Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL4313

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
334924 cv expl 09-3876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder, waarvan alle goederen die aan haar toebehoren, onder bewind zijn gesteld, aangesproken voor kosten medische behandeling van haar minderjarig kind. De bewindvoerder is ten onrechte niet mede gedagvaard. Eiseres niet ontvankelijk in haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/rolno.: 334924 CV EXPL 09-3876

Typ.: JS

Coll.:

Vonnis van de kantonrechter d.d. 3 februari 2010

inzake:

de besloten vennootschap Fa-med B.V., mede handelend onder de naam Kesteren

Medical Factoring,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,

gemachtigde gerechtsdeurwaarder J.M.H. Beurskens te Maastricht,

eiseres,

t e g e n

[gedaagde],

geboren op [geboortedatum],

wonende [adres]

gemachtigde gerechtsdeurwaarder J.L.G. Jeukens te Heerlen,

gedaagde.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend:

- dagvaarding;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

De inhoud daarvan geldt als hier herhaald.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is gesteld op heden.

DE BEOORDELING:

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van € 402,64, vermeerderd met de contractuele rente van 1,00% per maand over € 300,38 vanaf 27 april 2009 tot de dag der algehele voldoening, alsmede gedaagde te veroordelen in de proceskosten, terzake een middels cessie in eigendom verkregen vordering van in opdracht en voor rekening van

gedaagde door [betrokkenene], die de vordering heeft gecedeerd, verrichte (medische) behandeling(en) ten behoeve van haar minderjarige kind, voor een bedrag van € 300,38, te vermeerderen met de tot 27 april 2009 vervallen rente ad € 27,26 en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ad € 75,00.

Bij conclusie van antwoord geeft gedaagde - zakelijk weergegeven - aan dat bij beschikking van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen, van 30 maart 2007 J.L.G. Jeukens te Heerlen tot bewindvoerder is benoemd over alle goederen die aan gedaagde toebehoren of zullen toebehoren en dat de bewindvoerder dit bij brief van 6 januari 2009 aan eiseres kenbaar heeft gemaakt. Gedaagde legt tevens een brief van eiseres over van 16 februari 2009 die is gericht aan het adres van de bewindvoerder.

Gedaagde is van mening dat eiseres vanaf 7 januari 2009 op de hoogte was van de onderbewindstelling, weshal-ve eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering nu zij bekend was met de bewindvoe-ring en dat zij ex artikel 1:441 BW de bewindvoerder in recht had dienen te betrekken, doch dit heeft nagelaten.

Met betrekking tot de onderhavige vordering geeft gedaagde aan dat bij haar wel vele nota’s van eiseres zijn aangetroffen, doch dat zij de nota zoals in de dagvaarding genoemd, van 25 juni 2008 ten bedrage van € 300,38 nooit heeft ontvangen en dat zij ook van het bestaan daarvan niets af weet.

Ook de ontvangst van de door eiseres bij dagvaarding gestelde sommaties wordt door gedaagde betwist.

Eiseres weerspreekt de stellingen van gedaagde en legt een nieuwe uitdraai van de bij dagvaarding bedoelde declaratie over. Zij is van mening dat het door gedaagde gestelde onjuist is en dat het bewind niets meer bete-kent dan dat gedaagde niet meer zonder medewerking van de bewindvoerder over goederen mag beschikken die onder het bewind vallen en dat uitsluitend het beheer over de goederen bij de bewindvoerder berust.

Zij geeft aan dat de declaratie een behandeling betreft van de minderjarige dochter van gedaagde, te weten [dochter] geboren op 1 mei 2000 en dat zowel de declaratie als de daarna verzonden herinneringen zijn ver-stuurd ter attentie van de ouders/verzorgers van.

Eiseres voegt daar nog aan toe dat gedaagde als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [dochter] in rechte is betrokken, en dat de bewindvoerder terecht niet is gedagvaard omdat deze immers alleen het beheer voert over de goederen van gedaagde zelf.

Gedaagde persisteert bij haar verweer zowel voor wat betreft haar vertegenwoordiging in en buiten rechte door de bewindvoerder, alsmede voor wat betreft het gegeven dat eiseres bij schrijven van 6 januari bekend was met de bewindvoering hetgeen haar aangerekend dient te worden, zowel de onderhavige nota noch de sommaties zijn bij de bewindvoerder terecht gekomen.

Gelet op de redactie van de inleidende dagvaarding is de kantonrechter van oordeel dat hierin door eiseres niet duidelijk wordt weergegeven in welke hoedanigheid gedaagde is gedagvaard, daarenboven is de kantonrechter gebleken dat met betrekking tot het vermogensbeheer van gedaagde sprake is van een beschermingsbewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 BW.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:441 BW eerste lid, eerste volzin, vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak.

Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikel vloeit uit voormelde bepaling en artikel 1:443 BW voort dat de bewindvoerder als formele procespartij moet worden beschouwd in gedingen, de onder bewind gestelde goe-deren betreffende tenzij de eisende partij ten tijde van het instellen van de vordering het bewind niet kende noch behoorde te kennen.

Het daartoe door eiseres gestelde dient in casu te worden verworpen, nu uit de door gedaagde overgelegde beta-lingsherinnering van eiseres d.d. 16 februari 2009, geadresseerd aan het postbusadres van de bewindvoerder, blijkt dat eiseres ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op de hoogte was van het beschermingsbe-wind, hetgeen overigens tevens blijkt uit haar stelling dat zij de bewindvoerder terecht niet heeft gedagvaard om dat deze, naar de mening van eiseres, alleen het beheer voert over de goederen van gedaagde zelf.

De kantonrechter merkt in dat kader nog op ervan uit te gaan dat gedaagde contractpartij is in de onderhavige zaak, waardoor zij op basis van de bepalingen in art. 6:1 BW, jo. 1:392 en 1:247 BW aansprakelijk is voor haar minderjarige dochter, immers onder de begrippen verzorging en opvoeding wordt niet alleen verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, doch deze om-vatten behalve voeding, kleding en onderdak ook de zorg voor ondermeer onderwijs en medische behandeling en raken daardoor het vermogen, en derhalve de gelden en de goederen, van de gedaagde zelf.

Nu uit de processtukken niet blijkt dat de bewindvoerder (mede) is gedagvaard, is de kantonrechter van oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, met haar veroordeling in de proces-kosten.

BESLISSING:

Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt eiseres in de aan de zijde van de gedaagde gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 120,-- terzake salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. P. Hoekstra, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in te-genwoordigheid van de griffier.