Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK6853

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
03/706036-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewindvoerder vrijgesproken van valsheid in geschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/706036-07

Datum uitspraak: 8 december 2009

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 december 2009 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 1999 tot en met 17 februari 2007 te

Gulpen, in de gemeente Gulpen-Wittem, in elk geval in het arrondissement

Maastricht, in de

- rekening en verantwoording over de periode van 1-6-1999 tot en met

31-12-1999 te name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM1391 Zaaknr 59039.

rep.nr 814/1999) en/of

- rekening en verantwoording over de periode 1-1-2000 tot en met 31-12-2000 te

name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM111392) en/of

- rekening en verantwoording over de periode 1-1-2001 tot en met 31-12-2001 te

name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM111392) en/of

- rekening en verantwoording over de periode 1-1-2002 tot en met 31-12-2002 te

name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM111392) en/of

- rekening en verantwoording over de periode 1-1-2003 tot en met 31-12-2003 te

name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM111392) en/of

- rekening en verantwoording over de periode 1-1-2004 tot en met 31-12-2004 te

name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM111392) en/of

- rekening en verantwoording over de periode 1-1-2005 tot en met 31-12-2005 te

name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM111392) en/of

- rekening en verantwoording over de periode 1-1-2006 tot en met 31-12-2006 te

name [naam slachtoffer]. (kenmerk BM111392) en/of

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte (telkens) valselijk in voornoemde rekening(en) en

verantwoording(en) minder vermogen vermeld dan voornoemde [naam slachtoffer] in

werkelijk had, te weten het niet melden van vermogen/tegoeden welke die

[naam slachtoffer] had op een Belgische bankrekening (KBC),

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op of omstreeks 26 augustus 2007 te Gulpen, in de gemeente Gulpen-Wittem, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een brief, gedateerd 26 augustus 2007, aan de Rechtbank Maastricht Sector Kanton bewindsbureau - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk in die brief vermeld, -van het eventueel bestaan van banktegoeden in het buitenland ben ik nooit op de hoogte geweest-, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De ontvankelijkheid van de Officier van Justitie:

De rechtbank heeft aan de hand van de tapgesprekken zoals weergegeven op pagina 312 van de doornummering met PV-nummer HUISLIJN01 vastgesteld dat verdachte een gesprek heeft gevoerd met een deken (RK-priester). Aldus behelst dit proces-verbaal een weergave van een gesprek van de verdachte met een geheimhouder. Met het in artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vervatte voorschrift is beoogd het belang te beschermen dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking aan een verschoningsgerechtigde (zoals een deken) mededelingen te kunnen doen. Het voorschrift strekt ertoe dat gegevens die als gevolg van de toepassing van - onder meer - artikel 126m van het Wetboek van strafvordering zijn verkregen, onmiddellijk worden vernietigd indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces, dus ook bij het onderzoek ter terechtzitting, geen acht kan worden geslagen (vgl. NJ 1999, 290). Uit artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vloeit dus voort dat gegevens als in die bepaling bedoeld niet in het strafproces kunnen worden gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat getapte telefoongesprekken tussen de verdachte en de deken niet ter vernietigingsbeoordeling zijn uitgewerkt en in ieder geval niet terstond voor die beoordeling aan het openbaar ministerie zijn aangeboden. De rechtbank is van oordeel, op grond van de beschikbare gegevens, dat de mededelingen van verdachte aan de deken niet in diens hoedanigheid van verschoningsgerechtigde zijn gedaan. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat dit wel het geval is, leidt het verzuim evenmin tot niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie, of een ander eventueel daaraan te verbinden gevolg. De inhoud van de gesprekken met de deken waren immers zakelijk en hebben ook geen sturend karakter gehad voor het opsporingsonderzoek en ook overigens is niet gesteld of gebleken dat verdachte door het verzuim in zijn belang is geschaad. De verdachte heeft op dit punt ook geen verweer gevoerd.

De vaststaande feiten:

Op 10 april 1990 heeft [naam slachtoffer], wonend in Gulpen, een bankrekening bij de KBC-bank (toen nog KB-bank geheten) geopend in Hasselt (België).

Op 1 juni 1999 is [naam slachtoffer] (geboren op 17 mei 1925) bij beschikking van de Kantonrechter te Maastricht onder beschermingsbewind gesteld. Als bewindvoerder is verdachte benoemd.

Op 6 augustus 2002 is [naam slachtoffer] met [H.], die destijds deken was van het rooms-katholieke dekenaat Gulpen, naar de KBC-bank gegaan. [naam slachtoffer] heeft toen alle waarden die op zijn rekening stonden (een portefeuille beleggingsfondsen waarvan de waarde niet uit het dossier blijkt) overgeboekt naar een rekening van [H.]. [naam slachtoffer] bedoelde dit kennelijk als schenking aan de rooms-katholieke kerk, maar [H.] heeft de schenking kennelijk voor zichzelf gehouden. [H.] is ter zake vervolgd, maar is op 28 juli 2007 overleden, voordat hij terecht had gestaan.

[naam slachtoffer] is op 28 december 2006 overleden. Zijn enige erfgenamen waren neven en nichten.

Verdachte was penningmeester van de rooms-katholieke kerk in Gulpen. Verdachte heeft als penningmeester van de kerk in Gulpen gelden geaccepteerd, die afkomstig waren van [naam slachtoffer]. Zo heeft hij in 2000 als penningmeester 19.000,= gulden geaccepteerd van [naam slachtoffer] ten behoeve van schilderwerk aan de kerk, zonder de daarvoor vereiste toestemming aan de kantonrechter te vragen. Hij heeft die schenking wel gemeld in zijn jaarlijkse rekening en verantwoording aan de kantonrechter.

Op 8 november 2007 heeft de kantonrechter van de rechtbank in Maastricht aangifte gedaan tegen verdachte ter zake zijn handelen in deze.

Het requisitoir:

De officier van Justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder 1 voor wat betreft de periode 1-1-2002 tot en met 31-12-2002 en het ten laste gelegde onder 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van [H.] inhoudende dat verdachte [H.] een “pastorale tip” heeft gegeven over zwart geld van [naam slachtoffer] en de verklaring van [naam getuige 1] die de verklaring van [H.] op onderdelen ondersteunt. Voorts blijkt uit de verklaringen van [naam getuige 2], [naam getuige 3], [naam getuige 4] en [naam getuige 5] dat verdachte op de hoogte was van de buitenlandse rekening van [naam slachtoffer].

De Officier van Justitie heeft ter zitting erop gewezen dat verdachte als penningmeester van de kerk in Gulpen gelden heeft geaccepteerd, die afkomstig waren van [naam slachtoffer], die tegelijkertijd onder bewindvoering van verdachte stond. Gelet op deze dubbelrol heeft verdachte, zo stelt de Officier van Justitie, een belang gehad bij de transacties tussen [H.] en [naam slachtoffer] en het verborgen houden van het zwarte geldcircuit.

De Officier van Justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en na aanpassing van zijn eis tevens tot een beroepsverbod als bewindvoerder voor de duur van vijf jaren. De officier van justitie heeft in zijn eis rekening gehouden met de omstandigheid dat het tenlastegelegde oude feiten betreft en met de leeftijd van verdachte.

Het standpunt van de verdediging:

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd - zakelijk weergegeven- dat de verklaringen van [H.] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat die onbetrouwbaar en niet eenduidig zijn. Dat geldt ook voor de verklaringen van [naam getuige 1], die zijn gebaseerd op wat [H.] haar heeft verteld

De verklaringen van getuigen, inhoudende wat zij [naam slachtoffer] hebben horen zeggen kunnen ook niet als bewijs worden gebruikt omdat die getuigen, doordat zij onderling veel over de kwestie hebben gesproken, gaandeweg gezamenlijk de onjuiste veronderstelling dat verdachte op de hoogte was van de bankrekening van [naam slachtoffer] in België tot feit kunnen hebben verheven. De erfgenamen van [naam slachtoffer] kunnen bewust onjuist hebben verklaard omdat zij daar als erfgenamen belang bij hebben of uit onvrede over verdachte. Voorts kan [naam slachtoffer] zelf bewust dan wel onbewust niet naar waarheid hebben verklaard.

Tenslotte is in deze zaak niet één onafhankelijk bewijsmiddel dat kan dienen voor het tenlastegelegde, te weten dat verdachte wist van de buitenlandse rekening, hoewel er intensief onderzoek is gedaan door de politie en het Openbaar Ministerie

De vrijspraak

Ondeugdelijkheid van het onderzoek:

De rechtbank is van oordeel dat de kwaliteit van het door de politie verrichte onderzoek te wensen overlaat en dat het toezicht op dit politieonderzoek tekort is geschoten. Ter onderbouwing van dat oordeel wijst de rechtbank, onder andere, op de volgende feiten en omstandigheden.

1) Door [naam getuige 3], die blijkens zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring werkzaam is bij de politie, is namens zijn oom [naam slachtoffer] aangifte gedaan ter zake van verduistering tegen [H.] en verdachte. Het proces-verbaal van aangifte sluit af met de opmerking dat verbalisant [naam verbalisant] de verklaring van aangever [getuige] had voorgelezen, dat deze volhardde en dat er vervolgens door beiden is getekend. Ter terechtzitting heeft [naam getuige 3] desgevraagd verklaard dat hij de aangifte zelf heeft opgesteld en getypt. Van enige vorm van toetsing van die aangifte, bij het opnemen daarvan, blijkt niet. De Officier van Justitie heeft voor deze oneigenlijke gang van zaken geen verklaring kunnen gegeven en was daar ook niet van op de hoogte.

2) In het proces-verbaal van verhoor van [naam getuige 2] staat: ”Ten aanzien van [naam verdachte] had ik gaarne nog vermeld dat [naam verdachte] een aantal malen aan derden heeft aangegeven dat hij niets te maken wilde hebben met eerdergenoemde Belgische bankrekening”. De verbalisanten hebben niet gevraagd wat de redenen van wetenschap van deze getuige zijn en wie die derden waren. Ter terechtzitting heeft [naam getuige 2] desgevraagd verklaard dat hij niet wist wie die derden waren en dat hij slechts op geruchten af is gegaan.

3) De politie en de Officier van Justitie hebben niet onderkend dat de stukken die door de KBC-bank zijn verstrekt, en die zich in het dossier bevinden, ook een belangrijk ontlastend gegeven voor verdachte bevatten: namelijk de afspraak tussen [naam slachtoffer] en de bank, bij opening van de rekening, dat de correspondentie op de bank zou blijven en dus niet naar [naam slachtoffer] gestuurd zou worden. Van een wijziging van die afspraak blijkt niet uit het dossier.

4) De verbalisanten van het Bureau Financiele Recherche van de Regiopolitie Limburg-Zuid hebben echter in een verhoor op 9 december 2008 (pagina 446) tegen verdachte gezegd dat de rekeningafschriften van de KBC-bank werden gezonden aan het huisadres van [naam slachtoffer]. Uit niets blijkt waar die stelling op gebaseerd is. De Officier van Justitie heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat ook niet te weten. Voorts is het niet versturen van correspondentie bij geheime tegoeden niet ongebruikelijk.

5) In het dossier worden verschillende bedragen genoemd die [naam slachtoffer] op zijn rekening bij de KBC-bank in Hasselt gehad zou hebben. Hoe die bedragen zijn berekend blijkt niet uit het dossier. De Officier van Justitie heeft desgevraagd ter zitting ook geen onderbouwing van die bedragen kunnen geven.

Deze wijze van onderzoek geeft naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van een open en kritisch tegemoet treden van de aangifte van een collega-politieambtenaar, die daar persoonlijk belang bij kan hebben. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de getuigen, mogelijk heeft daarbij een rol gespeeld dat het daarbij ook familieleden van de collega-politieambtenaar betrof, open en kritische bevraagd zijn.

Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank met de nodige voorzichtigheid de getuigenverklaringen, zoals in het dossier weergegeven, meeweegt in de beoordeling.

Beoordeling van de getuigenverklaringen:

Centraal staat de vraag of verdachte in de tenlastegelegde periode op de hoogte is geweest van tegoeden van [naam slachtoffer] op een bankrekening bij de KBC-bank in België. Met betrekking tot de beschikbare getuigenverklaringen overweegt de rechtbank daartoe als volgt.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [H.]

Uit het dossier blijkt dat [H.] vaker loog. Ook blijkt hij er belang bij had te verklaren dat verdachte hem had getipt over zwarte tegoeden van [naam slachtoffer] in België die [naam slachtoffer] kwijt wilde. Dat stelde zijn eigen rol immers in een minder kwaad daglicht.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam slachtoffer] en de de-auditu-verklaringen

[naam slachtoffer] is met ingang van 1 juni 1999 onder bewind gesteld omdat hij als gevolg van zijn lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat was ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen. Dat op zichzelf betekent reeds dat diens verklaringen met de nodige voorzichtigheid moeten worden beoordeeld. Daarnaast roepen zijn verklaringen twijfel op gelet op het navolgende:

-[naam getuige 5] heeft op 21 maart 2007 verklaard (pagina 143): “Ik weet wel van ‘mams’ dat [naam slachtoffer] een keer met dhr. [naam verdachte] in België was geweest om dat geld op te halen. Achteraf bleek echter dat [naam slachtoffer] daarover tegenover ‘mams’ gelogen had en dat hij zelf met [H.] naar de bank in België was gereden.”

-[naam getuige 3] heeft op 23 november 2006 verklaard (pagina 125): “Vervolgens heb ik een gesprek met mijn oom gehad (…) De bankafschriften van de KBC in Hasselt zou dhr. [naam verdachte] hebben omdat deze de bewindvoerder is en de boekhouding van mijn oom doet.” Vergelijkbaar heeft [naam getuige 3] verklaard op 23 november 2006:”Mijn oom zei dat de bankbescheiden van de KBC zich bevinden bij de bewindvoerder, dhr. [naam verdachte] te Gulpen.”

Op het bankafschrift betreffende de opening van de rekening van [naam slachtoffer] bij de KBC bank in Hasselt (pagina 403) staat echter:”Domiciliëring correspondentie: KB-vestiging VAC-SUC. HASSELT.” Dat geeft kennelijk de afspraak weer dat de bankafschriften niet werden verzonden maar op de bank bleven.

-[naam getuige 4] heeft op 1 maart 2007 verklaard;”Hij ([naam slachtoffer]) vertelde mij toen ook dat hij samen met [H.], in de auto van [H.], naar de bank in Hasselt was gereden en aldaar zou het geld zijn overhandigd. Ik begreep van mijn oom dat hij dit geld cash had opgenomen en aan [H.] had overhandigd.”

Het betreffende bankafschrift (pagina 407) vermeldt echter een overboeking van alle waarden in depot van de rekening van [naam slachtoffer] naar die van [H.]. Het betrof dus, anders dan [naam slachtoffer] volgens [naam getuige 4] had verklaard, geen opname in cash.

-[naam getuige 2] heeft op 27 februari 2007 verklaard:”Met name de laatste jaren was de geestelijke gesteldheid van mijn oom niet meer al te best. Hij was dementerende doch hij had wel vaak heel goede momenten.

-[naam getuige 3] heeft op 23 november 2006 verklaard:”Afgelopen week vond er met mijn nicht [naam getuige 4] en mijn neef [naam getuige 2] een gesprek plaats met mijn oom. Daarbij werd de kwestie nog een keer aangehaald. Vervolgens heb ik een gesprek met mijn oom gehad. Hij verklaarde mij daarbij dat hij met de deken naar de KBC bank in Hasselt was gegaan en aldaar een geldbedrag van zijn rekening had opgehaald. Hij wist niet hoe groot het bedrag was en schatte dit op 20.000 gulden. Precies wist hij het niet. Hij wist niet in welk jaar hij het geld had gegeven. De bankafschriften van de KBC in Hasselt zou dhr. [naam verdachte] hebben omdat deze de bewindvoerder is en de boekhouding van oom doet. Ik confronteerde mijn oom met het gegeven dat ik van de familie had gehoord dat het bedrag 400.000 gulden betrof. Hierop zei hij dat hij het niet meer precies wist. (…) De gift van mijn oom vond volgens hem plaats na het overlijden van zijn vrouw/mijn tante op 21/05/1998. Volgens mijn oom betaalde men destijds nog met guldens.”

Deze verklaring versterkt de twijfels over het geheugen van [naam slachtoffer] of zijn wil om volledige openheid van zaken te geven. Onaannemelijk is bijvoorbeeld dat [naam verdachte] bankafschriften zou hebben. Onjuist is dat ten tijde van de schenking op 6 augustus 2002 nog in guldens werd betaald.

Bovenstaande verklaringen roepen derhalve de nodige vragen op. Aangezien [naam slachtoffer] en [H.] inmiddels overleden zijn kunnen die vragen niet meer bevredigend worden beantwoord en kan voornoemde twijfel aan de juistheid van hun verklaringen niet meer worden weggenomen.

De rechtbank betrekt bij dit oordeel het gegeven dat ondanks uitgebreid onderzoek het dossier geen ander bewijs bevat dan verklaringen van getuigen dat verdachte kennis had van de bankrekening van [naam slachtoffer] in België. Dit alles ondanks het feit dat de telefoon van verdachte is getapt, zijn woning is doorzocht, in België onderzoek is verricht en de administratie betreffende [naam slachtoffer] vermogen is onderzocht. Hieruit is niets naar voren gekomen dat belastend is voor verdachte. Integendeel: dit onderzoek heeft, hoewel niet onderkend door de politie en de Officier van Justitie, ook een belangrijk ontlastend gegeven voor verdachte opgeleverd: te weten de bovenvermelde afspraak tussen [naam slachtoffer] en de bank, bij opening van de rekening, dat de correspondentie op de bank zou blijven en dus niet naar [naam slachtoffer] gestuurd zou worden.

Gezien deze afspraak gaat de rechtbank er van uit dat de KBC-bank de correspondentie niet aan [naam slachtoffer] verstuurde.

Het bovenstaande tast de geloofwaardigheid van de verklaringen van [H.] en [naam slachtoffer] zo sterk aan dat die niet zonder meer voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Datzelfde geldt voor de verklaringen van getuigen voor zover zij hebben verklaard over wat zij [H.] en [naam slachtoffer] hebben horen zeggen.

De stelling van de Officier van Justitie dat verdachte gezien zijn dubbelrol van bewindvoerder en kerkbestuurder een belang had bij de transacties tussen [H.] en [naam slachtoffer] en het verborgen houden van het zwarte geldcircuit, doet aan het voorgaande niet af en voorts hecht de rechtbank daar ook geen betekenis aan omdat deze stelling onvoldoende concreet onderbouwd en speculatief is. Daarbij speelt een rol dat niet gebleken is dat geld, afkomstig van [naam slachtoffer] rekening bij de KBC bank, naar verdachte of de kerk in Gulpen waar hij penningmeester was is gevloeid.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat [naam slachtoffer] een bankrekening met tegoeden had bij de KBC-bank in België. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van wat hem onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

DE BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.O. de Vries, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. H.M.H. de Koning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 december 2009