkomst)

€ 1.363,63 tot 2 september 2009 vervallen overeengekomen rente

€ 250,00- in mindering strekkende betaling.

Hoist Kredit beroept zich voor deze vordering(en) op de navolgende grondslag(en).

[belanghebbende] heeft op 20 december 2000 een kredietovereenkomst gesloten met Comfort Card, een rechtsvoorganger van Hoist Kredit, dan wel met Santander Consumer Finance Benelux B.V., voorheen handelend onder de naam RBS (RD Europe) B.V. en nog eerder Comfort Financieringen N.V. Op de overeenkomst is de Wet op het consumentenkrediet (Wck) van toepassing.

Conform de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden diende [belanghebbende] de geleende gelden in maandelijkse opeenvolgende termijnen terug te betalen. Ondanks herhaalde aanmaning in der minne, is [belanghebbende] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting, zodat ingevolge de bepalingen van de onderhavige overeenkomst het restantsaldo ineens opeisbaar is geworden.

Op 13 februari 2007 heeft RBS de onderhavige vordering (de rechten uit de overeenkomst) gecedeerd aan Hoist Kredit en op 5 april 2007 is [belanghebbende] van die cessie schriftelijk in kennis gesteld.

[bewindvoerder] is door Hoist Kredit gedagvaard in zijn hoedanigheid van bewindvoerder “van de goederen en gelden” van [belanghebbende]. Zijn bij antwoord gevoerde verweer, dat er (zo begrijpt de kantonrechter) op neerkomt dat ten onrechte [belanghebbende] zelf niet is gedagvaard, kan niet worden gevolgd aangezien op grond van artikel 1:441 lid 1 BW de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. De stelling van [bewindvoerder] dat hij niet “hoofdelijk aansprakelijk” is, kan onbesproken gelaten worden nu iets dergelijks door Hoist Kredit niet is gesteld, noch aan de vordering ten grondslag is gelegd.

Ten aanzien van de door Hoist Kredit gememoreerde overeenkomst met [belanghebbende] en de daaruit voortvloeiende betalingsachterstand heeft [bewindvoerder] bij antwoord geen ander inhoudelijk verweer gevoerd dan dat niet is gebleken dat de gestelde cessie aan [belanghebbende] bekend is gemaakt.

Dit verweer is door Hoist Kredit bij repliek gemotiveerd weersproken door een kopie van genoemde brief van 5 april 2007 in het geding te brengen, waarna [bewindvoerder] het niet meer nodig heeft geoordeeld te reageren.

Noch de gestelde opeisbaarheid van het restantsaldo, noch de omvang en samenstelling van de vordering en het overeengekomen rentepercentage heeft [bewindvoerder] betwist.

De gevorderde hoofdsom (€ 3.264,59 minus het reeds betaalde bedrag van € 250,00) en de grondslag waarop deze berust, staan daarmee in beginsel vast, zodat die hoofdsom behoort te worden toegewezen.

De post vervallen rente zal worden afgewezen, nu Hoist Kredit niet heeft gesteld met ingang van welke datum [bewindvoerder] (althans [belanghebbende]) met de betaling van de hoofdsom in verzuim is. Hiermee is onduidelijk gebleven over welke periode(n) en krachtens welke feitelijke en juridische gronden rente is berekend. Wel is de overeengekomen rente vanaf de dag van dagvaarding toewijsbaar, omdat door de daad van dagvaarding toen in elk geval verzuim is ingetreden.

De gevorderde vergoeding van incassokosten zal om die reden eveneens worden afgewezen. De met zulke (eventuele) kosten samenhangende werkzaamheden zijn immers verricht tijdens een periode waarvan niet vastgesteld kan worden dat [bewindvoerder] (althans [belanghebbende]) in verzuim was. Hieruit volgt dat niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van naar ontstaansgrond en omvang redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW.

[bewindvoerder] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de aan de zijde van Hoist Kredit gevallen proceskosten worden veroordeeld.

De kantonrechter hecht eraan op te merken dat [bewindvoerder] er door zijn wijze van procederen blijk van heeft gegeven, zonder te beschikken over enig juridisch en/of feitelijk relevant verweer, niet of onvoldoende oog te hebben gehad voor het belang van rechthebbende [belanghebbende] om nodeloze (proces)kosten te vermijden. Waar het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering in het verleden ampel de mogelijkheid bood een raadsman in een dergelijk geval persoonlijk in de proceskosten te verwijzen, is die mogelijkheid door de wetgever inmiddels aanzienlijk ingeperkt. Dit behoeft echter niet te impliceren dat [bewindvoerder] de onderhavige proceskostenveroordeling verhaalt op het “vermogen” van [belanghebbende], nog daargelaten of en in welke omvang hij haar nog kosten van rechtsbijstand (afzonderlijk) in rekening brengt. De kantonrechter zal de met toezicht op het bewind belaste rechter in ieder geval over de inhoud van dit vonnis informeren, zodat deze daaraan desgewenst bij het beoordelen van de rekening en verantwoording gevolgen kan verbinden.

BESLISSING

Veroordeelt [bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van [belanghebbende], om aan Hoist Kredit te voldoen een bedrag van € 3.014,59, vermeerderd met de overeengekomen rente vanaf 2 september 2009 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [bewindvoerder] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Hoist Kredit tot de datum van dit vonnis begroot op € 653,69, bestaande uit € 350,00 aan salaris gemachtigde,

€ 208,00 aan vastrecht en € 95,69 aan explootkosten.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.