Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK7905

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
29-12-2009
Zaaknummer
03-700647-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis: deelname aan een criminele organisatie met als doel handel in verdovende middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700647-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [1979],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Gedetineerd in de P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

Raadsman is mr. Y. Quint, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 december 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting van 11 augustus 2009 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: harddrugs naar het buitenland heeft vervoerd dan wel heeft gedeald dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 2: softdrugs naar het buitenland heeft vervoerd dan wel heeft gedeald dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 3: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

Feit 4: als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

Feit 5: in het bezit was van een vervalst Belgisch rijbewijs;

Feit 6: in het bezit was van een valse Belgische identiteitskaart.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte zich vanaf augustus 2007, na de beëindiging van zijn detentie, schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van zowel harddrugs als softdrugs naar Luxemburg, Duitsland, België en Frankrijk. Dit blijkt uit de verschillende zaaksdossiers, met name uit tapgesprekken. Verder is er sprake van een langere periode waarin is gehandeld, hetgeen vooral blijkt uit de verklaringen van de Franse getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De officier van justitie acht de feiten onder 1 primair en 2 primair dan ook bewezen.

Verdachte heeft naar het oordeel van de officier van justitie tevens deelgenomen aan een criminele organisatie, waarin hij een kernrol vervulde. Er is gedurende een langere periode tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samengewerkt, met maar één gezamenlijk doel: het verkopen van verdovende middelen.

Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] blijkt hoe zij tegen de organisatie aankeken. De officier van justitie deelt de visie dat verdachte als werknemer fungeerde. Dit blijkt ook uit tapgesprekken. Hij acht feit 3 bewezen.

Ook de feiten 4, 5 en 6 acht de officier van justitie bewezen. Ten aanzien van feit 4 verwijst hij naar het besluit van de Staatssecretaris en de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van de feiten 5 en 6 verwijst hij naar de aangetroffen identiteitskaart en het aangetroffen rijbewijs en naar de bekennende verklaring van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat er slechts sprake is van vier incidenten waaruit mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de feiten 1 en 2 blijkt. Incident 1 betreft de levering van verdovende middelen aan [medeverdachte 3]. Uit de taps en observaties blijkt niet dat verdachte hierbij aanwezig was. Incident 2 betreft de levering van verdovende middelen aan [medeverdachte 4]. De enige handelingen die verdachte heeft verricht zijn dat hij de deur heeft geopend voor [medeverdachte 4] en dat hij een tas met hennep in diens auto heeft geplaatst. De verklaring van [medeverdachte 4] dat verdachte ook de harddrugs in diens auto heeft gelegd acht de raadsman gezien de observaties ongeloofwaardig. Ten aanzien van incident 3 merkt de raadsman op dat de mening van de officier van justitie dat het om drugshandel gaat op puur speculatieve redeneringen berust en dat niet uit het dossier blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de beweerde levering van de verdovende middelen. Incident 4 betreft de contacten met de Franse afnemers. Op grond van hun verklaringen is de ten laste gelegde periode (door wijziging van de tenlastelegging) van de feiten 1 tot en met 3 aanzienlijk opgerekt. Verdachte heeft echter gedetineerd gezeten van 11 december 2005 tot en met 2 augustus 2007 en kan reeds daarom niet betrokken zijn geweest bij hetgeen hem wordt verweten voor die periode. Met betrekking tot feit 3 voert de raadsman daarnaast nog aan dat dit verwijt eveneens gestoeld is op de verklaringen van de Franse getuigen. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn echter tegenstrijdig, waardoor niet te bepalen is wat de rol van verdachte in het geheel is geweest. De verklaring van [getuige 2] acht de raadsman ongeloofwaardig en daarom onbruikbaar voor het bewijs. De verklaring van [getuige 1] is dan de enige verklaring die als bewijs kan dienen, maar deze vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Evenmin is er sprake van een zekere hiërarchie in het samenwerkingsverband. Ook blijkt niet dat er een bepaalde druk op de deelnemers wordt uitgeoefend.

Naast de verklaringen van de Fransen is er slechts sprake van drie incidenten. Zelfs indien de rechtbank de betrokkenheid van verdachte bij deze incidenten bewezen acht, dan nog blijven dit slechts los van elkaar staande incidenten. De betrokkenheid van verdachte is gebaseerd op ad hoc gebeurtenissen, waarbij geen sprake is van enige duurzaamheid of structuur. Zijn betrokkenheid gaat niet verder dan het verrichten van hand- en spandiensten.

Al met al is er daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van feit 3.

Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1]:

De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben in maart 2009 bij de politie en in december 2009 bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. Beide getuigen hebben verklaard dat ze al jaren verslaafd zijn aan heroïne en dat zij om de twee weken naar Nederland reden om drugs te kopen. Op sommige punten zijn hun verklaringen weliswaar over en weer tegenstrijdig en wijken hun latere verklaringen af van hun eerdere verklaringen. Daar staat echter tegenover dat beide getuigen op een aantal punten overeenstemmend verklaren. Ook vinden hun verklaringen deels bevestiging in andere bewijsmiddelen.

De rechtbank ziet daarom geen reden om de verklaringen van de Franse getuigen niet te gebruiken, maar zij zal dit doet met enige behoedzaamheid in die zin dat zij zich zal beperken tot gebruik van de passages die in een ander bewijsmiddel bevestigd worden.

De verruiming van de ten laste gelegde periode van de feiten 1, 2 en 3 is voor een groot gedeelte gestoeld op de verklaringen van de Franse getuigen [getuige 2] en [getuige 1], die verklaard hebben dat zij vanaf 2005 bij verdachte drugs hebben gekocht. Volgens opgave van de officier van justitie heeft verdachte echter van 11 december 2005 tot en met 2 augustus 2007 gedetineerd gezeten. Van de detentie van hun contactpersoon maken ook de getuigen melding. Wel is er enige onduidelijkheid in hun verklaringen over de periode dat de verdachte gedetineerd is geweest. Ook zijn hun verklaringen onvoldoende duidelijk of [andere naam verdachte], zoals zij verdachte aanduiden, en [alias verdachte], die zij ook als leverancier noemen, dezelfde persoon zijn. Overeenstemmend in hun verklaring is wel dat ze bij verdachte later in 2007 en in 2008 drugs hebben gekocht. Uit een opgenomen tapgesprek (ingesproken voicemailbericht) blijkt voorts dat verdachte zichzelf met [andere naam verdachte] aanduidt.

Als beginpunt van de periode van verkoop aan [getuige 2] en [getuige 1] gaat de rechtbank daarom uit van de dag volgend op die waarop de verdachte op vrije voeten is gekomen.

De getuigen [getuige 2] en Baroyer hebben verklaard dat zij van verdachte in 2007 en 2008 om de 14 dagen hoofdzakelijk heroïne, en soms een kleine hoeveelheid cocaïne hebben gekocht voor gebruik in Frankrijk. Op weg naar Nederland namen ze voorafgaande aan een koop telefonisch contact op met verdachte en maakten zij met behulp van versluierd taalgebruik kenbaar dat zij drugs wilden kopen. Vervolgens werden zij – meestal – door verdachte of – soms – door iemand anders naar een woning gebracht, waar zij de verdovende middelen verkregen. Zij namen de verdovende middelen in condooms mee, die zij in hun lichaamsopeningen verborgen. Bij elke transactie in deze periode waren verschillende personen betrokken, onder wie de verdachte.

Onderzoek van de telefoons van de verdachten wijst uit dat zij in de periode van 1 maart 2008 tot 7 oktober 2008 zeventig keer contact hebben gehad, althans hebben getracht contact te krijgen, met een telefoonnummer in gebruik bij verdachte en tweeëndertig keer met een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1].

Zaakdossier 1

Vanaf 17 september 2008 worden er telefoongesprekken opgenomen en beluisterd naar aanleiding waarvan het vermoeden bestaat dat door een onbekende Duitssprekende man met de roepnaam [A.] verdovende middelen worden besteld bij [medeverdachte 2]. In de telefoongesprekken wordt gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. Blijkens taps en observaties vindt er die dag een ontmoeting plaats tussen de auto in gebruik bij [medeverdachte 2] en een Volkswagen Golf met een Duits kenteken. Aansluitend aan de ontmoeting wordt door [medeverdachte 2] uitgebeld met [verdachte]. Dat verdachte [alias 2 verdachte] wordt genoemd blijkt uit verschillende tapgesprekken, observaties, de verklaring van [medeverdachte 5] en de verklaring van [medeverdachte 6]. [medeverdachte 2] deelt hem mede dat hij er over vijf minuten is. Het observatieteam ziet dat [alias 2 verdachte] het pand [A.weg] uitkomt en dat hij samen met een onbekende man en [medeverdachte 2] het pand aan de [D.straat] te Maastricht binnengaat. De Volkswagen met het Duitse kenteken staat geparkeerd in de directe omgeving van dit pand. [medeverdachte 2] geeft [alias 2 verdachte] telefonisch de opdracht om naar Heerlen te gaan en wat te halen om koffie in te doen. In een volgend gesprek zegt [alias 2 verdachte] dat hij net gemalen heeft en eraan komt. Korte tijd later ziet het observatieteam de Volkswagen voorzien van het Duits kenteken vertrekken. Deze Volkswagen wordt later in Luxemburg staande gehouden waarbij ongeveer 1 kilo hasjiesj en circa 50 gram heroïne worden aangetroffen. Onderzoek wijst uit dat het daadwerkelijk om hasjiesj en heroïne gaat en dat ook koffie is aangetroffen. Volgens de getuige [medeverdachte 3] diende de koffie om te voorkomen dat speurhonden van de politie bij een eventuele controle de verdovende middelen zouden ontdekken.

Zaakdossier 2

Vanaf 19 september 2008 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd naar aanleiding waarvan de politie het vermoeden heeft dat door een onbekende man van vermoedelijk Algerijnse afkomst verdovende middelen worden besteld bij [medeverdachte 2]. Na zijn aanhouding op 25 september 2008 kon deze afnemer geïdentificeerd worden als [medeverdachte 4].

Op 25 september 2008 wordt tijdens een observatie op de [D.straat] te Maastricht een ontmoeting waargenomen tussen verdachte en afnemer [medeverdachte 4]. Verdachte staat in de deuropening en zwaait naar [medeverdachte 4], waarna beiden het pand aan de [D.straat] binnengaan. Later ziet het observatieteam dat verdachte een zwart wit geblokte tas vanuit de woning in de kofferbak van de personenauto van [medeverdachte 4] laadt. Na aanhouding van [medeverdachte 4] wordt er in zijn auto een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Het betreft 5.890 gram hennep, 719 gram cocaïne en 4.078 gram amfetamine. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat verdachte de man is die alle verdovende middelen in zijn auto heeft gelegd.

Zaakdossier 4

Uit vanaf 18 juli 2009 opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en sms-verkeer kan worden afgeleid dat er door tussenkomst van verdachte verdovende middelen geleverd zullen worden aan een Franssprekende man, die zich telefonisch voorstelt als [M.]. Deze man stuurt een sms-bericht aan verdachte waarin hij zegt dat hij 80 “rabla”, 80 “mix” en 3 “coke kristal” moet hebben. Bij een observatie op 19 juli 2008 wordt vastgesteld dat de Franse afnemer [M.] en een hem vergezellende vrouw gebruik maken van een Peugeot 206 voorzien van het Franse kenteken [xxxxxxx]. Zij worden door verdachte opgevangen op de [7.straat] en ondergebracht in het pand [M.H.straat] te Maastricht. Hierna vindt een groot aantal telefoongesprekken plaats tussen verdachte en de in Marokko verblijvende [medeverdachte 2] over de afwikkeling van de te leveren partij verdovende middelen.

Bij bevraging van bovengenoemd Frans kenteken wordt bekend dat de kentekenhoudster [getuige 2] is. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek zijn [getuige 2] en [getuige 1] in Frankrijk als getuige gehoord. [getuige 2] heeft verklaard dat zij, samen met haar vriend [getuige 1], om de twee weken naar Nederland kwam om heroïne en af en toe cocaïne te kopen. Zij kochten de verdovende middelen altijd bij dezelfde personen. Tijdens haar verhoor werd een foto getoond van verdachte. [getuige 2] heeft verklaard dat zij hem herkende als haar contactpersoon. Hij was degene die haar het spul leverde in het appartement en het geld aannam. Tevens heeft zij verklaard dat ze gemiddeld om de vijftien dagen 50 gram heroïne kochten. Verder heeft [getuige 2] verklaard dat ze ook wel eens op krediet konden kopen.

Ook [getuige 1] is in Frankrijk gehoord. Hij heeft verklaard dat hij gemiddeld om de tien dagen naar Maastricht gaat om verdovende middelen te halen. [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte herkent als de persoon die de transacties afhandelde. Hij heeft verder verklaard dat hij dan telkens gemiddeld 100 gram heroïne kocht, maar de laatste vijf maanden slechts 50 gram. Ook nam hij elke keer een paar gram cocaïne, wat ook wel “Crystal” werd genoemd. Voor heroïne werd de term “rabla” gebruikt. Tevens heeft [getuige 1] verklaard dat het wel eens gebeurde dat hij handelswaar kon krijgen zonder te betalen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Verdachte is betrokken geweest bij het leveren van verschillende verdovende middelen aan buitenlandse kopers. Dit blijkt zowel uit de verklaringen van de afnemers [getuige 2], [getuige 1] en [medeverdachte 4] als uit verschillende tapgesprekken en observaties.

Uit de verklaringen van de Franse kopers komt naar voren dat zij met een grote frequentie naar Maastricht kwamen om heroïne en soms cocaïne te kopen. [getuige 2] verklaart daarbij dat verdachte haar contactpersoon was. Verder komt ook uit de tapgesprekken naar voren dat verdachte de contacten met de Franse kopers onderhield. De rechtbank stelt vast dat in de telefoongesprekken tussen verdachte en de kopers, maar ook tussen verdachte en zijn medeverdachten, wordt gesproken in een versluierd, gecodeerd taalgebruik over bijvoorbeeld “rabla” en “crystal”. [getuige 1] verklaart dat met de termen rabla en crystal heroïne en cocaïne worden bedoeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze dan wel soortgelijke termen veelvuldig worden gebezigd in het kader van de handel in verdovende middelen. Daarbij komt dat in de diverse telefoongesprekken wordt gesproken over aantallen, hoeveelheden en prijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte tevens betrokken geweest bij de levering van amfetamine, cocaïne en hennep aan [medeverdachte 4] en bij de levering van heroïne en hasjiesj aan [medeverdachte 3]. Dat hij slechts de tas met hennep en niet de andere verdovende middelen in de auto van [medeverdachte 4] heeft gelegd, doet daar niet aan af.

Het is een feit van algemene bekendheid dat buitenlanders naar Maastricht komen om harddrugs te kopen. De hoeveelheden die zijn geleverd zijn geen gebruikershoeveelheden die ter plekke geconsumeerd kunnen worden en bovendien werden de verdovende middelen door [getuige 1] en [getuige 2] in hun lichaamsopeningen verstopt. Daardoor moet het voor verdachte zonder meer duidelijk zijn geweest dat de buitenlandse kopers de verdovende middelen mee zouden nemen naar het buitenland.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met anderen heroïne, cocaïne, amfetamine, hennep en hasjiesj naar het buitenland heeft geëxporteerd.

Ten aanzien van feit 3:

Aan de verdachte wordt als derde feit verweten dat hij in de periode 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – verkort gezegd –het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde ‘criminele doelstelling’ (de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, een bepaalde mate van hiërarchie, of sturing van de leden van de organisatie.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1], uit telefoontaps en observaties blijkt dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie die tot oogmerk had het buiten het grondgebied brengen van verdovende middelen in de zin van de Opiumwet.

Verdachte was één van de leden van de organisatie, waarin verder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en vermoedelijk nog andere personen een rol speelden. Verdachte heeft met anderen over een langere periode samengewerkt in de handel in verdovende middelen, waarbij zij een bepaalde werkwijze hanteerden, via hun telefonisch contacten een versluierd taalgebruik hanteerden en gebruik maakten van bepaalde ontmoetingsplaatsen.

Er zijn aanwijzingen dat verdachte in de organisatie een ondergeschikte rol vervulde. Zo werd hij door [medeverdachte 2] directief toegesproken, verbleef hij illegaal in Nederland, beschikte hij over valse documenten, had hij geen legale middelen van bestaan en verrichte hij – in verband met de handel in drugs – hand- en spandiensten, zoals het ontvangen en beleveren van afnemers en het vervoeren van de handelswaar.

Voor het bewijs van het bestaan van een criminele organisatie is een hiërarchische verhouding met afdwingbare regels niet noodzakelijk. Voldoende is dat komt vast te staan dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband met een gezamenlijk crimineel doel. Dat is het geval. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deelgenomen heeft aan een organisatie die tot oogmerk had het brengen van heroïne, cocaïne en amfetamine buiten het grondgebied van Nederland.

Feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven. De beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst

d.d. 29 september 1999, waarbij verdachte ongewenst is verklaard, is op 5 oktober 1999 in persoon aan verdachte uitgereikt.

Feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een vals Belgisch rijbewijs voorhanden heeft gehad gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie;

- het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming;

- het proces-verbaal technisch onderzoek valse documenten.

Feit 6

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een valse Belgisch identiteitskaart voorhanden heeft gehad gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie;

- het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming;

- het proces-verbaal technisch onderzoek valse documenten.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 3 augustus 2007 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en cocaïne en amfetamine, zijnde heroïne en cocaïne en amfetamine middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 3 augustus 2007 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

in de periode van 3 augustus 2007 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakten [medeverdachte 1]en [medeverdachte 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 11 derde, vierde en vijfde lid, namelijk het meermalen buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en cocaïne en amfetamine, in elk geval van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en hennep en hasjiesj, in elk geval van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

op 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

5.

op 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft voorhanden gehad een vervalst Belgisch rijbewijs, genummerd [xxxxxxxx]- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers betreft het een van een foto van hem, verdachte, voorzien rijbewijs welk rijbewijs afkomstig is uit een partij gestolen (blanco) rijbewijzen;

6.

op 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft voorhanden gehad een valse Belgische identiteitskaart, genummerd [XXXXXXXX] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers betreft het een van een foto van hem, verdachte, voorziene geheel valse op een Belgische identiteitskaart gelijkende kaart.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet;

feit 4:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard;

feiten 5 en 6:

opzettelijk het vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik ervan als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat volstaan kan worden met het reeds ondergane voorarrest.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Het is algemeen bekend dat de gemeente Maastricht en haar inwoners veel overlast ondervinden van de handel in verdovende middelen. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd en dat rekent de rechtbank verdachte aan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank daarom passend.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf neemt de rechtbank de strafnormen uit de ‘oriëntatiepunten straftoemeting en LOVS-afspraken’ (bijgewerkt 1 oktober 2009) voor de in- en uitvoer van harddrugs als uitgangspunt. Hierin worden drie categorieën daders onderscheiden, te weten ‘pakezels’, ‘standaard’ en ‘organisatie’. Bewezen is verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet, zodat de rechtbank zal uitgaan van de ‘organisatie’-categorie. Bij [medeverdachte 3] is onder meer 43 gram heroïne aangetroffen (zaaksdossier 01) en bij [medeverdachte 4] onder meer 719 gram cocaïne en 4.078 gram amfetamine (zaaksdossier 02). De Franse kopers [getuige 2] en [getuige 1] hebben verklaard dat zij om de twee weken tenminste 50 gram heroïne kochten (zaaksdossier 04). Nu bewezen is verklaard dat zij vanaf augustus 2007 tot 7 oktober 2008 harddrugs bij verdachte hebben gekocht, gaat de rechtbank uit van een uitvoer van 1.300 gram heroïne (waarbij de rechtbank voor één maand 4 weken telt). In totaal is dus in elk geval 6.140 gram aan harddrugs uitgevoerd. Gelet hierop is categorie 10 (van 6 tot 7 kilo) van toepassing, welke categorie staat voor 48 tot 51 maanden gevangenisstraf.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van softdrugs, te weten 6.884 gram in totaal (zaaksdossier 01 en 02) en deelname aan een criminele organisatie. Dit dient ten nadele van verdachte te worden verdisconteerd in een op te leggen straf.

Voorts dient bij de strafmaat de persoon van verdachte in aanmerking te worden genomen. Verdachte is al een keer eerder tot een aanzienlijke gevangenisstraf veroordeeld terzake de Opiumwet. Kennelijk heeft verdachte zich hierdoor niet laten afschrikken en andermaal besloten de Opiumwet te overtreden.

Ten slotte moet bij dit alles in aanmerking worden genomen dat verdachte als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijft, waarvoor blijkens voornoemde oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden staat, en heeft verdachte zich twee keer schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift doordat hij een vervalst Belgisch rijbewijs en een vals identiteitsbewijs voorhanden had.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren passend vindt.

6 Het beslag

De officier van justitie is van oordeel dat de in beslag genomen verdovende middelen (nr. 1, 2 en 3), het valse rijbewijs (nr. 16), de valse identiteitskaart (nr. 17) en de toegangspas (nr. 18) dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

De in beslag genomen centrifuge en het sealapparaat (nr. 40 en 41) dienen verbeurd te worden verklaard. De overige in beslag genomen voorwerpen dienen aan verdachte te worden teruggegeven (nr. 42 tot en met 55).

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen opmerkingen gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven centrifuge en sealapparaat met de nummers 40 en 41, waarvan niet is vastgesteld aan wie deze toebehoren, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen betreft met behulp waarvan het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde is begaan of voorbereid.

De rechtbank overweegt daartoe dat het een feit van algemene bekendheid is dat deze apparatuur gebruikt wordt voor de handel in verdovende middelen.

De rechtbank is verder van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 1 tot en met 3 en 16 tot en met 18 van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdovende middelen, het rijbewijs en de identiteitskaart voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 2 primair, 5 en 6 bewezen verklaarde is begaan. Uit de aard van het voorwerp met nummer 18 volgt dat het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

De overige in beslag genomen voorwerpen (nr. 42 tot en met 55) zullen aan verdachte worden teruggegeven.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 197 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd van 40 en 41;

- verklaart aan het verkeer onttrokken de voorwerpen die op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd van 1 tot en met 3 en van 16 tot en met 18;

- gelast de teruggave aan verdachte van de op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen, genummerd 42 tot en met 55.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en mr. Th.A.J.M. Provaas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 december 2009.

Buiten staat

Mr. Th.A.J.M. Provaas is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of

amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakte(n) [medeverdachte 1]en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8]en/of [medeverdachte 9] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 11 derde, vierde en vijfde lid, namelijk het meermalen, althans eenmaal (telkens) buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen, in elk geval het (telkens) bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van heroïne en/of cocaïne en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N ethyl-MDA en/of amfetamine, in

elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of hennep en/of hasjiesj, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op of omstreeks 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

5.

hij op of omstreeks 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e) een Belgisch rijbewijs, genummerd [xxxxxxxx]- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers betreft het een van een foto van hem, verdachte, voorzien rijbewijs welk rijbewijs afkomstig is uit een partij gestolen (blanco) rijbewijzen;

6.

hij op of omstreeks 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e) een Belgische identiteitskaart, genummerd [XXXXXXXX] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers betreft het een van een foto van hem, verdachte, voorziene geheel valse op een Belgische identiteitskaart gelijkende kaart.

BIJLAGE II: de beslaglijst

1 4 gram verdovende middelen

HASHISH

A96-1101 4 gram hash;

2 260 gram verdovende middelen

HASHISH;

3 110 gram verdovende middelen

HASHISH

A96-4401 1 plak hash;

16 1 Rijbewijs Kleur: roze

BELGIE

A96-2109 tnv bendriss chaabane;

17 1 Identiteitsbewijs Kleur: geel

NEDERLAND

[tnv medeverdachte 10](vals)+pasfoto;

18 1 Pas Kleur: wit

NEDERLAND

A96-2110 vingcard;

40 1 Centrifuge

A96-1104;

41 1 diverse goederen

HENKELMAN

A96-1103 sealapparaat;

42 1 stuk papier

A96-2113 agenda;

43 1 stuk papier

uitdraai internet woninghuur [M.straat] te baa;

44 1 stuk papier

A96-2115 div. bescheiden tnv;

45 1 stuk papier

A96-2116 schrijfblok ah a4 voorzien van notities;

46 1 stuk papier

A96-2121 div. schriftelijke bescheiden tnv;

47 1 stuk papier

A96-2122 div. schriftelijke bescheiden tnv;

48 1 stuk papier

A96-2127 bezorglabel;

49 4 Kentekenbewijs

NEDERLAND [xx-xxx-x]

A96-1102 kentekenbewijs deel 1x1a,2x1b en 1xdeel 2;

50 2 Verzekeringsbewijs [xx-xxx-x]

A96-1102 polisblad bromfiets;

51 1 Vrijwaringsbewijs

NEDERLAND [xx-xxx-x]

A96-1102 vrijwaringsbewijs datum 09-09-2006;

55 1 Document

A96-2131 div bankbescheiden en notities.