Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BL2297

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
146631 / OT RK 09-2125
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De in het kader van een lopend onderzoek van de raad voor de kinderbescherming opgestelde verklaring van een gedragswetenschapper, die eerst ten grondslag is gelegd aan een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c Wjz, kan op zichzelf ook dienen ter onderbouwing van een verzoek om vervolgmachtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz. Omdat de kinderrechter bij het verlenen van de voorlopige machtiging heeft aandrongen op een spoedig nader onderzoek met de betrekking tot de vraag of gesloten jeugdzorg een geschikte maatregel is voor de minderjarige, is echter wel van belang over recente informatie van de gedragsdeskundige te kunnen beschikken. Aan deze eis is niet voldaan, omdat vast is komen te staan dat de gedragswetenschapper van de instelling vóór de nieuwe zitting niet met de minderjarige heeft gesproken. Met betrekking tot het betoog van raad en bureau jeugdzorg dat nader onderzoek werd bemoeilijkt door de feestdagen, merkt de kinderrechter op dat dit weliswaar tot op zekere hoogte begrijpelijk is, maar dat het kort vóór de kerstvakantie nemen van het besluit tot het indienen van een verzoek om een spoedplaatsing van een minderjarige in gesloten jeugdzorg, in verband met het vrijheidsbenemende karakter van de maatregel nu eenmaal met zich brengt dat de noodzaak tot voortduring van de maatregel zo spoedig mogelijk komt vast te staan. Dit vereiste hoeft uiteraard niet in de weg staan aan het nemen van vakantie door individuele medewerkers, maar van organisaties als de raad en bureau jeugdzorg mag wel worden verwacht dat er voldoende menskracht is om de noodzaak van voortduring van gesloten plaatsing zo spoedig mogelijk nader te onderbouwen. Het voorgaande brengt mee dat de kinderrechter van oordeel is dat onvoldoende is komen vast te staan dat voortzetting van gesloten jeugdzorg voor de minderjarige noodzakelijk is. Aangezien er geen gronden meer zijn voor voortduring van de gesloten jeugdzorg, kan een voortduring van de gesloten plaatsing van de minderjarige tot het einde van de bij de beschikking van 22 december 2009 toegestane termijn geen rechtvaardiging meer vinden in artikel 5 lid 1 onder d van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Om die reden is de gesloten plaatsing met onmiddellijke ingang beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 5 januari 2010

Zaaknummer: 146631 / OT RK 09-2125

AFWIJZENDE BESCHIKKING OP VERZOEK MACHTIGING UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[de minderjarige], geboren te [geboortegegevens],

verder te noemen [de minderjarige],

advocaat mr. A.J. Crombag,

kind van:

[moeder], wonende te [adres]

advocaat mr. E.J.A. Roeleven,

en

[vader], overleden.

1. Verder verloop van de procedure

Bij beschikking van 22 december 2009 heeft de kinderrechter de beschikking van 14 december 2009, waarbij [de minderjarige] voor de duur van drie maanden onder toezicht is gesteld en een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken is gegeven, gehandhaafd.

De behandeling van het verzoek van de raad tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling heeft plaatsgevonden ter zitting van 5 januari 2010.

2. Standpunten van partijen

Ter zitting heeft de raadsvertegenwoordigster verklaard dat het onderzoek van de raad in een vergevorderd stadium is. De resultaten zijn met [de minderjarige] en moeder besproken. Het voorliggende verzoek doorkruist echter de definitieve rapportage. Uit het onderzoek is duidelijk geworden wat er met [de minderjarige] aan de hand is. Zij wordt in haar ontwikkeling bedreigd. In de thuissituatie is het nodige aan de hand en er moet duidelijk zijn wat [de minderjarige] nodig heeft. De raad kan niet meer aanvoeren dan tijdens de vorige zitting is gedaan. De raad blijft bij zijn standpunt dat de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige voldoende informatie geeft en wijst erop dat de rechtbank niet heeft verzocht om een nieuwe verklaring. De raad blijft bij zijn verzoek.

Bureau jeugdzorg heeft bij monde van de gezinsvoogdes gesteld dat er door de feestdagen weinig is gebeurd. De gezinsvoogdes heeft gisteren telefonisch contact gehad met [de minderjarige], de moeder en de grootouders. ITB is van start gegaan, maar de thuissituatie is nog steeds instabiel. De moeder vindt het moeilijk grenzen te stellen. Er is ook contact geweest met de raad en met de gedragsdeskundige. Van de gedragsdeskundige heeft de gezinsvoogdes kort voor de zitting een faxbericht ontvangen waaruit blijkt dat er een tweeledig beeld is te zien bij [de minderjarige]. Aan de ene kant komt ze over als een sociaal meisje dat goed reageert op de geboden structuur. De echte [de minderjarige] is echter nog niet gezien. De conclusie is dat de periode waarin [de minderjarige] geplaatst is te kort is om een beslissing te geven wat het toekomstperspectief is.

De advocaat van [de minderjarige] heeft verklaard dat er weinig overleg is geweest in de afgelopen periode. Zij vindt dat opmerkelijk omdat dat het hier wel gaat om een minderjarige. [de minderjarige] heeft in Icarus heel snel laten zien dat ze het wel goed kan doen. De zorgen die er zijn worden door iedereen gedeeld, maar de vraag is of de hulp die [de minderjarige] nodig heeft vanuit een gesloten setting geboden moet worden. Als [de minderjarige] thuis behandeling kan krijgen, kan ze ook naar school gaan. Dat is geregeld en [de minderjarige] wil dat ook graag. Mocht blijken dat [de minderjarige] niet thuis kan wonen, is het alternatief een plek bij de grootouders. [de minderjarige] heeft nu ervaren wat een gesloten plaatsing betekent. De advocaat is dan ook van mening dat het verzoek moet worden afgewezen.

De advocaat van moeder heeft ter zitting aangevoerd dat de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundig drie maanden geleden is opgemaakt en dat niet gesproken kan worden van een recente verklaring, zoals door de wet wordt voorgeschreven. Zij erkent de zorgelijke situatie rondom [de minderjarige], maar pleit om haar behandeling vanuit de thuissituatie te laten plaatsvinden, wat volgens haar tot nu toe onvoldoende is geprobeerd. Moeder heeft ook haar aandeel in de situatie waarin [de minderjarige] nu verkeert. Zij krijgt inmiddels hulp van bureau jeugdzorg en ITB kan opgestart worden. De advocaat pleit voor afwijzing van de verzochte machtiging.

[de minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat zij niet met de gedragsdeskundige heeft gesproken. [de minderjarige] is geschrokken van haar verblijf in een gesloten setting. Positief aan dit verblijf is dat zij heeft geleerd met mensen om te gaan, een helpende hand heeft uitgestoken in de huishouding en boeken heeft gelezen die betrekking hebben op haar problematiek. Een langer verblijf ziet [de minderjarige] niet zitten. Zij wil het liefst naar huis, daar behandeling krijgen en weer naar school gaan.

3. Verdere beoordeling

De kinderechter overweegt allereerst dat de raad bij het inleidende verzoekschrift zowel om een voorlopige machtiging tot plaatsing in gesloten jeugdzorg van [de minderjarige], als – in aanvulling daarop – om een machtiging voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, tot 13 maart 2010, heeft verzocht. De raad heeft de kinderrechter dus verzocht zowel toepassing te geven aan artikel 29c van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) als – aanvullend - aan artikel 29b Wjz. Uit de wettelijke regeling blijkt dat het hier om twee verschillende machtigingen gaat, die elk hun eigen regeling kennen. Voor elk van beide machtigingen geldt dat ze niet mag worden verleend dan nadat een gedragswetenschapper heeft ingestemd met de verklaring van bureau jeugdzorg dat – kort gezegd – aan de wettelijke criteria voor, respectievelijk, een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c Wjz dan wel een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz is voldaan. Met betrekking tot beide instemmingsverklaringen wordt de eis gesteld dat de gedragswetenschapper de jeugdige met het oog op de verklaring kort tevoren heeft onderzocht.

De kinderrechter stelt vast dat in het nu te beoordelen verzoek van de raad om een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz dezelfde instemmingsverklaring ten grondslag heeft gelegen als aan het verzoek om de voorlopige machtiging, waarop de kinderrechter op 14 december 2009 en op 22 december 2009 heeft beschikt. Dat dit zo is gelopen, is in die zin verklaarbaar dat de instemming van de gedragswetenschapper heeft plaatsgevonden in het kader van een lopend onderzoek van de raad dat nog niet was afgerond op het moment waarop de raad besloot tot het indienen van het verzoek om de voorlopige machtiging. De instemmingsverklaring ziet dan ook niet op een verklaring van bureau jeugdzorg dat aan de vereisten voor een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c Wjz is voldaan, maar op de vraag of aan de vereisten voor een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz is voldaan.

Uit het voorgaande blijkt dat is voldaan aan de wettelijke eis dat het nu te beoordelen verzoek mede steunt op een verklaring van een gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 29 b lid 5 Wjz. Dat neemt echter niet weg dat aan de andere in dit artikellid gestelde eis - te weten dat de gedragswetenschapper de jeugdige met het oog op het opstellen van de instemmingsverklaring kort tevoren heeft onderzocht – extra gewicht toekomt in de nu aan de orde zijnde situatie, waarin het verzoek tot het voortduren van de gesloten jeugdzorg mede wordt gebaseerd op dezelfde instemmingsverklaring als ten grondslag heeft gelegen aan de eerdere machtiging. Gelet op de ingrijpendheid van de maatregel van gesloten jeugdzorg mag immers worden verwacht dat het verzoek om een nieuwe machtiging mede berust informatie van een gedragswetenschapper over de ervaringen die met de jeugdige zijn opgedaan tijdens de gesloten plaatsing op grond van de eerste machtiging.

Ter zitting van 22 december 2009 heeft de kinderrechter, na alle belanghebbenden te hebben gehoord, aangegeven te betwijfelen of gesloten jeugdzorg wel de meest geschikte maatregel is om aan de problematiek van [de minderjarige] tegemoet te komen. De kinderrechter heeft de voorlopige machtiging echter toch verleend, omdat er op dat moment nog te veel onzekerheid bestond met betrekking tot de vraag of de moeder [de minderjarige] in de thuissituatie voldoende rust, steun en veiligheid zou kunnen bieden. Aan het slot van de beschikking van 22 december 2009 heeft de kinderrechter er bij de raad en bureau jeugdzorg echter uitdrukkelijk op aangedrongen om op zo kort mogelijke termijn adequate hulp voor [de minderjarige] te regelen en tevens te onderzoeken of deze hulp in het kader van een minder vergaande maatregel dan gesloten jeugdzorg kon worden geboden. Tijdens de zitting van 22 december 2009 heeft de kinderrechter verder meegedeeld dat de zaak vóór het verstrijken van de voorlopige machtiging, dus vóór 11 januari 2010 opnieuw ter zitting zou worden behandeld. Bij de beschikking van 22 december 2009 is de raad en de overige belanghebbenden meegedeeld dat het verzoek tot verlening van de machtiging gesloten jeugdzorg op 5 januari 2010 zou worden behandeld.

Ter zitting van 5 januari 2010 heeft de raad herhaald dat er bij [de minderjarige] sprake is van een ernstige problematiek, mede gezien het feit dat de moeder haar thuis niet voldoende stabiliteit kan bieden. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de gesloten plaatsing te kort is geweest om nu al een verandering bij [de minderjarige] te constateren. De raad bleek niet in staat informatie te geven over de ervaringen die tijdens de gesloten plaatsing met [de minderjarige] waren opgedaan.

De gezinsvoogd heeft ter zitting verklaard dat zij [de minderjarige] op 17 december 2009 heeft geplaatst in Icarus. Zij is vervolgens op vakantie gegaan en heeft haar werk de dag vóór de zitting hervat. Zij heeft toen gebeld met [de minderjarige], de moeder, de grootouders en de raad. Verder heeft zij ervoor gezorgd dat bij moeder thuis ITB van start is gegaan. Zij heeft voorts verklaard met de gedragswetenschapper te hebben gebeld en heeft ter zitting een fax van de gedragswetenschapper overgelegd. In deze fax heeft de gedragswetenschapper verklaard dat er bij [de minderjarige] sprake is van een tweeledig beeld. Ze komt over als een sociaal meisje dat goed reageert op de geboden structuur. Ze is nog niet echt gezien in de groep. Het is moeilijk een inschatting te maken van het toekomstperspectief. De gedragswetenschapper geeft voorts aan dat [de minderjarige] wil omgaan met haar agressie, dat het te kort is om een goed beeld te krijgen en dat “de echte [naam van de minderjarige] nog niet is opgestaan”.

Ter zitting is komen vast te staan dat de gedragswetenschapper tijdens haar verblijf in Icarus geen gesprek heeft gehad met [de minderjarige].

[de minderjarige] heeft verklaard veel boeken te hebben gelezen over loverboys en weglopen, en dat zij heeft geholpen in het huishouden.

De kinderrechter is van oordeel dat deze gang van zaken zich slecht verdraagt met de uitdrukkelijke vingerwijzing die hij de raad en bureau jeugdzorg aan het slot van zijn beschikking van 22 december 2009 heeft gegeven. Deze had tot doel tijdens de volgende zitting nadere gegevens en bevindingen op tafel te hebben die de kinderrechter zou kunnen betrekken in zijn oordeel of voortzetting van gesloten jeugdzorg voor [de minderjarige] noodzakelijk zou zijn. In het licht van de door de kinderrechter ter zitting van 22 december 2009 geuite twijfel over de noodzaak van gesloten jeugdzorg van [de minderjarige], mede in verband met hetgeen hiervoor is overwogen over het belang van een op recent onderzoek gebaseerde verklaring van een gedragswetenschapper, had het naar het oordeel van de kinderrechter voor de hand gelegen dat de gedragswetenschapper in de periode gelegen tussen de twee zittingen op zijn minst met [de minderjarige] zou hebben gesproken, zodat ter zitting van 5 januari 2010 verslag van dit gesprek had kunnen worden gedaan. De opmerking dat “de echte [de minderjarige] nog niet is opgestaan” acht de kinderrechter te suggestief en biedt in elk geval geen nadere feitelijke onderbouwing voor voortzetting van de gesloten jeugdzorg.

Tijdens de zitting hebben de raad en bureau jeugdzorg herhaaldelijk aangevoerd dat het verrichten van nader onderzoek werd bemoeilijkt door het ontbreken van voldoende menskracht tijdens de kerstvakantie. Naar aanleiding daarvan merkt de kinderrechter op dat dit weliswaar tot op zekere hoogte begrijpelijk is, maar dat het kort vóór de kerstvakantie nemen van het besluit een verzoek in te dienen tot een spoedplaatsing van een minderjarige in gesloten jeugdzorg, in verband met het vrijheidsbenemende karakter van de maatregel nu eenmaal met zich brengt dat de noodzaak tot voortduring van de maatregel zo spoedig mogelijk komt vast te staan. Dit vereiste hoeft uiteraard niet in de weg staan aan het nemen van vakantie door individuele medewerkers, maar van organisaties als de raad en bureau jeugdzorg mag wel worden verwacht dat er voldoende menskracht is om de noodzaak van voortduring van gesloten plaatsing zo spoedig mogelijk nader te onderbouwen.

Het voorgaande brengt mee dat de kinderrechter van oordeel is dat onvoldoende is komen vast te staan dat voortzetting van gesloten jeugdzorg voor [de minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter acht in dit verband mede van belang dat de verhouding tussen [de minderjarige] en haar moeder duidelijk is verbeterd, moeder en [de minderjarige] open staan voor de intensieve thuisbegeleiding, moeder de contacten met haar laatste partner heeft verbroken, [de minderjarige] weer naar school zal gaan en dat [de minderjarige] openstaat voor hulp ter verwerking van haar in het verleden opgelopen trauma’s.

Aangezien er, gelet op het voorgaande, geen gronden meer zijn voor voortduring van de gesloten jeugdzorg, kan een voortduring van de gesloten plaatsing van [de minderjarige] tot het einde van de bij de beschikking van 22 december 2009 toegestane termijn geen rechtvaardiging meer vinden in artikel 5 lid 1 onder d van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Om die reden is de gesloten plaatsing van [de minderjarige] ter zitting van

5 januari 2010 met onmiddellijke ingang beëindigd.

4. Beslissing:

Beëindigt met onmiddellijke ingang de machtiging tot uithuisplaatsing n een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Wijst het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling af.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is op 5 januari 2010 gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

LF

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.