Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL4309

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
347774 cv expl 09-4212
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het onderhavige geschil heeft betrekking op de omvang van een declaratie van een advocaat. In een dergelijk geval dient de Wet tarieven in burgerlijke zaken te worden gevolgd. De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 347774 CV EXPL 09-4212

typ: MO

vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonend te [woonplaats] en kantoorhoudend te Valkenburg aan de Geul,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. I.F.H. Nelissen, advocaat te Valkenburg aan de Geul

tegen

[gedaagde],

zaakdoend te Meerssen,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. J.M. Wolfs, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eiser] heeft bij exploot van dagvaarding van 27 augustus 2009 een vordering ingesteld tegen [gedaagde] onder medebetekening van vier (deels meervoudige) producties.

[gedaagde] heeft, na gevraagd en verkregen uitstel, een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen.

[eiser] heeft hierop bij (zeer uitvoerig) schriftelijk antwoord in het incident gereageerd.

Daarna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag is gesteld.

MOTIVERING

a. de vordering

[eiser] vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van:

? een hoofdsom ten bedrage van € 2.913,12;

? de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 10,64 vanaf 14 februari 2006 tot 12 september 2008;

? de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 160,72 vanaf 14 februari 2006 tot aan de dag van algehele voldoening;

? de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 1.919,40 vanaf 11 oktober 2006 tot aan de dag van algehele voldoening;

? de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 833,00 vanaf 4 januari 2007 tot aan de dag van algehele voldoening;

? vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 600,00, met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van dagvaarding.

Dit alles onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

b. het geschil

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] juridische werkzaamheden heeft verricht. In verband hiermee heeft [eiser] [gedaagde] op 22 maart 2004, 11 november 2004, 16 december 2004, 31 mei 2005, 26 juli 2005, 5 oktober 2005, 22 juni 2005, 6 februari 2006, 28 april 2006, 3 oktober 2006,

27 december 2006 en 12 september 2007 nota’s verzonden, die - ondanks herhaalde verzoeken en aanmaningen - door [gedaagde] deels onbetaald zijn gelaten. Omdat [gedaagde] - in weerwil van herhaalde betalingstoezeggingen - in gebreke is gebleven met de betaling van enkele facturen, heeft [eiser] [gedaagde] in rechte moeten betrekken.

[gedaagde] heeft bij incidentele conclusie erkend dat [eiser] werkzaamheden voor hem heeft verricht. [gedaagde] acht de voor die werkzaamheden in rekening gebrachte kosten echter te hoog, omdat hij ontevreden was over de geleverde diensten. Om die reden heeft [gedaagde] de Deken van de Orde van Advocaten verzocht conform artikel 32 Wet tarieven in burgerlijke zaken het in de facturen neergelegde salaris van de advocaat waarvan [eiser] thans betaling vordert, te begroten. In verband hiermee is [gedaagde] van mening dat de raad van toezicht bij uitsluiting bevoegd is over de vordering van [eiser] te oordelen.

[eiser] heeft bij antwoord in het incident verwezen naar zijn exploot. Hij heeft de vrijheid genomen behalve op het exceptieve verweer in te gaan zeer uitvoerig nader te concluderen in de hoofdzaak. Omdat [eiser] daarmee buiten de orde van de procedure treedt, zal de kantonrechter aan dat betoog grotendeels voorbijgaan. [eiser] voert aan dat hij van begin 2004 tot het einde van 2007 “een veelheid aan werkzaamheden, op basis van opeenvolgende overeenkomsten van opdracht ex artikel 7:400 BW, voor [gedaagde] (heeft) verricht”. In deze periode heeft [gedaagde] nimmer bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de facturen en de wijze waarop [eiser] [gedaagde] belangen behartigde. Sterker nog: [gedaagde] heeft [eiser] in 2009 wederom verzocht werkzaamheden voor hem te verrichten, welk verzoek [eiser] wegens de wanbetaling van [gedaagde] niet heeft ingewilligd. Ook heeft [gedaagde] diverse malen betaling van de facturen toegezegd en is een betalingsregeling afgesproken. [eiser] is dan ook primair van oordeel dat [gedaagde] door het “instellen van een conclusie” misbruik maakt van procesrecht, althans de beginselen van een goede procesorde schendt, nu [gedaagde] slechts processuele vertraging en het uitstellen van zijn betalingsverplichting voor ogen heeft. Subsidiair voert [eiser] aan dat “de incidentele conclusie moet worden afgewezen”, omdat de betwisting van de hoogte van de facturen geheel ongemotiveerd is. [gedaagde] heeft niet inzichtelijk gemaakt welke facturen hij te hoog acht en waarom zulks het geval zou zijn. Meer subsidiair betoogt [eiser] dat er sprake is van “verlies van recht” ex artikel 6:89 BW, omdat [gedaagde] eerst vijfeneenhalf jaren na de eerste factuur en meer dan drie jaren na de laatste factuur zijn bezwaren tegen de hoogte van de facturen kenbaar heeft gemaakt. Meest subsidiair voert [eiser] aan dat de Rechtbank (in ieder geval) bevoegd is ten aanzien van gevorderde posten rente en kostenvergoeding.

c. de beoordeling

Vaststaat dat [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] tussen begin 2004 en eind 2007 juridische werkzaamheden verricht heeft. Partijen zijn verdeeld over de in rekening gebrachte honoraria en/of bijkomende kosten neergelegd in facturen over “de periode tussen 2004 en 2006”.

In het onderhavige geval is sprake van een geschil dat betrekking heeft op de omvang van een declaratie van een advocaat in de zin van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna te noemen: Wtbz). In een dergelijk geval dient de uit deze wet voortvloeiende begrotingsprocedure te worden gevolgd. [gedaagde] betwist de door [eiser] in aanmerking genomen werkzaamheden niet, maar wel de daarvoor in rekening gebrachte bedragen. De artikelen 32-40 van de Wtbz voorzien te dien aanzien in een bijzondere rechtsgang. [eiser] is als advocaat aan deze bepalingen onderworpen ingevolge artikel 22 van de Advocatenwet. De in de Wtbz neergelegde regeling komt erop neer dat de declaratie eerst op de voet van artikel 32 ter begroting moet worden voorgelegd aan de raad van toezicht in het arrondissement waarbinnen de advocaat woonachtig is. Beoordeeld wordt door deze - in zoverre bij uitstek deskundige - raad of de hoogte van de declaratie redelijk te achten is, gelet op het belang en de moeilijkheidsgraad van de zaak en de daaraan bestede tijd. Indien de advocaat met deze begroting geen genoegen neemt of indien de cliënt weigerachtig blijft de (nader begrote) declaratie te voldoen, vindt ingevolge art. 33 Wtbz een nadere vaststelling plaats door de in dat artikel aangewezen rechter. De rechter die de declaratie nader vaststelt, geeft krachtens artikel 37 lid 2 Wtbz tevens een bevel tot tenuitvoerlegging, waarmee de advocaat de betaling kan afdwingen. Indien de advocaat met de nadere vaststelling geen genoegen neemt, kan hij op grond van artikel 37 lid 3 Wtbz bij verzoekschrift de herziening van de begroting verzoeken aan de betreffende Rechtbank. Uit deze bepalingen volgt dat de in de Wtbz voorziene procedure met voldoende waarborgen omgeven is. [eiser] kan eventueel (desgewenst) later de uitkomst daarvan aan de (onafhankelijke) rechter voorleggen. Zolang begroting door de raad van toezicht niet heeft plaatsgevonden, dient de civiele rechter zich tot een oordeel over de gedeclareerde bedragen (in casu de hoofdsom uitmakend) onbevoegd te verklaren.

Om die reden slaagt het primaire verweer van [eiser] in het incident niet. Hoewel het opmerkelijk moet worden geacht dat het er de schijn van heeft dat [gedaagde] eerst na betekening van het exploot (en derhalve jaren na het ontvangen van de nota’s) de hoogte van de door hem ontvangen nota’s betwist, moet de weg van artikel 32 Wtbz worden gevolgd. De wetgever heeft nu eenmaal voor behandeling van en beslissing over begrotingsgeschillen een bijzondere en exclusieve rechtsgang geschapen. Daaraan doet niet af dat [gedaagde] mogelijk - zoals [eiser] omstandig aanvoert - voorafgaand aan zijn tot de Deken gerichte begrotingsverzoek van 27 oktober 2009 meer dan eens betalingstoezeggingen heeft gedaan. Dat [gedaagde] met het indienen van een dergelijk verzoek mogelijk processuele vertraging en het uitstellen van zijn betalingsverplichting tracht te bewerkstelligen, doet hier evenmin aan af. In geval van eventuele instandlating van de declaraties door de raad van toezicht zal [gedaagde] immers gehouden zijn [eiser] naast de gedeclareerde bedragen in hoofdsom de door zijn verzuim eventueel verschuldigd geworden bedragen aan rente en kosten te voldoen.

Ook de subsidiaire tegenwerping van [eiser] slaagt niet. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de “voor die werkzaamheden door eiseres in rekening gebrachte kosten” te hoog acht. Blijkens deze stelling acht [gedaagde] alle door [eiser] gestuurde nota’s te hoog en dient de weg van artikel 32 Wtbz te worden gevolgd. Het is dan aan de raad van toezicht om te beoordelen of [gedaagde] zijn verzoek voldoende specifiek heeft geformuleerd en met voldoende bewijsindicaties heeft omkleed.

Het meer subsidiaire verweer van [eiser] in het incident kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Of al dan niet met succes artikel 6:89 BW kan worden ingeroepen (omdat [gedaagde] eerst na vijfeneenhalf respectievelijk drie jaren ageert tegen de hoogte van declaraties) behoort mede tot de door de raad van toezicht te beoordelen vragen.

Ook in zijn meest subsidiaire incidentele verweer wordt [eiser] niet gevolgd. Artikel 32 Wtbz ziet inderdaad op begrotingsgeschillen over de hoogte van een declaratie, waardoor de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [eiser] voor zover deze ziet op de aan [gedaagde] verzonden declaratie. De vordering tot betaling van rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten is echter onlosmakelijk verbonden met de vordering in hoofdsom. Nu nog niet in rechte is komen vast te staan of en in welke omvang [gedaagde] verplichtingen jegens [eiser] heeft, kan de kantonrechter geen oordeel geven over de toewijsbaarheid van nevenvorderingen en dient hij zich ook ten aanzien van de gevorderde rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten onbevoegd te verklaren.

BESLISSING

Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering van [eiser].

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter en is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.