Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK6596

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
122130 / HA ZA 07-757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzen vordering: de door eiser, buiten medeweten van gedaagde getroffen dading met de wederpartijen, waaronder die in de toen nog lopende Hofprocedure, het benodigde causale verband tussen de aan gedaagde verweten beroepsfouten en de gevorderde schade op voorhand definitief heeft doorgesneden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122130 / HA ZA 07-757

Vonnis van 29 juli 2009

in de zaak van

[Naam eiser],

wonende te Heerlen,

eiser,

advocaat mr. J.A.M.G. Vogels,

tegen

[Naam gedaagde],

wonende te Maastricht,

gedaagde,

advocaat mr. Ch.M.E.M. Paulussen.

Partijen zullen hierna [eiser en gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 november 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 25 januari 2008

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1. In deze procedure vordert [Eiser] schadevergoeding van zijn vroegere advocaat [Gedaagde] stellende dat deze één of meerdere beroepsfouten heeft gemaakt.

Een tweetal beroepsfouten zouden zijn gemaakt in de door [Gedaagde] voor [Eiser] gevoerde procedure tegen de erven [Naam]. In eerste aanleg heeft de rechtbank Maastricht bij vonnis d.d.17 oktober 2002 een beroep op verjaring van de erven gehonoreerd en de vordering afgewezen. De eerste beroepsfout van [Gedaagde] zou dan ook zijn dat hij die verjaringstermijn niet heeft bewaakt ofwel gestuit.

In tweede aanleg zou [Gedaagde] de feitelijke onderbouwing van de gestelde en aan de erven verweten onrechtmatige daad niet naar behoren hebben ingericht, waardoor het Hof bij eindarrest d.d 21 september 2004 de vordering andermaal heeft afgewezen.

De derde beroepsfout houdt in dat [Gedaagde] zijn cliënt [Eiser] niet heeft geadviseerd, waar hij tot adviseren gehouden was. Dat betreft het punt dat [Gedaagde], nadat hij in voornoemde appelprocedure kennis had genomen van de door de erven ingediende memorie van antwoord d.d. 10 februari 2004, [Eiser] had moeten adviseren dat de in de procedure gevorderde nakoming van de optie-overeenkomst tot levering van een bepaalde onroerende zaak – te weten het pand aan [het adres] (verder: het pand) - niet meer mogelijk was maar wel een (nog in te stellen) vordering tot vervangende schadevergoeding. [Gedaagde] heeft [Eiser] daar niet op gewezen noch over geadviseerd, waardoor [Eiser] op basis van een onvolledige of onjuiste informatie nadien een vaststellingsovereenkomst met ondermeer die erven is aangegaan. Door die vaststellingsovereenkomst is die mogelijke claim tot vervangende schadevergoeding verloren gegaan voor [Eiser].

2.2. [Gedaagde] heeft deze vordering en hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd gemotiveerd bestreden. Het meest verstrekkende verweer van [Gedaagde] luidt dat de vordering moet worden afgewezen omdat [Eiser] – hetgeen [Gedaagde] eerst in deze procedure ter kennis is gekomen – op 23 juli 2004 met de betreffende andere partijen, waaronder de erven, een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, waardoor ieder causaal verband tussen de gestelde beroepsfouten van [Gedaagde] en de in deze procedure van [Gedaagde] geclaimde schade is komen te vervallen.

2.3. [Eiser] wijst erop dat in de vaststellingsovereenkomst – meer in het bijzonder in artikel 3 – reeds werd uitgegaan van de beroepsfout van mr. [Gedaagde], zodat het feit dat de dading vóór het arrest van het Hof werd gesloten, hem niet kan worden tegengeworpen. Verder wijst [Eiser] erop dat de aanspraken op het voornoemde pand niet door de erven zijn gehonoreerd en derhalve niet hebben meegewogen bij de inhoud van de overeenkomst.

2.4. De rechtbank zal de vordering van [Eiser] tegen [Gedaagde] afwijzen omdat de door [Eiser], buiten medeweten van [Gedaagde] getroffen dading met de wederpartijen, waaronder die in de toen nog lopende Hofprocedure, het benodigde causale verband tussen de aan [Gedaagde] verweten beroepsfouten en de gevorderde schade op voorhand definitief heeft doorgesneden. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.

2.4.1. Volgens artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek binden bij een vaststellingsovereenkomst partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.

2.4.2. De betreffende vaststellingsovereenkomst is zowel qua partijen als qua onderwerpen en reikwijdte zeer ruim geformuleerd. In het bijzonder wijst de rechtbank op hetgeen bepaald is onder sub G. Daarin wordt opgesomd dat tussen partijen “meerdere rechtsgeschillen betreffende niet-nagekomen afspraken, claims, onrechtmatige gedragingen, alles in de ruimste zin van het woord, schadevergoedingen e.d. (zijn) ontstaan uit” door [Eiser] en “wijlen [Naam] voornoemd, danwel door hem vertegenwoordigde rechtspersoon/personen gemaakte afspraken, gesloten overeenkomsten en/of verrichte handelingen en/of rechtshandelingen”. Daarna laten partijen onder H. volgen: “Partijen bij elkaar te rade zijn gegaan om te komen tot een definitieve afhandeling van reeds lang slepende zaken en procedures over en weer”. Daarna volgt dat partijen (kort gezegd) overeenkomen dat [Eiser] EUR 30.000,-- aan de andere partijen betaalt, waartegenover die zorgdragen voor doorhaling van een bepaald hypotheekrecht rustend op een (ander) pand van een besloten vennootschap van [Eiser]. Die betaling geschiedt “voorts tegen finale kwijting over en weer, betreffende ALLE (buiten-)gerechtelijke geschillen, procedures en overeenkomsten, inclusief daarop gebaseerde overeenkomsten en al hetgeen daaruit (in)direct voortvloeit, tussen” partijen. “In elk geval de gerechtelijke procedure die thans bij Hof Den Bosch (de eerder gememoreerde procedure, toevoeging rechtbank) aanhangig is tussen” partijen “zal worden gecontinueerd, echter uitsluitend om formele redenen (verzekeringstechnisch, in verband met mogelijke aansprakelijkheid van de raadsman ([Gedaagde], toevoeging rechtbank)”. Vervolgens spreken partijen af dat zij geen royement van die procedure zullen vragen en legt [Eiser] zich erop vast dat hij (als oorspronkelijk eisende partij in die procedure) dat arrest niet ten uitvoer zal leggen en dat hij “ongeacht hoe de uitspraak in deze procedure ook zal luiden” de andere partijen niet aansprakelijk zal stellen.

Onder punt 4. wordt vastgelegd dat na betaling en hypothecaire doorhaling partijen niets meer jegens elkaar verschuldigd zijn uit hoofde van de tot op heden door hen gesloten overeenkomsten, gezamenlijke gevoerde rechtshandelingen, door de ene partij jegens de andere partij verrichte (rechts-)handelingen en/of gedragingen (waaronder ook begrepen nalaten), zodat zij elkaar over en weer nu vooralsdan volledige en finale kwijting verlenen voor alle tussen hen bestaande en toekomstige (buiten-)gerechtelijke geschillen c.q. procedures. Tot slot spreken partijen af dat alle proceskosten in alle procedures, waaronder de lopende bij het Hof, worden gecompenseerd.

2.4.3. Uit de hierboven weergegeven vaststellingsovereenkomst volgt dat [Eiser] – in de woorden van artikel 900 voornoemd – zich heeft gebonden, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hem en de wederpartijen gold of geldt (ondermeer met betrekking tot de door [Eiser] in die Hof-procedure geclaimde aanspraken op het pand) aan een bepaalde vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. [Eiser] die in de Hofprocedure immers aanspraak maakte op de vaststelling van een bepaalde rechtstoestand – nakoming van een koopoptie – heeft daarvan definitief afgezien. Veronderstellenderwijs aannemende dat [Gedaagde] de hierboven als eerste en/of tweede genoemde beroepsfout heeft gemaakt, kan daarvan in ieder geval (door de door [Eiser] gesloten dading) niet meer het schadelijk gevolg zijn (geweest) dat [Eiser] de nakoming van de koopoptie niet meer heeft kunnen verzilveren. Anders gezegd, van die beroepsfout(en) kan niet meer het gevolg zijn dat hij het bedoelde pand niet meer in eigendom heeft verworven. Die eigen keuze van [Eiser] wordt door [Gedaagde] dan ook terecht in deze procedure aan hem tegengeworpen.

2.5. Ook de derde, aan [Gedaagde] verweten beroepsfout kan [Eiser] niet baten. Door [Gedaagde] – hetgeen [Gedaagde] in feite ook naar voren brengt door er op te wijzen dat hij eerst in deze procedure te weten is gekomen dat er door [Eiser] een vaststellingsovereenkomst is gesloten - niet te informeren over c.q. te betrekken bij de op handen zijnde vaststellingsovereenkomst heeft hij [Gedaagde] op voorhand de mogelijkheid ontnomen om hem te wijzen op de mogelijke claim van vervangende schadevergoeding. Daarnaast is de vaststellingsovereenkomst zo ruim geformuleerd in al haar aspecten dat [Eiser] zich moet hebben gerealiseerd dat hij ook “eventuele claims” op zijn wederpartijen op voorhand definitief prijs gaf.

2.6. Tegen de achtergrond van het aan [Gedaagde] gemaakte verwijt had [Eiser] de (tekst van de) vaststellingsovereenkomst integraal bij dagvaarding dienen over te leggen. Door dat noch toen te doen, noch – terwijl [Gedaagde] daarom bij conclusie van antwoord had gevraagd – dat voorafgaande aan de comparitie van partijen te doen maar eerst bij repliek dat document over te leggen, heeft [Eiser] zichzelf in de positie gebracht dat [Gedaagde] pas ten gronde op basis van die vaststellingsovereenkomst verweer kon voeren bij dupliek. De rechtbank ziet in die processuele opstelling van [Eiser] redeb hem niet alsnog in de gelegenheid te stellen om te reageren op het terzake door [Gedaagde] bij dupliek gevoerde verweer. Bovendien is [Eiser] in de gelegenheid geweest om op de dupliek te reageren door bijvoorbeeld pleidooi te vragen of op dat specifieke punt een akte te nemen. Daarenboven geldt dat [Eiser] bedacht kon zijn – gelet op het bij antwoord aangevoerde omtrent de betekenis van die vaststellingsovereenkomst – op het door [Gedaagde] te voeren verweer van het ontbreken van het causale verband.

2.7. Juist in verband met de betekenis welke [Gedaagde] aan die vaststellingsovereenkomst zou kunnen gaan verbinden, althans daarvan heeft het naar het oordeel van de rechtbank alle schijn, heeft [Eiser] zijn eis bij repliek vermeerderd en/of gewijzigd stellende dat hij – aldus [Gedaagde] een vierde beroepsfout verwijtend - nodeloos op advies van [Gedaagde] procedures (voornoemde rechtbank- en hofprocedures) zou zijn gestart met als schade hoge en nodeloze proceskosten.

2.8. Terecht heeft [Gedaagde] bij dupliek er naar het oordeel van de rechtbank op gewezen dat [Eiser] terzake deze eerst bij repliek gestelde, nieuwe beroepsfout van [Gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Op grond van welke feiten en omstandigheden het advies van [Gedaagde] tot het voeren van die procedures “nodeloos” zou zijn geweest, heeft [Eiser] niet duidelijk gemaakt. Om die reden zou dit onderdeel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank moeten worden afgewezen.

2.9. Daaraan gaat echter de vraag vooraf of [Eiser] bij hetgeen hij op dit punt vordert wel een voldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW[.] Verrassend genoeg heeft [Eiser] geen opstelling gemaakt van de door hem door die vierde beroepsfout van [Gedaagde] geleden proceskostenschade. Evenmin heeft [Eiser] een vordering tot schadevergoeding in een geldbedrag geconcretiseerd. [Eiser] moet daar anno 2008 toch toe in staat zijn geweest. In plaats daarvan vordert [Eiser] enkel een verklaring voor recht dat [Gedaagde] verplicht is de kosten van die procedures te vergoeden. In verband met een en ander houdt [Eiser] zich het recht voor na een veroordelend vonnis deze schadeposten separaat in beeld te brengen.

2.10. De rechtbank is van oordeel dat [Eiser] geen voldoende belang heeft bij de – in verband met deze gestelde, vierde beroepsfout van [Gedaagde] – gevraagde verklaring voor recht. [Eiser] mag zijn vordering niet splitsen in een afzonderlijke verklaring voor recht en een later aan te brengen geldvorderingszaak omdat de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging eisen dat die vorderingen – bijzondere omstandigheden daargelaten – bij elkaar dienen te worden gehouden in één procedure. Om deze reden zal in plaats van afwijzing van dit onderdeel van zijn vordering [Eiser] in dit onderdeel niet worden ontvangen.

2.11. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [Eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagde] tot op heden begroot op EUR 4.732,-- (vast recht) en EUR 7.740,-- (salaris advocaat).

3.2. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. verklaart [Eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevorderde verklaring voor recht.

3.4. wijst de overige vorderingen van [Eiser] af,

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.J. Frénay en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2009.[.]