Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL4300

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
347047 cv expl 09-4145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ondanks summiere onderbouwing kan het gebrekkige verweer toewijzing van de vordering niet voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 347047 CV EXPL 09-4145

typ: RK

Vonnis van 27 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B&F COIFFURES B.V.,

gevestigd te Oss,

eisende partij,

verder te noemen: B&F,

gemachtigden: J.H.L. Sinkiewicz, deurwaarder te Maastricht en mr. P.L.J.M. Guinée, adviseur te Den Haag (ten kantore van Intrum Justitia Nederland B.V.)

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres]

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn achtereenvolgens de navol¬gende proces¬stukken gewisseld:

-exploot van dagvaarding d.d. 1 september 2009 met één meervoudige productie in fotokopievorm;

-conclusie van antwoord;

-conclusie van repliek;

-conclusie van dupliek met twee bijlagen in fotokopievorm.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert B&F de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van € 1.139,16, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2009 over € 896,10 tot aan de dag van algehele voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

De vordering is als volgt opgebouwd:

€ 896,10 hoofdsom (onbetaald gelaten termijnen ‘Licentie en Servicecontract’)

€ 93,06 tot 1 augustus 2009 vervallen wettelijke rente

€ 150,00 vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

B&F beroept zich voor deze vordering(en) op de navolgende grondslag(en). B&F heeft op of omstreeks 10 november 2006 met [gedaagde] een zogenoemd ‘Licentie & Servicecontract’ gesloten, waarvoor [gedaagde] een jaarlijkse vergoeding aan haar verschuldigd is. [gedaagde] heeft de verschuldigde kosten over 2008 en 2009 zoals vermeld op de respectieve facturen van

7 januari 2008 en 25 januari 2009, onbetaald gelaten. Kopieën van die facturen zijn met het exploot meebetekend.

Het verweer van [gedaagde] komt er - kort gezegd - op neer dat hij niet tevreden was over het door B&F geleverde computerprogramma. De installateur van B&F heeft ‘alleen’ het programma op de computer geïnstalleerd door middel van een USB-stick, maar kreeg vervolgens de bijbehorende printerinstellingen niet ‘aan de gang’, waarop ‘nooit een reactie heeft plaatsgevonden na herhaaldelijk telefoneren’ door [gedaagde].

De heer [betrokkene], die ‘in die tijd verantwoordelijk was’ bij B&F, nam zijn klanten niet serieus en het heeft meer dan een maand geduurd voordat [gedaagde] een persoonlijk onderhoud met de heer [betrokkene] heeft gekregen. [gedaagde] heeft het computerprogramma zelfs niet een dag kunnen gebruiken. B&F heeft in de afgelopen drie jaar nooit iets van zich laten horen en heeft ook geen nieuwe updates aan [gedaagde] doen toekomen.

B&F onderbouwt het bestaan van de door haar bedoelde overeenkomst op wel zéér summiere wijze. Zo laat zij zich in het geheel niet uit over de duur en de wijze van totstandkoming van die overeenkomst, terwijl zij over de aard van die overeenkomst uitsluitend stelt dat het een “Licentie en Servicecontract” betreft: de inhoud van de overeenkomst laat zij volkomen onbesproken. Ten aanzien van dit laatste verschaft [gedaagde] zelf in zijn antwoord alsnog enige duidelijkheid door te stellen dat het om de ‘aankoop van een computerprogramma’ gaat.

Desalniettemin betwist [gedaagde] niet dat hij de door B&F in deze procedure gememoreerde overeenkomst is aangegaan, en erkent hij expliciet dat hij een op die overeenkomst betrekking hebbende factuur in (en over) 2007 betaald heeft. Daarmee staat het bestaan van die overeenkomst (wat daar ook de precieze inhoud van moge zijn geweest) voor de kantonrechter vast. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel gehouden is om facturen die op die overeenkomst betrekking hebben, te voldoen. Dit geldt dus ook voor de onderhavige facturen, daar [gedaagde] niet heeft betwist dat die op de onderhavige (kennelijk meerjarige) overeenkomst betrekking hebben.

Het verweer van [gedaagde] - zoals de kantonrechter dit moet opvatten - kan niet slagen. Het verwijt van [gedaagde] dat B&F de onbetwist gelaten overeenkomst niet (geheel) is nagekomen - wat daar ook verder van zij - ontheft [gedaagde] niet van zijn betalingsverplichting. Daarvoor is mede vereist een (vordering tot) ontbinding van de overeenkomst die [gedaagde] op de voet van artikel 6:271 BW van zijn betalingsverplichting bevrijdt. [gedaagde] laat echter na een dergelijke vordering of een vordering tot nakoming en/of schadevergoeding jegens B&F in te stellen, terwijl gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de onderhavige overeenkomst reeds buiten rechte heeft ontbonden op de in artikel 6:267 lid 1 BW bedoelde wijze.

Gelet op het bovenstaande moet de gevorderde hoofdsom van € 896,10 worden toegewezen, hoezeer [gedaagde] wellicht ook reden tot klagen heeft gehad. De gebrekkige wijze waarop hij in deze procedure zijn eigen belang behartigd heeft, doet hem de das om. Daardoor blijven zelfs de gebreken in de procesvoering van B&F (grotendeels) zonder (voor B&F negatief) gevolg.

De post vervallen rente zal echter worden afgewezen, nu B&F niet heeft gesteld met ingang van welke datum [gedaagde] met de betaling van de hoofdsom in verzuim is. Hiermee is onduidelijk gebleven over welke periode en krachtens welke feitelijke en juridische gronden (wettelijke) rente is berekend. Wel is de rente vanaf de dag van dagvaarding toewijsbaar, omdat die dagvaarding per 1 september 2009 in elk geval verzuim heeft doen intreden.

De gevorderde vergoeding van incassokosten zal eveneens worden afgewezen. De met zulke (eventuele) kosten samenhangende werkzaamheden zijn immers verricht tijdens een periode waarvan niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde] in verzuim was. Hieruit volgt dat niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW.

[gedaagde] zal wel als de grotendeels in het ongelijk gesteld partij tot betaling van de aan de zijde van B&F gevallen proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om aan B&F tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van

€ 896,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2009 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van B&F tot de datum van dit vonnis begroot op € 441,25, bestaande uit € 200,00 aan salaris gemachtigde, € 158,00 aan vastrecht en € 83,25 aan explootkosten.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.