Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL4278

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
360833 EJ VERZ 09-5956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst na verleende ontslagvergunning van het UWV Werkbedrijf afgewezen. De vraag of de ontslagen werknemer aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door opzegging, dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 7:681 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 74
JIN 2010/179
JAR 2010/60
AR-Updates.nl 2010-0167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 360833 EJ VERZ 09-5956

beschikking van 5 februari 2010

in de zaak

[verzoeker],

wonend te [adres],

verzoekende partij,

hierna ook te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. H.P. Mannens, juridisch adviseur te Susteren

tegen

[verweerder],

gevestigd te Maastricht,

verwerende partij,

hierna ook te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. I. Swennen, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Achtereenvolgens zijn de volgende stukken door partijen ingediend:

- een verzoekschrift met bijlagen van [verzoeker], ingekomen op 18 december 2009;

- een verweerschrift met bijlagen van [verweerder], ingekomen op 22 januari 2010.

Partijen en de gemachtigden zijn gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van donderdag 28 januari 2010. [verweerder] werd daarbij vertegenwoordigd door [directeur], directeur. Mr. Mannens heeft een pleitnota overgelegd en van het overige verhandelde ter terechtzitting is door de griffier schriftelijk aantekening gehouden.

MOTIVERING

a. de vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van de in dit opzicht onbetwist gelaten producties staat tussen partijen het navolgende vast.

[verzoeker] is op 6 november 1996 krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij [verweerder], in de functie van Voorman Timmerman I en leermeester. Bij brief van 27 juli 2009 heeft [verweerder] bij het UWV Werkbedrijf te Maastricht een ontslagvergunning aangevraagd voor [verzoeker] op grond van bedrijfseconomische redenen. [verzoeker] heeft in dit verband inhoudelijk verweer gevoerd. Bij beslissing van 20 oktober 2009 heeft UWV Werkbedrijf [verweerder] toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te beëindigen. Bij brief van 23 oktober 2009 heeft [verweerder] conform de verleende ontslagvergunning de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd tegen vrijdag 12 maart 2010.

b. het verzoek

[verzoeker] verzoekt thans de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande in een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2010 of eerder dient te eindigen onder toekenning van (bruto)vergoeding van € 75.000,00.

Ter onderbouwing van zijn verzoek voert [verzoeker] aan dat hij al voorafgaand aan de aanvraag van de ontslagvergunning bij het UWV Werkbedrijf lichamelijke klachten had op grond waarvan de onderhavige arbeidsovereenkomst conform het bepaalde in artikel 7:670 BW niet had mogen worden beëindigd. Thans verricht [verzoeker] wegens deze klachten geen werkzaamheden meer voor [verweerder]. [verzoeker] verwijt [verweerder] dat hij in strijd met het bepaalde in artikel 7:611 BW in zijn ziekteperiode geacht werd te komen werken en dat [verweerder] vanaf de ontslagaanvraag bij het UWV niets meer van zich heeft laten horen. Daarenboven betoogt [verzoeker] dat zijn functie “voorman Timmerman I” niet inwisselbaar is met die van “Timmerman I”. Hij is bovendien van mening dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang dat [verweerder] had bij de opzegging. [verzoeker] stelt dat [verweerder] hiermee verwijtbaar heeft gehandeld. Zij had volgens [verzoeker] rekening moeten houden met de niet te verwaarlozen kans dat de arbeidsverhouding door haar handelswijze en nalaten verstoord zou raken. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 28 januari 2010 heeft [verzoeker] tevens aangevoerd dat hij op 1 maart 2010 met vervroegd pensioen wenst te gaan en dat dit feit aangemerkt dient te worden als een verandering in de omstandigheden. Verder heeft hij gesteld dat deze ontbindingsprocedure de enige mogelijkheid is om een vergoeding bij de kantonrechter te verzoeken.

[verweerder] heeft tegen het verzoek gemotiveerd verweer gevoerd. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

c. de beoordeling

[verweerder] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [verzoeker] in zijn verzoek niet kan worden ontvangen, omdat de arbeidsovereenkomst reeds is opgezegd tegen 12 maart 2010. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Artikel 7:685 lid 1 BW bepaalt dat ieder der partijen te allen tijde bevoegd is zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Deze bevoegdheid komt een partij ook toe als de arbeidsovereenkomst inmiddels is opgezegd. In zijn uitspraak van 11 december 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl (LJN BJ9096), heeft de Hoge Raad overwogen: “De opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst eindigt met ingang van de datum waartegen is opgezegd. De arbeidsovereenkomst duurt derhalve voort tot die datum, hetgeen meebrengt dat deze tot die datum nog ontbonden kan worden op de voet van art. 7:685 BW, indien daartoe grond bestaat”. Dit betekent dat de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Uit de stukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is niet gebleken dat het ontbindingsverzoek verband houdt met ziekte als zodanig.

[verweerder] heeft betwist dat er sprake is van veranderingen in de omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst, nadat deze reeds is opgezegd, rechtvaardigen. De kantonrechter oordeelt over dit geschilpunt als volgt. In voornoemde uitspraak heeft de Hoge Raad – in aansluiting op het bovenstaande citaat – het volgende overwogen: “Nu echter de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging nog maar een beperkte looptijd heeft, zal de ontbinding slechts voor die beperkte looptijd effect (kunnen) hebben. Dit brengt mee dat voor de toewijsbaarheid van een desbetreffend, op verandering in de omstandigheden gegrond verzoek van de werknemer bepalend is of sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen, en dat ook de ontbindingsvergoeding van artikel 7:685 lid 8 bepaald moet worden met inachtneming van het uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd met ingang van de datum waartegen is opgezegd.”

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] in casu onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om te oordelen dat er sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst op een eerder tijdstip dient te eindigen dan

12 maart 2010.

Ten eerste is uit de processtukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht niet gebleken dat de arbeidsverhouding door het aanvragen van de ontslagvergunning bij het UWV Werkbedrijf verstoord is geraakt. Het enkele feit dat [verweerder] wegens bedrijfseconomische redenen genoodzaakt was om een ontslagvergunning voor [verzoeker] aan te vragen, maakt niet dat de arbeidsrelatie verstoord is geraakt. [verzoeker] heeft thans geen direct contact meer met [verweerder] of met diens bestuurder de heer [directeur]. [verzoeker] heeft voor het overige onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat na de ontslagvergunningsaanvraag de verstandhouding tussen partijen is verslechterd.

Ten tweede kan de kantonrechter de stelling van [verzoeker] dat hij op 1 maart 2010 met vervroegd pensioen wenst te gaan en dat dit feit aangemerkt dient te worden als een verandering in de omstandigheden niet volgen, laat staan dat dit feit moet worden aangemerkt als een “zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen”.

Ten derde wordt de stelling dat de onderhavige ontbindingsprocedure de enige mogelijkheid is om een vergoeding bij de kantonrechter te verzoeken, onjuist geacht. De vraag of de ontslagen werknemer aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de opzegging, dient immers te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in art. 7:681 BW.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen.

Gelet op de aard van de procedure en de omstandigheden van het geval, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

BESLISSING

Wijst het verzoek af.

Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Etman, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E.W. Otten, griffier.