Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BK8564

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
334350 CV EXPL 09-2311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldige overdracht van een al dan niet reële vordering

De vordering is onvoldoende onderbouwd zowel naar de feitelijke als naar de juridische grondslag. Er is geen afschrift van de overeenkomst in het geding gebracht, evenmin zijn er betalingsbewijzen overgelegd. Het gevorderde bedrag komt ten slotte niet overeen met het totaalbedrag van de drie in het geding gebrachte facturen. De vordering wordt in volle omvang afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 334350 CV EXPL 09-2311

typ: MH

coll: MH

vonnis van 6 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap LINDORFF PURCHASE B.V.,

voorheen genaamd Transfair Purchase B.V.,

statutair gevestigd te Zwolle,

eisende partij,

hierna te noemen: Lindorff,

gemachtigde: J.A.P.M. Kerckhoffs, deurwaarder te Sittard, gemeente Sittard-Geleen

tegen

[gedaagde]

wonend te [adres],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Lindorff heeft bij dagvaarding van 14 mei 2009 een vordering ingesteld tegen [gedaagde].

Zij heeft bij het exploot een productie laten meebetekenen waarnaar in het exploot zelf geen (geautoriseerde) verwijzing is gemaakt.

[gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord (na gevraagd en verkregen uitstel).

Op 16 september 2009 heeft Lindorff daarop een conclusie van repliek genomen, die afkomstig is van “[naam]” die nimmer als gemachtigde (in plaats van de deurwaarder) is gepresenteerd. Desondanks zal dit processtuk inclusief de zes deels meervoudige producties aan Lindorff worden toegerekend.

[gedaagde] heeft gedupliceerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

MOTIVERING

het geschil

Lindorff vordert dat [gedaagde] - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad - wordt veroordeeld om aan Lindorff te betalen een bedrag van € 999,53 - waarvan € 707,20 aan hoofdsom, € 113,83 aan overeengekomen rente vanaf 18 oktober 2007 tot 18 januari 2008 en € 178,50 aan buitengerechtelijke kosten - , te vermeerderen met de overeengekomen rente naar 1% per maand vanaf 14 mei 2009 tot aan de dag van algehele voldoening, onder verwijzing van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

Ter onderbouwing van haar vordering voert Lindorff aan dat [gedaagde] op 28 oktober 2002 met T-Mobile Netherlands B.V., voorheen handelend onder de naam Ben Nederland B.V. (hierna T-Mobile), voor bepaalde tijd een overeenkomst is aangegaan ter zake van het gebruik van het mobiele telecommunicatienetwerk van T-Mobile. Door ”invulling en ondertekening van het contract” heeft [gedaagde] zich volgens Lindorff met de algemene voorwaarden van T-Mobile bekend en akkoord verklaard. Op grond van die overeenkomst heeft T-Mobile aan [gedaagde] een mobiele communicatieaansluiting en een telefoonnummer (0641826097) ter beschikking gesteld en tevens een abonnement met SIM-kaart verschaft, waarmee [gedaagde] telefoongesprekken heeft kunnen accepteren en voeren. T-Mobile heeft periodiek alle kosten voor het gebruik van het mobiele telefoonnetwerk gefactureerd aan [gedaagde]. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden was [gedaagde] verplicht de openstaande facturen te voldoen binnen de daarop vermelde termijn. Omdat [gedaagde] met de nakoming van de contractuele betalingsverplichtingen per 18 oktober 2007 in gebreke is gebleven en derhalve in verzuim is, is hij volgens Lindorff op grond van voornoemde voorwaarden de overeengekomen rente naar 1% per maand verschuldigd. Lindorff stelt dat T-Mobile bij toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] op grond van haar algemene voorwaarden gerechtigd is de door T-Mobile aan [gedaagde] aangeboden diensten geheel buiten gebruik te stellen, hetgeen op 30 januari 2008 is gebeurd. Deze buitengebruikstelling onthief [gedaagde] echter niet van de contractuele verplichtingen. Omdat [gedaagde], ondanks aanmaning, binnen een termijn van veertien dagen na buitengebruikstelling de contractuele betalingsverplichtingen niet (alsnog) is nagekomen, heeft T-Mobile de overeenkomst conform voornoemde voorwaarden na verloop van die termijn ontbonden. Lindorff stelt dat T-Mobile ten gevolge van het voortijdig ontbinden van de overeenkomst schade heeft geleden in de vorm van gederfde inkomsten en dat [gedaagde] naast de achterstallige abonnements- en gesprekskosten, ook de nog te vervallen abonnementskosten van de lopende contractsperiode verschuldigd is. De schade “omvat ondermeer” de vermogensschade in de vorm van door T-Mobile “geleden verlies” en door haar “gederfde winst”. T-Mobile heeft op 14 februari 2008 haar vordering op [gedaagde] aan Lindorff verkocht en gecedeerd, van welke cessie [gedaagde] schriftelijk in kennis is gesteld. Op grond van de algemene voorwaarden alsmede op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW acht Lindorff [gedaagde] tevens (een vergoeding van) de buitengerechtelijke kosten aan Lindorff verschuldigd. Tot slot vordert Lindorff de overeengekomen vervallen rente naar 1% per maand.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord – samengevat – het volgende verweer gevoerd. [gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap de ingestelde vordering. Lindorff heeft nagelaten de vordering naar behoren te specificeren. Ook haar stelling dat er sprake zou zijn van cessie, wordt niet met stukken onderbouwd. [gedaagde] betwist voorts naar behoren te zijn aangemaand. Bovendien heeft Lindorff nagelaten de buitengerechtelijke werkzaamheden te specificeren. Het in het exploot van dagvaarding genoemde telefoonnummer (0641826097).

In voortgezet debat heeft Lindorff afschriften van de algemene voorwaarden, de facturen van 8 oktober 2007, 6 december 2007 en 8 januari 2008, de akte van cessie met bijbehorend overdrachtsbestand, de kennisgeving van cessie van 18 februari 2008 en de aanmaningen in het geding gebracht. (Een afschrift van) de overeenkomst zegt Lindorff “gezien het verloop der tijd” niet meer in het geding te kunnen brengen. Lindorff stelt dat [gedaagde] zich door ondertekening van een inschrijfformulier bekend en akkoord heeft verklaard met de algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft, volgens Lindorff, vanaf de aanvang van het abonnement in 2002 tot de factuur van 8 oktober 2007 telkens aan zijn betalingsverplichtingen voldaan. [gedaagde] heeft gedurende de abonnementsduur diverse malen contact gehad met T-Mobile en heeft naar aanleiding van de brief van 18 februari 2008 op 19 februari 2008 telefonisch contact opgenomen met Lindorff met het verzoek een betalingsregeling te treffen. Lindorff en [gedaagde] zijn het echter niet eens geworden over de hoogte van de te betalen termijnen, zodat er geen betalingsregeling is getroffen.

In reactie hierop heeft [gedaagde] volhard bij het standpunt dat hij nooit een overeenkomst heeft gesloten met Ben Nederland B.V. dan wel met T-Mobile. Hij betwist dat hij ooit contact heeft gehad met T-Mobile. [gedaagde] betwist zelfs ooit enige betaling aan Ben Nederland B.V. of aan T-Mobile te hebben gedaan. [gedaagde] handhaaft voorts zijn standpunt dat onvoldoende aangetoond is dat (ook) deze vordering rechtsgeldig door T-Mobile aan Lindorff gecedeerd is. De getoonde akte en overeenkomst geven geen (of onvoldoende) uitsluitsel. De door T-Mobile gehanteerde algemene voorwaarden zijn [gedaagde] eveneens onbekend. Hij erkent telefonisch contact te hebben opgenomen met Lindorff naar aanleiding van een aanmaning. Hij heeft in dat gesprek ontkend dat T-Mobile dan wel Lindorff een vordering op hem heeft, omdat hij nooit een overeenkomst met een van beide is aangegaan. Over een betalingsregeling heeft hij nooit gesproken. Ten slotte wijst [gedaagde] erop dat het totaalbedrag van de drie in het geding gebrachte facturen € 905,90 bedraagt terwijl in het exploot van dagvaarding wordt uitgegaan van een hoofdsom van € 707,20.

de beoordeling

Voor een rechtsgeldige overdracht van een recht op naam (tegen een bepaalde persoon) vereist artikel 3:94 BW een door de cedent ondertekende authentieke of onderhandse akte bestemd tot levering van de vorderingen aan de cessionaris en een mededeling van deze cessie aan de debiteur. Voor een geldige levering moet dus aan beide eisen zijn voldaan. Uit de bij repliek als producties 3, 5 en 6 overgelegde stukken blijkt dat aan deze eisen is voldaan. Dit leidt tot de slotsom dat er een rechtsgeldige overdracht van een al dan niet reële vordering van T-Mobile op [gedaagde] aan Lindorff heeft plaatsgevonden.

De kantonrechter overweegt echter dat Lindorff de bewuste vordering onvoldoende heeft onderbouwd, zowel naar de feitelijke als naar de juridische grondslag. Tegenover de stellige ontkenning van de zijde van [gedaagde] die zegt nooit een overeenkomst te hebben gesloten met Ben Nederland dan wel met T-Mobile en zegt nooit betalingen te hebben verricht, heeft Lindorff het tegendeel niet overtuigend kunnen aantonen. Lindorff is er zelfs niet in geslaagd om een afschrift van de gestelde overeenkomst in het geding te brengen. Dat [gedaagde] in de periode oktober 2002 tot en met 6 oktober 2007 betalingen heeft verricht aan Ben Nederland of T-Mobile, staaft zij evenmin met stukken. Het gevorderde bedrag van € 707,20 (hoofdsom) dat Lindorff volgens het exploot van dagvaarding via T-Mobile van [gedaagde] te goed zegt te hebben, onderbouwt zij vervolgens bij repliek met drie facturen die een totaalbedrag behelzen van € 905,90 zonder te verklaren waarop dit verschil is gebaseerd, voor zover er al een plausibele verklaring voor te geven is. Dit alles leidt tot de slotsom dat Lindorff haar vordering volstrekt onvoldoende heeft geadstrueerd en onderbouwd.

Het voorgaande houdt in dat de vordering in volle omvang moet worden afgewezen. Omdat voor de hoofdsom een deugdelijke grondslag ontbreekt, is immers een afzonderlijke beoordeling van de bijkomende vorderingen overbodig.

Lindorff dient als in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding te dragen.

BESLISSING

Wijst de vordering af.

Veroordeelt Lindorff tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in de aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.