Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL2977

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
03-703537-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs voor poging tot moord en/of poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Bewijs van opzet en van voorbedachte rade. Verdachte schiet gericht op een woonwagen, waarbij / waarbinnen verschillende personen aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703537-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

preventief gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman ter terechtzitting was mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat te Heerlen, als vervanger van mr. T. Boumans, eveneens advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2010, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd -al dan niet met voorbedachten rade- [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2], [naam slachtoffer 3], [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] te doden dan wel dat hij deze personen heeft bedreigd;

Feit 2: samen met anderen valse of vervalste Irischeques/VVV-bonnen heeft gebruikt, dan wel samen met anderen met die valse Irischeques/VVV-bonnen heeft geprobeerd [naam slachtoffer 6]op te lichten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 primair (de poging tot vijfvoudige moord) en 2 primair (het gebruik van valse Irischeques/VVV-bonnen) wettig en overtuigend bewezen.

Feit 1 primair

Ten aanzien van feit 1 primair wijst de officier van justitie in de eerste plaats op de verklaringen van de vijf slachtoffers. Enkele van hen hebben verdachte zelf gezien.

Voorts wijst de officier van justitie op de resultaten van het technisch onderzoek, waaruit blijkt dat:

- er minimaal zes keer gericht is geschoten;

- er is geschoten met kaliber 9 millimeter, dat krachtig en dodelijk is;

- er een inslagopening is in de woonwagen aan de [H-weg]te Heerlen;

- de onderhavige woonwagen dunne muren heeft, waar gemakkelijk doorheen geschoten kan worden en wel zodanig dat degene die zich daarin bevindt daardoor zwaar lichamelijk letsel kan oplopen of gedood kan worden.

Naast deze getuigenverklaringen en dit technisch bewijs, voert de officier van justitie nog de navolgende feiten en omstandigheden aan:

* Verdachte had eerder die avond bij het Van der Valkhotel ruzie gehad met enkele van de slachtoffers. Over die ruzie wordt onder meer verklaard door getuige [naam getuige 1]. Verdachtes vader zou daar nog een bedreiging hebben geuit jegens een van hen.

* Daarnaast heeft [naam slachtoffer 3] verklaard dat zij korte tijd voor de schietpartij verdachtes witte Volkswagen Caddy voor de woning [H-weg]te Heerlen heeft zien staan, terwijl verdachte bij zijn auto stond. Verdachte is -blijkens zijn verklaring ter terechtzitting- in het bezit van een dergelijke witte auto.

Er zijn volgens de officier ook geen contra-indicaties die er op zouden kunnen duiden dat verdachte de schutter niet was. In dit verband voert de officier van justitie aan:

(a) dat er zoveel aanwijzingen zijn dat de verdachte de schutter is, dat het zeer voor de hand ligt dat verdachte aangeeft waar hij zich ten tijde van het schietincident bevond en wat hij deed. In plaats daarvan hult hij zich in stilzwijgen. Weliswaar heeft hij dat recht, doch daarmee ontneemt hij zichzelf wel de mogelijkheid om het voorhanden zijnde bewijsmateriaal aan te tasten;

(b) dat er weliswaar geen DNA materiaal van verdachte op een van de hulzen is aangetroffen, doch dat daaruit niet kan worden afgeleid dat verdachte de schutter niet is, al was het maar dat verdachte zich in het gezelschap van een tweede, onbekend gebleven, persoon, bevond;

(c) dat er -mede gelet op de getuigenverklaring van [naam getuige 2]- geen enkele aanwijzing is, dat een ander dan verdachte de schoten zou hebben gelost.

De voorbedachte rade acht de officier van justitie bewezen op grond van het feit dat verdachte na de ruzie bij het Van der Valkhotel met een wapen naar de woonwagen aan de [H-weg]te Heerlen is gegaan.

Feit 2 primair

De officier van justitie acht feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- de aangifte van [naam slachtoffer 6];

- het proces-verbaal waaruit blijkt dat de cheques vals zijn;

- de verklaring van [naam medeverdachte 1] die verklaart dat hij de cheques heeft gekregen van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Het primaire standpunt van de verdediging luidt dat verdachte van de feiten 1 en 2 (in alle varianten) dient te worden vrijgesproken.

Feit 1

Volgens de verdediging staat niet vast dat verdachte de schutter is geweest.

Zij wijst op de navolgende discrepanties in de aangiftes en in de verklaringen van de familieleden van verdachte:

[naam slachtoffer 1]:

- heeft verklaard dat [R.] niet meer in de woning was, terwijl [naam slachtoffer 5] daarover anders verklaart;

- zou de eerdere aanwezigheid van verdachte (waarover anderen hebben verklaard) niet hebben gezien, terwijl hij, [naam slachtoffer 1], daar toch aanwezig moet zijn geweest;

- zou ook de broer van verdachte herkend moeten hebben, als hij ook verdachte herkende;

- kon niet exact aangeven welke kleding verdachte droeg;

- zou niet het geschreeuw van verdachte (waarover anderen hebben verklaard) hebben gehoord;

- antwoordde direct na het schietincident op een vraag van zijn ouders of verdachte de schutter was met de woorden ‘Volgens mij wel’, hetgeen zeer veel ruimte voor twijfel openlaat;

- zou verdachte zonder hoofdbedekking hebben herkend, terwijl getuige [naam getuige 2] verklaarde over twee personen met een capuchon op het hoofd;

- zou een tweede kleinere persoon hebben waargenomen, terwijl verdachtes broer groter is dan verdachte;

- kon verdachte niet hebben zien schieten, nu hij verklaarde dat hij eerst wegrende en daarna de schoten hoorde.

[naam slachtoffer 4]:

- heeft verdachte niet zien schieten;

- heeft verdachte niet horen schreeuwen;

- was ten tijde van het schieten binnen, terwijl onder andere [naam slachtoffer 3] daarover anders heeft verklaard.

[naam slachtoffer 3]:

- heeft gezien dat verdachte kwam aanrennen;

- heeft gehoord dat verdachte bedreigingen uitte;

- kon niet uit eigen wetenschap verklaren of het verdachte is geweest die heeft geschoten.

[naam getuige 2]:

- heeft gezien dat twee personen kwamen aanlopen;

- heeft gehoord dat een van die personen schreeuwde;

- heeft gezien dat de kleinere persoon het wapen hanteerde, terwijl [naam slachtoffer 1] hierover anders verklaarde;

- heeft niet gezien wie er heeft geschoten;

- heeft niemand herkend;

- heeft niet de eerdere aanwezigheid van iemand (waarover anderen hebben verklaard) gezien, hetgeen men zou mogen verwachten.

[naam slachtoffer 5]:

- heeft verdachte slechts gehoord en dus niet gezien.

[getuige 3]:

- heeft niemand herkend;

- heeft twee personen van buitenlandse afkomst, van wie de betrokkenheid volgens de verdediging niet kan worden uitgesloten, met hoge snelheid zien wegrijden.

Op grond van het bovenstaande komt de verdediging tot de conclusie dat er meer twijfel dan zekerheid bestaat over de betrokkenheid van verdachte bij de feiten 1 primair, subsidiair en meer subsidiair.

Immers,

- er wordt te verschillend verklaard over de mogelijke aan- of afwezigheid van verdachte op de plaats van het delict;

- er is geen enkele aangever of getuige die verdachte de trekker heeft zien overhalen;

- het antwoord van [naam slachtoffer 1], luidende ‘Volgens mij wel’ is kennelijk ingegeven door vermoedens;

- het is zeer wel mogelijk dat sprake is van een persoonsverwisseling, nu onduidelijk is wie -de grotere of de kleinere persoon- wat heeft gedaan;

- het is zeer wel mogelijk dat de tweede persoon heeft geschoten.

Verder stelt de verdediging dat:

- de verklaring van [naam slachtoffer 1] onduidelijk is en te zeer in strijd met de verklaring van [naam getuige 2];

- de verklaring van [naam getuige 2] niet bijdraagt aan het bewijs, nu hij verdachte niet heeft herkend;

- [naam slachtoffer 4] niets heeft waargenomen van de bedreigingen;

- [naam slachtoffer 5] verdachtes stem in het tumult moet hebben herkend als hij verdachte heeft gehoord;

- [naam slachtoffer 2] meent dat hij verdachte in de nacht op een afstand van twintig meter heeft herkend.

De verdediging stelt zich subsidiair, indien de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte de schutter was, op het standpunt dat het bestanddeel ‘na kalm beraad en rustig overleg’ niet kan worden bewezen verklaard, nu niet blijkt dat verdachte met een derde overleg heeft gevoerd, het tumult er eerder op lijkt te duiden dat verdachte allesbehalve kalm is geweest en het bewijs voor dit bestanddeel niet uit verdachtes verklaringen gehaald kan worden.

Het kennelijk met kwade bedoelingen bij zich steken van een vuurwapen kan niet tot het bewijs van het kalme beraad leiden, nu het mogelijk is dat verdachte het wapen heeft meegenomen, zonder de bedoeling het te gebruiken en zonder na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn gedragingen.

Feit 2

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [naam medeverdachte 1] ongeloofwaardig zijn. Hierbij wijst zij erop dat deze medeverdachte zijn verklaring diverse keren heeft aangepast.

Hoewel de verklaring van [naam getuige 4] verdachte belast, wordt deze verklaring niet bevestigd door verdachte dan wel door medeverdachte [naam medeverdachte 1].

Indien kan worden vastgesteld dat verdachte contact heeft gehad met medeverdachte [naam medeverdachte 1], levert dat niet voldoende bewijs op voor een bewezenverklaring.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Is er geschoten?

Op 11 oktober 2009 werd op de [H-weg] te Heerlen nabij woning nummer 38 een personenauto aangetroffen. Aan de linkerzijde van deze auto lagen vijf hulzen. Enkele meters verwijderd van de achterzijde van de auto werd nog een huls aangetroffen. De hulzen waren voorzien van een bodemstempel met het opschrift G.F.L. 9mm Luger.

Aan de buitenzijde van de woonwagen aan de [H-weg]werd een viertal beschadigingen, vermoedelijk inschotopeningen, aangetroffen. Deze zaten op de volgende hoogten: 1,2 meter, 1 meter, 0,25 meter en 0,15 meter.

Op de vloer van woonwagen [H-weg]werd nabij de deur van de meterkast een verschoten projectiel aangetroffen.

Het spoor op de hoogte van 1,2 meter betrof geen doorschot. Het projectiel is waarschijnlijk blijven steken in een stuk wand. Het spoor op de hoogte van 1 meter was wel een doorschot.

Uit de sporen kan worden geconcludeerd dat op de [H-weg] te Heerlen is geschoten met een vuurwapen. Uit de bodemstempel van de hulzen kan worden geconcludeerd dat het kaliber zeer waarschijnlijk 9 mm parabellum is. Het in de hal van de woonwagen aan de [H-weg]aangetroffen projectiel past voor wat betreft afmetingen, gewicht en vorm bij dit kaliber.

Gelet op het aantal aangetroffen hulzen is waarschijnlijk minimaal zesmaal geschoten. Gelet op de plaats waar de hulzen zijn aangetroffen, is het waarschijnlijk dat de schutter in de nabijheid van de voorgevel van de woning [H-weg] 38 te Heerlen heeft gestaan.

Gelet op de doorschoten in de afrastering van perceel [H-weg] 36 en de schotsporen in de zijwand van de woonwagen [H-weg]is vanaf de plaats waar de schutter stond, gericht geschoten op deze woonwagen. Daarbij is één schot terechtgekomen in de voorgevel van de woning [H-weg] 38. Minimaal vier schoten zijn al dan niet rechtstreeks terechtgekomen in de zijwand van de woonwagen.

Gelet op deze bevindingen is de rechtbank van oordeel dat er met een vuurwapen is geschoten in de richting van en op de woonwagen aan de [H-weg]te Heerlen.

Is verdachte de schutter?

[naam slachtoffer 1] verklaarde dat hij op 11 oktober 2009 samen met [naam getuige 2] zat op het muurtje tegenover de woning [H-weg]te Heerlen. Hij zag twee personen over het gras lopen, waarvan hij er één herkende als verdachte. Hij zag dat verdachte een vuistvuurwapen in zijn rechterhand vasthield, zijn arm strekte en met het pistool wees in de richting van de woning [H-weg] 34. Hierop rende [naam slachtoffer 1] weg. Vervolgens hoorde hij een aantal pistoolschoten.

De stelling van de verdediging dat [naam slachtoffer 1] heeft verklaard dat [R.] niet meer in de woning was, terwijl [naam slachtoffer 5] daarover anders verklaart, acht de rechtbank voor de beoordeling van de vraag of de verdachte wel of niet de schutter was, niet relevant.

De stelling van de verdediging dat [naam slachtoffer 1] de eerdere aanwezigheid van verdachte (waarover anderen hebben verklaard) niet heeft gezien, terwijl hij, [naam slachtoffer 1], daar toch aanwezig moet zijn geweest, deelt de rechtbank niet, alleen al omdat zowel [naam slachtoffer 1] zelf als [naam getuige 2] verklaart dat [naam slachtoffer 1] thuiskwam op het moment dat zijn ouders er al waren, waaruit de rechtbank afleidt dat [naam slachtoffer 1] een mogelijk eerdere aanwezigheid van verdachte niet heeft kunnen zien.

De stelling van de verdediging dat [naam slachtoffer 1] ook de broer van verdachte herkend zou moeten hebben, als hij ook verdachte herkende, wordt weerlegd door het enkele feit dat onbekend is wie deze tweede persoon was. Bovendien heeft [naam slachtoffer 1] verklaard dat hij alleen lette op verdachte. Daaruit kan volgen dat [naam slachtoffer 1] de tweede persoon niet goed heeft gezien.

Het verweer dat [naam slachtoffer 1] niet exact kan aangeven welke kleding verdachte droeg, dat [naam getuige 2] anders dan hij verklaarde over capuchons en dat er verwarring bestaat over de grootte van de schutter, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om de overigens eenduidige en consistente verklaring van [naam slachtoffer 1] buiten beschouwing te laten. [naam slachtoffer 1] is duidelijk over het feit dat hij verdachte heeft herkend. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan die herkenning.

De stelling van de verdediging dat [naam slachtoffer 1] het geschreeuw van verdachte (waarover anderen hebben verklaard) niet heeft gehoord, impliceert niet dat daarover door [naam slachtoffer 1] of een ander is gelogen. Het is allerminst ondenkbaar dat [naam slachtoffer 1] het geschreeuw simpelweg niet heeft gehoord, al was het maar omdat hij, toen hij de schutter zag, wegvluchtte in een andere richting dan die van de woning.

De stelling van de verdediging dat het antwoord van [naam slachtoffer 1] op een vraag van zijn ouders of verdachte de schutter was zeer veel ruimte voor twijfel openlaat, onderschrijft de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank is [naam slachtoffer 1] in zijn beide verklaringen duidelijk geweest over de identiteit van de schutter. De weergave van het gesprek tussen [naam slachtoffer 1] en zijn ouders, zoals weergegeven door [naam getuige 2], kan zeer wel worden verklaard door de hectiek van het moment. Bovendien acht de rechtbank het niet vreemd dat [naam slachtoffer 1]’s ouders vroegen of verdachte de schutter was, nu [naam slachtoffer 1]’s vader verdachtes stem had herkend.

Hetgeen de verdediging voorts naar voren brengt, te weten dat [naam slachtoffer 1] verdachte niet heeft zien schieten, omdat hij eerst wegrende en pas toen de schoten hoorde, is op zichzelf juist. Hierop zal de rechtbank hieronder terugkomen.

De rechtbank acht de verklaringen van [naam slachtoffer 1] consistent en geloofwaardig. Dat laatste wordt mede gegrond op het feit dat de verdachte zich op het moment dat hij door [naam slachtoffer 1] werd herkend, zich onder een lantaarnpaal bevond en derhalve goed zichtbaar was voor [naam slachtoffer 1] (zie onder meer foto 3). Daarenboven is verdachte ook door anderen herkend.

[naam slachtoffer 2] deed aangifte van poging tot moord dan wel doodslag. Hij verklaarde dat hij op 11 oktober 2009 samen met zijn vrouw [naam slachtoffer 3], [naam slachtoffer 3]’s zus [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 4]’s man [naam slachtoffer 5] stond op het terras van de woning van [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5].

Plotseling zag [naam slachtoffer 2] dat verdachte kwam aanrennen. Deze riep verschillende keren ‘Ik schiet je kapot.’ Hij liep op dat moment met een gestrekte arm voor zich uit. Op hetzelfde moment hoorde [naam slachtoffer 2] een aantal schoten. De afstand tussen hem en verdachte was ongeveer twintig meter. De afstand tussen hem en de voordeur bedroeg ongeveer een meter. [naam slachtoffer 5], [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 3] vluchtten naar binnen. Buiten hoorde [naam slachtoffer 2] verschillende knallen snel achter elkaar. Vervolgens werd hij door [naam slachtoffer 4] de woning binnengetrokken. Daar hoorde hij ook nog schoten.

Toen [naam slachtoffer 2] verdachte zag, had deze zijn arm in de richting van de woonwagen gestrekt.

Met zijn vieren stonden ze in het halletje. In het halletje was een inslag van een kogel.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de herkenning door [naam slachtoffer 2] van verdachte, temeer daar verdachte ook door anderen is herkend.

[naam slachtoffer 3] deed aangifte van poging tot moord dan wel doodslag. Zij verklaarde dat zij samen met haar man [naam slachtoffer 2], haar zus [naam slachtoffer 4] en diens echtgenoot [naam slachtoffer 5] stond op het balkon voor de woning [H-weg]te Heerlen, toen verdachte kwam aanrennen. Hij riep enkele malen ‘Ik schiet je kapot.’ Hierop renden [naam slachtoffer 5], [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 3] naar binnen. [naam slachtoffer 2] bleef buiten staan. Plotseling hoorde [naam slachtoffer 3] meerdere knallen snel achter elkaar. Hierop vluchtte [naam slachtoffer 2] naar binnen.

De stelling van de verdediging dat [naam slachtoffer 3] niet uit eigen wetenschap kan verklaren dat het verdachte is geweest die heeft geschoten, is op zichzelf juist. Hierop zal de rechtbank hieronder terugkomen.

[naam slachtoffer 5] verklaarde dat hij in de nacht van 10 op 11 oktober 2009 met zijn vrouw [naam slachtoffer 4] naar huis ging. Thuisgekomen zag hij dat [naam slachtoffer 4]’s zus [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 3]’s man [naam slachtoffer 2] voor de deur stonden. Na een aantal minuten hoorde hij geschreeuw. Hij hoorde verdachte roepen ‘Ik schiet je dood.’ Meteen daarna hoorde hij een aantal schoten, ongeveer zeven.

De stelling van de verdediging dat [naam slachtoffer 5] verdachte slechts heeft gehoord en dus niet heeft gezien, is juist. Het feit dat hij de stem van verdachte heeft herkend, ondanks het tumult, wordt ondersteund door het feit dat verdachte ook door anderen is herkend.

Zoals hierboven is weergegeven, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat niemand heeft verklaard dat hij of zij verdachte daadwerkelijk heeft zien schieten.

Anders dan de verdediging verbindt de rechtbank daaraan niet de conclusie dat om die reden niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte degene is geweest die heeft geschoten.

Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

[naam slachtoffer 1] zag dat verdachte een vuistvuurwapen in zijn rechterhand vasthield, zijn arm strekte en met het pistool wees in de richting van de woning [H-weg] 34. Kort daarna hoorde hij schoten.

[naam slachtoffer 2] zag verdachte komen aanrennen met een gestrekte arm voor zich uit. Verdachte riep verschillende keren ‘Ik schiet je kapot.’ Op hetzelfde moment hoorde [naam slachtoffer 2] een aantal schoten.

[naam slachtoffer 3] zag verdachte komen aanrennen. Hij riep enkele malen ‘Ik schiet je kapot.’ Kort daarna hoorde ze enkele schoten.

[naam slachtoffer 5] hoorde verdachte roepen ‘Ik schiet je dood.’ Meteen daarna hoorde hij een aantal schoten.

Gelet op:

- de vaststelling door de rechtbank dat er met een vuurwapen is geschoten in de richting van en op de woning [H-weg]te Heerlen,

- bovengenoemde verklaringen -van [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2], [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 5]- en

- het feit dat er geen enkele andere persoon met een vuurwapen is waargenomen,

is de rechtbank van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte op 11 oktober 2009 heeft geschoten op de woning [H-weg]te Heerlen, terwijl [naam slachtoffer 2], [naam slachtoffer 3], [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] in of bij die woning aanwezig waren.

Is er sprake van opzet?

Er is dus door verdachte op de woonwagen geschoten. Daarbij is een vuurwapen met het kaliber 9 mm gehanteerd, dat bekend staat als zeer krachtig en dodelijk, ook vanaf grote afstand. De wanden van de woonwagen [H-weg]zijn niet in staat dit soort projectielen te stoppen. Dat betekent dat personen die zich in de woonwagen bevinden -dat waren in dit geval [naam slachtoffer 2], [naam slachtoffer 3], [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5]- zeer zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen of zelfs dodelijk getroffen kunnen worden. Dit gegeven heeft verdachte er echter niet van weerhouden om toch op deze woonwagen te schieten. Hiermee heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een of meer van deze personen dodelijk zou treffen. De verdachte heeft derhalve opzettelijk gehandeld.

Is er sprake van voorbedachte rade?

Op 10 oktober 2009 ontstond er op een feest in het Van der Valkhotel te Heerlen ruzie tussen verschillende personen.

Bij die ruzie kreeg [naam slachtoffer 3] een klap van verdachte en werd [naam slachtoffer 5] door verdachte getrapt. Verdachtes vader zei aan het einde van de schermutselingen tegen [naam slachtoffer 5]: ‘Wij komen dadelijk wel bij jullie thuis langs.’

Even later kwam [naam slachtoffer 3] aan bij de woning van [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] aan de [H-weg]te Heerlen. Zij zag dat verdachte met een onbekende man bij zijn auto voor de woning stond. Hierop belde ze haar zus [naam slachtoffer 4] om haar te laten weten dat verdachte voor de deur stond. Even later vertrok verdachte.

Dat [naam slachtoffer 3] haar zus met die mededeling heeft gebeld, wordt bevestigd door [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5].

Gelet op bovengenoemde verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte, na de ruzie bij het Van der Valkhotel, waarbij hij [naam slachtoffer 3] heeft geslagen en [naam slachtoffer 5] heeft getrapt en waarbij door verdachtes vader in de richting van [naam slachtoffer 5] dreigende woorden werden geuit, met een andere persoon naar de woning van [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 4] is gereden, waar [naam slachtoffer 3] wel, maar [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 4] niet aanwezig waren, daar even heeft gewacht en vervolgens weer is vertrokken.

Nu verdachte kort daarna de schoten heeft gelost op de woning [H-weg] 34, is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg in ieder geval gericht op de dood van [naam slachtoffer 5].

Ten aanzien van [naam slachtoffer 3], [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 2] acht de rechtbank de voorbedachte raad niet bewezen, omdat niet blijkt dat verdachte ruzie heeft gehad met [naam slachtoffer 4] of [naam slachtoffer 2], en omdat hij niets ondernam tegen [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] toen hij deze eerder die avond bij de woning [H-weg]heeft gezien.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de poging tot moord dan wel doodslag op [naam slachtoffer 1] en de bedreiging jegens [naam slachtoffer 1], nu [naam slachtoffer 1] zich, anders dan is ten laste gelegd, niet bevond bij de woning aan de [H-weg](primair, subsidiair en meer subsidiair) en nu de geuite bedreiging niet op hem was gericht (meer subsidiair).

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank feit 1 primair ten aanzien van [naam slachtoffer 5] en feit 1 subsidiair ten aanzien van [naam slachtoffer 2], [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] wettig en overtuigend bewezen.

Over andere dan de hierboven besproken verklaringen die door de verdediging zijn betwist, zal de rechtbank zich niet uitlaten, omdat deze niet voor het bewijs zijn gebruikt.

Ten aanzien van feit 2

Uit de afgelegde verklaringen en camerabeelden blijkt het navolgende:

[naam slachtoffer 6]deed aangifte van poging tot oplichting namens Dixons.

Op 24 januari 2009 omstreeks 16.45 uur liepen twee mannen de winkel van Dixons in het Corio Center te Heerlen binnen. Ze stonden voor de vitrine met laptops. Aangever vroeg of hij hen kon helpen. Hierop liep een van de mannen de winkel uit. De andere man wees een laptop aan die hij wilde kopen. De man wilde betalen met elf Iris-cheques ter waarde van

€ 50,- per stuk. De aangever scande één cheque. Het betrof een valse cheque.

Aangever gaf de cheque terug en zei dat hij deze niet accepteerde.

Een dag later, op 25 januari 2009, werd [naam medeverdachte 1] op heterdaad aangehouden voor poging tot oplichting van Intertoys in het Corio Center te Heerlen. Hij wilde betalen met een valse Irisbon. Voorts zou hij in het bezit zijn van meerdere valse Irisbonnen. In een prullenbak in het Corio Center werden meerdere valse Irisbonnen gevonden.

[naam medeverdachte 1] heeft bekend dat hij op 24 januari 2009 probeerde om bij Dixons een laptop af te rekenen met de Iris-cheques. De verkoper nam de bonnen niet aan. [naam medeverdachte 1] verklaarde dat er nog een andere persoon bij betrokken was.

Uit camerabeelden van camera 20 blijkt dat op 24 januari 2009 tussen 16.50.21 uur en 17.03.00 uur bij de kruising Honigmanstraat – Schinkelstraat te Heerlen een witte bus tot stilstand komt. Direct daarachter stopt een rode Opel Astra Station. [naam medeverdachte 1] stapt uit de Opel Astra en klopt op de ruit van het bijrijdersportier van de bus. Vervolgens lopen hij en (de door verbalisanten herkende) verdachte in de richting van het Corio Center. Later komt het tweetal weer in beeld. Verdachte heeft paarse papieren in zijn handen, gelijkend op de in beslag genomen Iris-cheques.

Uit camerabeelden van camera 34 blijkt dat op 24 januari 2009 tussen 16.51.06 uur en 16.54.48 uur verdachte en [naam medeverdachte 1] het Corio Center binnengaan aan de zijde van de Honigmanstraat te Heerlen. Een dikke minuut later gaat verdachte weer naar buiten. Weer ruim twee minuten later gaat [naam medeverdachte 1] naar buiten.

Uit camerabeelden van Dixons blijkt dat verdachte op 24 januari 2009 omstreeks 16.45 uur de winkel Dixons binnenloopt.

[naam getuige 4]verklaarde dat hij op 24 januari 2009 samen met zijn broertje [naam medeverdachte 1] en [R.Q.] op pad was. De auto werd geparkeerd bij het Corio Center in Heerlen. In een bus voor hen zaten vrienden van [naam medeverdachte 1], waaronder verdachte. Verdachte en de andere twee personen hadden Iris-cheques.

Vervolgens liepen verdachte en [naam medeverdachte 1] richting het Corio Center. [naam getuige 4] wist op dat moment dat ze valse bonnen hadden. Op een gegeven moment kwam verdachte terug, aldus nog steeds [naam getuige 4].

Uit onderzoek is gebleken dat alle tien onderzochte documenten vals waren en door middel van reproductietechniek waren nagebootst. In geen enkel onderzocht document waren de voor dit soort Iris-cheques gebruikelijke echtheidskenmerken, zoals watermerk, droogstempel en ultravioletbeveiliging aanwezig.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, bezien in samenhang met het feit dat [naam medeverdachte 1] verklaarde dat hij op 25 januari 2009 probeerde met de Iris-cheques spullen te kopen bij Intertoys en dat uit camerabeelden blijkt dat hij samen met verdachte die winkel binnenliep, is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

Daar [naam medeverdachte 1] in zijn verklaringen verschillende van elkaar afwijkende versies heeft verteld, heeft de rechtbank slechts gebruik gemaakt van zijn verklaring in zoverre deze door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 primair

op 11 oktober 2009 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere malen heeft geschoten op de woning (woonwagen) gelegen aan de [H-weg] 34, alwaar die [naam slachtoffer 5] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 1 subsidiair

op 11 oktober 2009 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere malen heeft geschoten op de woning (woonwagen) gelegen aan de [H-weg] 34, alwaar die [naam slachtoffer 2] en die [naam slachtoffer 3] en die [naam slachtoffer 4] zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 primair

op 24 januari 2009 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse Irischeques/VVV-bonnen, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat een van zijn mededaders genoemde valse Irischeques/VVV-bonnen ter betaling van een laptop heeft aangeboden aan een medewerker van de winkel "Dixons" en bestaande die valsheid hierin dat genoemde Irischeques/VVV-bonnen nabootsingen of reproducties betroffen van een of meer originele Irischeques/VVV-bonnen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot moord.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd en gepleegd in eendaadse samenloop met feit 1 primair.

Ten aanzien van feit 2 primair:

opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

De officier van justitie voert aan dat de maximumstraf voor een enkelvoudige poging tot moord twintig jaren bedraagt en dat een gangbare straf voor een voltooide moord een gevangenisstraf van twaalf jaren bedraagt. In dit geval -een poging tot vijfvoudige moord- zal hij echter van een dergelijke strafmaat afwijken.

Daarnaast wijst de officier van justitie op het strafblad van verdachte, waarop weliswaar geen vergelijkbare feiten worden vermeld als die in deze zaak aan de orde zijn, doch wel feiten die verband houden met agressie en remmingsproblemen.

Voorts geeft de officier van justitie aan dat hij niet ziet dat verdachte spijt heeft van zijn daden.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat een bewezenverklaring voor iets anders dan de ten laste gelegde poging tot moord op vijf personen, tot uitdrukking dient te komen in de strafmaat.

Voorts voert de verdediging aan dat verdachte voornemens is om in het huwelijk te treden, dat hij twee kinderen heeft en dat hij node wordt gemist in het bedrijf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft geprobeerd een viertal personen van het leven te beroven door gericht te schieten op een woonwagen, waarin dan wel waarbij, deze personen verbleven. Ten aanzien van één persoon handelde verdachte met voorbedachte raad.

Verdachtes poging was daarmee gericht op het zwaarst mogelijke strafbare feit, te weten het opzettelijk ontnemen van iemands anders leven. Dat het hier om een zeer zwaar misdrijf gaat, komt tot uitdrukking in de wettelijke strafmaxima. Voor een voltooide moord kan een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaren worden opgelegd en voor een voltooide doodslag staat een maximumstraf van vijftien jaren.

De rechtbank acht dan ook een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats.

Voorts heeft verdachte samen met een ander gebruik gemaakt van valse Iris-cheques. Dit feit is qua zwaarte niet te vergelijken met de poging tot moord en de poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Onder deze omstandigheden, draagt deze valsheid in geschrifte nauwelijks bij aan de hoogte van de op te leggen straf.

Mede gelet op vergelijkbare jurisprudentie neemt de rechtbank als uitgangspunt de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

De rechtbank zal deze matigen, omdat de rechtbank ten aanzien van feit 1, anders dan de officier van justitie, niet een poging tot vijfvoudige moord bewezen acht, doch één poging tot moord en drie pogingen tot doodslag, in eendaadse samenloop gepleegd.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Gelet op de aard van de strafbare feiten onder feit 1, ziet de rechtbank in de door de verdediging genoemde persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om deze straf te matigen.

6 Het beslag

Conform de vordering van de officier van justitie gelast de rechtbank de teruggave van:

- de in beslag genomen DVD (voorwerpnummer 1708243 met camerabeelden parkeerplaats) aan hotel Van der Valk, Ter Worm 10 te Heerlen;

- het in beslag genomen spoor (speeksel, spoornummer 26332, SIN-nummer RAAH2390NL) aan de politie Limburg Zuid, divisie regionale recherche, forensische opsporing.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 55, 57, 225, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave van:

* de in beslag genomen DVD (voorwerpnummer 1708243 met camerabeelden parkeerplaats) aan hotel Van der Valk, Ter Worm 10 te Heerlen;

* het in beslag genomen spoor (speeksel, spoornummer 26332, SIN-nummer RAAH2390NL) aan de politie Limburg Zuid, divisie regionale recherche, forensische opsporing.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. I.P. de Groot en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 februari 2010.

Buiten staat

Mr. I.P. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 oktober 2009 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere malen heeft geschoten op/in, in elk geval in de richting van de woning (woonwagen) gelegen aan de [H-weg] 34, alwaar die [naam slachtoffer 1] en/of Swinkels en/of die [naam slachtoffer 3] en/of die [naam slachtoffer 4] en/of die [naam slachtoffer 5] zich bevond(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 oktober 2009 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere malen heeft geschoten op/in, in elk geval in de richting van de woning (woonwagen) gelegen aan de [H-weg] 34, alwaar die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of die [naam slachtoffer 3] en/of die [naam slachtoffer 4] en/of die [naam slachtoffer 5] zich bevond(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 oktober 2009 in de gemeente Heerlen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend - geschreeuwd: "Ik schiet je dood" en/of "Ik schiet jullie dood" en/of - (vervolgens) meerdere malen met een vuurwapen geschoten op/in, in elk geval in de richting van de woning (woonwagen) gelegen aan de [H-weg] 34, alwaar die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of die [naam slachtoffer 3] en/of die [naam slachtoffer 4] en/of die [naam slachtoffer 5] zich bevond(en);

2.

hij op of omstreeks 24 januari 2009 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse of vervalste Irischeque(s)/VVV-bon(nen), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) genoemde valse of vervalste Irischeque(s)/VVV-bon(nen), ter betaling van een laptop, in elk geval ter betaling van enig goed, heeft/hebben aangeboden aan een medewerker van de winkel "Dixons" en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat genoemde Irischeque(s)/VVV-bon(nen) (een) nabootsing(en) en/of (een) reproductie(s) betrof(fen) van een of meer originele Irischeque(s)/VVV-bon(nen);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2009 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam slachtoffer 6](bedrijfsleider van de winkel "Dixons") te bewegen tot de afgifte van een laptop, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een of meer valse Irischeque(s)/VVV-bon(nen) ter betaling van die laptop heeft aangeboden aan die [naam slachtoffer 6], terwijl de uitvoering van dat