Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK6478

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
14-12-2009
Zaaknummer
113608 / HA ZA 06-886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De kosten voor rechtsbijstand worden tweemaal getoetst aan de redelijkheid. Voor één toets wordt (mede) gebruik gemaakt van het liquidatietarief in onteigeningszaken. De andere toets vindt plaats aan de hand van de door de gemeente in het kader van de onteigening te betalen schadevergoeding. Vervolgens blijkt dat de kosten voor rechtsbijstand zo hoog zijn dat in redelijkheid de verweerder niet heeft kunnen besluiten tot deze uitgaven terwijl voorts blijkt dat er een volledige disproportie is tussen deze kosten voor rechtsbijstand en het in de procedure betrokken belang. De door de partijen opgegeven bedragen voor rechtsbijstand kunnen dus niet dienen om de vergoeding vast te stellen. De rechtbank heeft dan vervolgens de wel redelijke kosten moeten schatten en heeft voor de daartoe gebruikte begroting (wederom) gebruik gemaakt van het liquidatietarief in onteigeningszaken. Nadat de rechtbank op die basis de begroting heeft gemaakt is naar billijkheid een schatting gemaakt van de kosten voor rechtsbijstand, vorzover tot het laten ontstaan van deze kosten door de verweerders in redelijkheid kon worden besloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 113608 / HA ZA 06-886

Vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LANDGRAAF,

zetelend te Landgraaf,

eiseres,

advocaat mr. J.G.L. van Nus,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Naam B.V., ],

gevestigd te Echt, gemeente Echt-Susteren,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.M. Brouwers.

Partijen zullen hierna de Gemeente en [Naam B.V.] genoemd worden.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Bij tussenvonnis van 14 februari 2007 is de vervroegde onteigening uitgesproken ten name van en ten behoeve van de Gemeente van het eigendomsaandeel van [Naam B.V.] in de percelen, kadastraal bekend gemeente Landgraaf, sectie A 0023, sectie A 022 en A0021, grondplan 10,11 en 12 voor zoveel deze grond blijkens Koninklijk Besluit van 29 juni 2005 (overeenkomstig grondplan 10, 11 en 12 en overigens de onteigeningsdocumenten die deel uitmaken van dat KB) is aangewezen ter onteigening, te weten voor een omvang van respectievelijk 83 centiare (grondplan nr. 10), 6 are en 73 centiare (grondplan nr. 11), 17 are en 8 centiare (grondplan nr. 12), is een voorschot voor gedaagde op de vast te stellen schadeloosstelling bepaald, zijn deskundigen benoemd om de schadeloosstelling te begroten, is een rechter-commissaris aangewezen om bij de opneming door de deskundigen aanwezig te zijn, en zijn nieuwsbladen aangewezen waarin de aankondiging van de vervroegde onteigening en van plaats en tijd van de opneming door deskundigen door de griffier diende te geschieden.

1.2. Vervolgens heeft, na de voorgeschreven aankondiging in de nieuwsbladen, de bij voornoemd vonnis bevolen opneming plaatsgevonden op het door de rechter-commissaris bepaalde tijdstip. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

1.3. De deskundigen hebben op 12 maart 2008 hun rapport ter griffie van deze rechtbank neergelegd.

1.4. De Gemeente en [Naam B.V.] hebben ieder een bezwaarschrift en een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van de bezwaar- en verweerschriften zijn de Gemeente, [Naam B.V.], alsmede de deskundigen door de meervoudige kamer bij gelegenheid van het pleidooi gehoord. Van het pleidooi is een proces-verbaal opgemaakt. De inhoud van het proces-verbaal, evenals die van het deskundigenrapport en van de ingediende bezwaar- en verweerschriften dient als hier ingelast te worden aangemerkt.

1.5. Tenslotte heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1. Thans dient te worden beslist over de aan [Naam B.V.] toekomende schadeloosstelling.

2.2. De deskundigen hebben in hun rapport geadviseerd de schadeloosstelling vast te stellen op € 9.240,- (2.464m² à € 7,50x 1/2). Daar door de Gemeente reeds een voorschot van € 17.062,65 aan gedaagden is voldaan, adviseren de deskundigen om tevens te bepalen dat [Naam B.V.] het verschil tussen voornoemde bedragen dient terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2007 - de datum waarop de inschrijving van het vonnis d.d. 14 februari 2007 in de openbare registers heeft plaatsgevonden - tot de datum van het eindvonnis.

2.2.1. Voorts stellen de deskundigen dat zij het vonnis d.d. 14 februari 2007 zodanig hebben begrepen, dat de Gemeente de resterende perceelsgedeelten, groot 1.749 m² (gelegen buiten de onteigening) in eigendom van [Naam B.V.] dient over te nemen voor een waarde per m² welke gelijk dient te worden gesteld aan de waarde per m² voor de grond gelegen binnen de onteigening.

2.3. De deskundigen hebben in het kader van de bepaling van de schadeloosstelling tot uitgangspunt genomen de bestemming van de gronden zoals deze voorheen gold. Ingevolge het ‘Bestemmingsplan Schaesberg Zuid’, dat is het voorafgaande aan het bestemmingsplan Binnenring geldende bestemmingsplan, gold voor de onteigende gronden de bestemming agrarisch gebied, onbebouwd. Met inachtneming van de uitgangspunten zoals neergelegd in de artikelen 40a, 40b en 40 c van de Onteigeningswet (Ow) zijn de deskundigen tot het oordeel gekomen dat het onteigende perceel de hoogste waarde heeft als agrarische grond. Met inachtneming van voornoemde uitgangspunten hebben zij vervolgens op basis van kennis en kunde intuïtief de verkeerswaarde voor agrarische grond in de nabije omgeving in het vrije commerciële verkeer bij gebruiksvrije levering op de peildatum gesteld op € 5,-. Voorts achten zij het in de concrete situatie aannemelijk dat er enige bescheiden opwaartse druk uit gaat van het feit dat het perceel gelegen is in de periferie van het stedelijk gebied van de gemeente Heerlen en de gemeente Landgraaf. Op grond daarvan komen zij op een prijs van € 7,50. Naar aanleiding van de stelling van [Naam B.V.] dat er sprake is van een complex , hebben de deskundigen zich op het standpunt gesteld dat zij, gezien het werk waarvoor is onteigend, van oordeel zijn dat er geen sprake is van een complex in de zin van artikel 40d Ow, dan wel van enige complexwaarde als op die wetsbepaling gebaseerd.

2.4. De rechtbank kan, gelet ook op de ingevolge artikel 40 c Ow buiten beschouwing te laten voordelen en nadelen welke door het werk en de plannen voor het werk teweeg worden gebracht, instemmen met het door de deskundigen gekozen uitgangspunt waarbij aansluiting is gezocht bij de bestemming agrarische grond zonder bebouwing, nu de ter plaatse van de onteigende percelen vigerende bestemming van weg voor het eerst is opgenomen in het huidige bestemmingsplan en wel in verband met de aan te leggen binnenring en daaraan voorafgaand er reeds sedert jaren sprake was van een agrarische bestemming. De deskundigen hebben voorts rekening gehouden met het feit dat de grond in de nabijheid van het stedelijk gebied is gelegen. De rechtbank acht het aannemelijk dat daar een waardeverhogend effect van uit kan gaan.

2.5. De deskundigen zijn verder vrij in het maken van een keuze voor een bepaalde methode van waardering. De door de deskundigen gehanteerde intuïtieve methode is één van de, ook ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad, toegestane methodes voor de waardering van de grond die onteigend wordt. De rechtbank kan zich er mee verenigen dat de deskundigen in dit geval voor die methode hebben gekozen.

2.6. [Naam B.V.] acht de door de deskundigen gemaakte keuze niet juist en heeft primair betoogd dat de deskundigen tot een waardering op basis van de egalisatieregel hadden dienen te komen. Daartoe heeft [Naam B.V.], zakelijk weergegeven, betoogd dat de weg waarvoor in casu wordt onteigend onderdeel uitmaakt van de herstructurering van het gebied waar het onteigende perceel in is gelegen en dient ter ontsluiting van de aan- en omliggende oude en nieuwe respectievelijk vernieuwde woonwijken en bedrijventerreinen. Oorspronkelijk was er in dit kader slechts een korte weg gepland. De verlenging van de weg tot de huidige Binnenring is van latere datum. In het totaalbeeld maakt de weg onderdeel uit van een complex, aldus [Naam B.V.]. Dit blijkt volgens [Naam B.V.] ook uit het feit dat naast en bij de Binnenring allerlei werken worden aangelegd die daar niet mee te maken hebben: groenvoorzieningen, kunstwerken, fauna passages, geluidwering, recreatief uitloopgebied, natuurontwikkeling, ecologische verbindingszone, waterhuishouding.

2.7. De deskundigen hebben dienaangaande gesteld dat blijkens het bestemmingsplan, raadsbesluit en de zakelijke beschrijving aanleg Binnenring Zuid Parkstad Limburg, de Binnenring er toe strekt het stedelijk gebied van de gemeenten Heerlen en Landgraaf te ontsluiten door de reeds bestaande Euregioweg met een wijde boog te verbinden met de Wiekraderweg en de Beersdalweg. Deze weg beslaat 5,5 km en kan worden onderscheiden in een noordelijk deel en een zuidelijk deel. Volgens de deskundigen zijn er geen andere werken voorzien dan de aanleg van de weg en de daarvan deel uitmakende voorzieningen. Dit aan te leggen werk zien de deskundigen als één complex. Hen is niet gebleken van ontwikkelingen om en rond het aan te leggen werk die samenhangen met de aanleg van het werk, in die zin, dat er samenhangende ontwikkelingen zouden zijn die ertoe nopen, in het licht van de jurisprudentie op artikel 40 d Ow, aan te nemen dat er sprake is van een complex in de zin van dat artikel waaraan een meerwaarde kan worden toegekend.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat er in casu geen sprake is van één complex als bedoeld in artikel 40 d van de Onteigeningswet. Tot dit oordeel komt de rechtbank gelet op de door de deskundigen gegeven toelichting, alsmede ook gelet op de ter zitting door de Gemeente aangedragen jurisprudentie (HR 11 juli 2008, RvdW 2008, 727). Deze jurisprudentie ondersteunt het standpunt van de deskundigen dat het feit dat de weg ten behoeve waarvan in casu wordt onteigend mede dient ter ontsluiting van de ter plaatse van de onteigende grond gelegen wijken, waar zich bepaalde herstructureringsactiviteiten hebben voorgedaan, niet dwingt tot de conclusie dat het hier gaat om één, geheel in exploitatie gebracht, complex en dat de aanleg van de weg gelet op het in het gegeven geval toepasselijke bestemmingsplan als één afzonderlijk complex dient te worden aangemerkt. De door [Naam B.V.] aangedragen argumenten hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de hierboven onder 2.6 door [Naam B.V.] aangehaalde werken rondom de weg daarvan deel uitmakende voorzieningen betreffen.

2.9. Subsidiair heeft [Naam B.V.] zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de grond te laag is vastgesteld door de deskundigen, gelet op de bijzondere eigenschappen van het perceel en de verwachtingswaarde van die grond. Als bijzondere factoren noemt [Naam B.V.] dat er sprake is van een agrarische bouwkavel, dat de grond voor een tuinbouwbedrijf mag worden geëxploiteerd en dat de grond niet perifeer gesitueerd is, maar midden in het stedelijk gebied ligt. Volgens [Naam B.V.] is het voorts van algemene bekendheid dat aan een perceel met een dergelijke gunstige ligging midden in het

stedelijk gebied een grote verwachtingswaarde toekomt. In casu was het gelet op de geldende plannen evident dat het gebied “op de schop zou gaan”. In dit verband heeft [Naam B.V.] een aantal transacties aangevoerd die volgens [Naam B.V.] ter vergelijking kunnen dienen en waaruit blijkt dat gelet op de verwachtingswaarde een hogere prijs is betaald. De eigen deskundige van [Naam B.V.] schat op grond daarvan de waarde op gemiddeld € 43,- per m².

2.9.1. Uit het rapport van de deskundigen blijkt dat zij bij de bepaling van de waarde rekening hebben gehouden met de volgens het bestemmingsplan toegestane gebruiksmogelijkheden van het perceel. Voorts hebben zij rekening gehouden met de ligging van de percelen in de periferie van het stedelijk gebied van de gemeente Heerlen en de gemeente Landgraaf en hebben zij op basis daarvan aangenomen dat van die ligging een opwaartse druk uitgaat. De rechtbank ziet, mede onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent hierboven reeds is overwogen ten aanzien van het door [Naam B.V.] gestelde complex, geen aanleiding om te oordelen dat dit een verkeerde kwalificering van de ligging zou zijn en uitgegaan zou dienen te worden van de ligging in een stedelijk gebied. Gelet op die kwalificering hebben de deskundigen tevens mogen aannemen dat er slechts sprake is van een opwaartse druk op de prijs ten gevolge van de voordelen die van die ligging in bedoelde periferie uitgaat. Van een verwachtingswaarde in verband met mogelijke toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot het perceel ten gevolge van een ligging in een stedelijk gebied is niet enkel op grond van die ligging aan te nemen. De deskundigen hebben in hun rapport de door [Naam B.V.] aangereikte transacties gekwalificeerd als niet vergelijkbaar. In elk geval niet op basis van deze transacties kan worden vastgesteld dat met een verwachtingswaarde rekening dient te worden gehouden. Bij bezwaarschrift heeft [Naam B.V.] nog een aantal andere transacties ter vergelijking aangereikt. Nu deze voor het eerst in die fase aan de orde zijn gesteld, hebben de deskundigen deze niet in hun beoordeling kunnen meewegen. Verder hebben de deskundigen aangegeven dat niet is gebleken van ontwikkelingen, noch voor, noch na de uitvoering van het werk waarvoor onteigend wordt, die ertoe zouden moeten leiden dat enige verwachtingswaarde zou moeten worden aangenomen. Zo heeft [Naam B.V.] niet onderbouwd dat, indien er geen sprake was geweest van de onderhavige onteigening, mocht worden verwacht dat in de toekomst bebouwing zou worden toegestaan op het perceel. De rechtbank heeft de verweren van [Naam B.V.] tegen dit standpunt van de commissie van deskundigen gezien, maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet op grond van de daarbij aangevoerde argumenten worden vastgesteld dat de deskundigen op dit punt het gelijk niet aan hun zijde zouden hebben.

2.10. De Gemeente heeft geen bezwaar tegen de door de deskundigen gehanteerde methode van waardering, doch kan zich ook niet vinden in de op basis van die methode vastgestelde waarde. De Gemeente is van oordeel dat de waarde lager dient te worden vastgesteld. Voorts acht de Gemeente de door de deskundigen bepaalde waarde van € 5,- en de opslag van € 2,50 onvoldoende onderbouwd.

2.10.1. De Gemeente baseert haar standpunt op het feit dat in het verleden in het gebied Heerlen/Landgraaf door de Gemeente verschillende malen voor agrarische grond een aankoopprijs is betaald, die is gebaseerd op een meterprijs van € 7,-. De deskundigen hebben dienaangaande gesteld, dat deze transacties na de peildatum hebben plaatsgevonden. Uit de door de Gemeente bij haar bezwaarschrift overgelegde lijst van transacties blijkt dat deze inderdaad na de peildatum van 18 mei 2007 hebben plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt het commentaar van de deskundigen aldus dat deze transacties zich niet lenen voor een vergelijking omdat moet worden aangenomen dat de prijs werd beïnvloed door het ingezette onteigeningstraject. Door de Gemeente zijn, buiten de hiervoor genoemde transacties, geen, althans niet tijdig, feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de door de deskundigen bepaalde waarde veel te hoog zou zijn.

2.11. Zoals hiervoor reeds weergegeven kan de rechtbank zich vinden in de door de deskundigen gehanteerde uitgangspunten. De rechtbank ziet aldus geen aanleiding om niet te vertrouwen op de kunde en kennis van de deskundigen en de op basis daarvan door hen gedane intuïtieve taxatie. Aan deze methode van waardering is eigen dat geen uitgebreide motivering kan worden gegeven van alle facetten die daarbij een rol hebben gespeeld. Een volledige onderbouwing aan de hand van transacties die zich voor vergelijking lenen kan dan niet worden gegeven.

2.12. De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de door de deskundigen daarvoor gegeven argumenten de conclusie van het rapport kunnen dragen. De rechtbank kan zich verenigen met deze argumenten en de daarop steunende conclusie weshalve de rechtbank deze conclusie tot de hare maakt en dien overeenkomstig het advies van de deskundigen zal worden overgenomen door het totaalbedrag van de schadeloosstelling vast te stellen op € 9.240,00. Aangezien het toegekende voorschot van € 17.062,65,- voornoemd bedrag overtreft, zal [Naam B.V.] het verschil van € 7.822,65 dienen terug te betalen aan de Gemeente. De door de deskundigen geadviseerde toewijzing van rente over dat bedrag wordt echter niet toegekend, nu in artikel 54t, derde lid, Ow niet is bepaald dat rente verschuldigd is over het bedrag waarmee hetgeen aan voorschot is ontvangen de schadeloosstelling overtreft.

2.13. Zoals al is bepaald in het vonnis van 14 februari 2007 zal de Gemeente voorts desverlangd het bij akte d.d. 10 januari 2007 gedane aanbod tot overname van het eigendomsaandeel van [Naam B.V.] in de na onteigening resterende delen van de onteigende percelen gestand dienen te doen en deze grond dienen over te nemen tegen de door de deskundigen vastgestelde waarde. Het betreft hier de voor de onteigende percelen vastgestelde waarde van € 7,50 per m².

2.14. Door [Naam B.V.] zijn een tweetal facturen overgelegd. Dit betreffen facturen van mr. Brouwers in verband met juridische bijstand. In deze beide facturen wordt voor een totaal van € 31.181,- (inclusief kantoorkosten en BTW) gedeclareerd ten aanzien van diens verrichtingen in de onderhavige procedure en de parallel verlopende onteigeningsprocedure tegen de gemeente Heerlen (zaaknummer 113606/HA ZA 06-885) met betrekking tot het gedeelte van het zelfde perceel dat in de gemeente Heerlen ligt.

2.14.1. Hoewel het bedrag van de toe te kennen schadeloosstelling lager is dan het bij dagvaarding aange¬boden bedrag, dienen de kosten van deze procedure naar het oordeel van de rechtbank toch voor rekening van de Gemeente te komen, omdat [Naam B.V.] de verwerping van het aanbod van de Gemeente voldoende heeft gemotiveerd en de argumenten, die zij heeft ingebracht tegen dit aanbod niet reeds bij voorbaat kansloos waren.

2.14.2. Ingevolge artikel 50 Ow en de jurisprudentie bij dat artikel komen de daadwerkelijke gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking, althans voor zover tot het aanwenden van deze kosten in redelijkheid kon worden besloten en deze kosten, zulks beoordeeld in relatie tot het belang van de zaak, binnen een redelijke omvang zijn gebleven.

2.14.3. Door de Gemeente is tegen de hoogte van de kosten voor rechtsbijstand aan [Naam B.V.] verweer gevoerd.

2.14.4. Door [Naam B.V.] is ten aanzien van de door haar gedeclareerde kosten voor rechtsbijstand naar voren gebracht dat deze kosten fors zijn opgelopen ten gevolge van ‘de ingewikkeldheid van de materie, de grote hoeveelheid te bestuderen materialen en door een verkeerde opgave van de gemeente van de betaalde tegenprestaties’. De raadsman van [Naam B.V.] heeft voorts gewezen op het grote aantal schriftelijke stukken dat zijnerzijds is tot stand gebracht, namelijk de conclusie van antwoord, de notitie ten behoeven van de descente, de reactie op het rapport van de deskundigen, het bezwaarschrift, het verweerschrift, een tweetal brieven en een pleitnota.

2.14.5. De som van de bedragen van de declaraties van de raadsman van [Naam B.V.] is een aanzienlijk bedrag, zoals door [Naam B.V.] ook wordt erkend. Een declaratie van deze omvang kan worden gemotiveerd door het feit dat het een meer dan gemiddeld gecompliceerde zaak betreft, waarvoor de advocaat een meer dan gemiddeld aantal uren nodig heeft of deze advocaat meer dan gemiddeld gekwalificeerde moet zijn. Aan de rechtbank is niet gebleken dat deze zaak meer dan gemiddeld gecompliceerd is. Bij bestudering van de specificaties bij de facturen van de raadsman van [Naam B.V.] blijkt voorts niet van bijzondere verrichtingen, welke niet plegen te kunnen worden begrepen onder gebruikelijke, door een in een onteigeningszaak gewoonlijk door de advocaat van verweerder te ontplooien activiteiten. De vermelde activiteiten betreffen steeds ‘dossierstudie’, ‘correspondentie’, (al dan niet telefonische) ‘bespreking’ en ‘opstellen processtukken’. De hoogte van het gedeclareerde bedrag, dat scherp afwijkt van het liquidatietarief in onteigeningzaken, wordt hierdoor niet verklaard. Voorts treedt sterk naar voren de disproportie tussen de hoogte van het gefactureerde bedrag en het belang in deze zaak en in de daarmee nauw samenhangende zaak met betrekking tot de onteigening van de grond voor zover gelegen in de gemeente Heerlen. Op grond van de voorgaande omstandigheden, mede in aanmerking nemende het feit dat de schadeloosstelling lager is uitgevallen dan de door de gemeente aangeboden schadeloostelling, ziet de rechtbank aanleiding om voor de begroting van de kosten van het geding, voorzover het de kosten voor rechtsbijstand betreft, niet als uitgangspunt te nemen de werkelijk door [Naam B.V.], als kosten voor rechtsbijstand betaalde bedragen. In de plaats daarvan zal de rechtbank voor begroting van deze kosten zich baseren op het liquidatietarief in onteigeningszaken, nu dit tarief is vastgesteld door de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en door de leden van de beroepsorganisatie kennelijk als een redelijke vergoeding voor de daarin genoemde werkzaamheden in het onteigeningsgeding wordt beschouwd.

2.14.6. De begroting van de kosten voor rechtsbijstand volgens het liquidatietarief in onteigeningszaken geeft de volgende berekening:

- conclusie van antwoord houdende verwerping van het aanbod 1

- descente en opname deskundigen 1

- bezwaarschrift deskundigenrapport Bergrode BV 1

- verweerschrift Bergrode BV 1

- pleidooi. 2

Totaal aantal punten: 6

Het belang van Begerode B.V. in deze zaak en de parallel verlopen zaak tegen de gemeente Heerlen tesamen moet worden geschat op een bedrag van € 57.585,-. Het betreft aldus een zaak in de categorie IV (tussen 40.000 – 98.000), waarbij volgens het liquidatietarief een waardering kan worden toegepast van € 894,- per punt. De kosten van juridische bijstand, waar volgens het liquidatietarief in redelijkheid een vergoeding voor dient te worden toegekend, bedragen derhalve € 5.364,-. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen bijzondere omstandigheden, die in redelijkheid noodzaken tot een afwijkende berekening van de kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank zal daarom de redelijkerwijs door [Naam B.V.], gemaakte kosten voor rechtsbijstand begroten op een bedrag van € 5.364,- De zaak, waarbij de gemeente Heerlen ten laste van eveneens Bergrode B.V. onteigent is, is in zodanige mate gelijk aan deze zaak, dat het de rechtbank redelijk voorkomt, voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand, deze zaken als één zaak te beschouwen en de te betalen vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand evenredig te verdelen, naar rato van de oppervlakte van de onteigende grond (1 ha 28 are en 92 ca door de gemeente Heerlen en 25 are 33 ca door de gemeente Landgraaf). Gelet daarop moet voor rekening van de gemeente Landgraaf komen de kosten van [Naam B.V.] terzake rechtsbijstand tot een bedrag van

€ 880,85.

2.14.7. Door [Naam B.V.] zijn tevens overgelegd:

1) een urenspecificatie d.d. 22 augustus 2008 ad totaal € 26.511,72 betreffende:

• 150,25 uren ad € 125,- voor werkzaamheden door Rentmeesterkantoor Mergelland B.V.,

• niet gespecificeerde kosten ‘diversen’ € 1.820,- en

• € 1.996,23 voor Delarue Makelaardij,

• e.e.a. verhoogd met 19% BTW, over de periode van 29 april 2004 tot en met 22 augustus 2008;

2) een urenspecificatie d.d. 16 september 2008 ad totaal € 5.465,08 betreffende:

• 32 uren ad € 125,- voor werkzaamheden door Rentmeesterkantoor Mergelland B.V.,

• niet gespecificeerde kosten ‘diversen’ € 280,- en

• € 312,50 voor Delarue Makelaardij,

• e.a.a. verhoogd met 19% BTW, over de periode van 22 augustus tot 3 september 2008.

De specificatie genoemd sub 1 is ondertekend met “i.o. [Naam]” en gericht aan De rechtbank te Maastricht, afdeling Onteigeningen. Vermeld wordt dat het totaal verschuldigde bedrag rechtstreeks kan worden overgemaakt op een op Rentmeesterskantoor Mergelland BV te naam gestelde rekening, onder vermelding van: ‘vergoeding deskundigenkosten [Naam B.V.]/gemeente Heerlen en Landgraaf’.

De specificatie genoemd sub 2 is niet ondertekend, echter eveneens gericht aan: De rechtbank te Maastricht, afdeling Onteigeningen. In deze specificatie wordt aan de rechtbank verzocht te bepalen dat door de gemeente Heerlen en Landgraaf in het kader van de onderhavige procedure voormeld bedrag rechtstreeks wordt overgemaakt op een op Rentmeesterskantoor Mergelland BV te naam gestelde rekening, eveneens onder vermelding van ‘vergoeding deskundigenkosten [Naam B.V.]/ gemeente Heerlen en Landgraaf’.

2.14.8. Aangezien voormelde specificaties , welke tevens een verzoek tot voldoening van een geldsom inhouden voor diensten en aldus alle kenmerken van een factuur dragen, niet aan [Naam B.V.] zijn gericht volgt hier niet uit dat de daarin vermelde bedragen ten laste van [Naam B.V.] komen of door [Naam B.V.] zijn betaald of nog moeten worden betaald. Ook voor het overige is er geen informatie in het geding gebracht waaruit blijkt dat [Naam B.V.] kosten heeft gemaakt voor andere deskundige bijstand dan rechtsbijstand, zodat de rechtbank over een vergoeding daarvoor geen beslissing behoeft te nemen.

2.15. Gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken en gelet op het toe te kennen bedrag aan schadeloosstelling zal de griffier het verschuldigde vastrecht hebben te bepalen op € 226,-. Bij het begroten van de kosten van het geding zal de rechtbank rekening houden met dat door [Naam B.V.] wegens vast recht verschuldigde bedrag.

2.16. Door de deskundigen is een samengestelde declaratie ingediend ten behoeve van de onderhavige zaak en een drietal gelijksoortige zaken waarin de onteigening door de gemeente Landgraaf en de gemeente Heerlen wordt gevraagd. In totaal hebben zij een bedrag van € 106.135,65 gedeclareerd. Ook deze kosten zullen evenredig verdeeld worden over de gemeente Heerlen en Landgraaf naar rato van de oppervlakte van de onteigende grond. Voor de gemeente Landgraaf wordt dit bedrag vastgesteld op € 17.428,95:

€ 9.344,48, voor de deskundige Roebroek, € 3.187,80 voor de deskundige Jacobs en voor de deskundige Van Sambeek

€ 4.698,92.

2.17. Gelet op het bepaalde in artikel 50, lid 5 van de Onteigeningswet komen de kosten van de bekendmakingen bedoeld in artikel 28 lid 1, artikel 35 lid 2 en artikel 54 lid 1 Onteigeningswet voor rekening van de Gemeente. Nu deze kosten hangende de procedure door de griffier van deze rechtbank zijn voorgeschoten zal de rechtbank bepalen dat deze kosten door de Gemeente aan de griffier worden vergoed. De kosten bedragen in totaal € 1.821,88 en zullen op dezelfde wijze als hiervoor worden verdeeld over de gemeente Heerlen en Landgraaf. Voor de gemeente Landgraaf bedragen deze kosten € 299,18.

3. De beslissing

De rechtbank:

stelt de door de Gemeente ter zake van de onderhavige onteigening aan [Naam B.V.] te betalen schadeloosstelling vast op € 9.240,-;

verstaat dat naar aanleiding van het tussen¬vonnis d.d. 14 februari 2007 door de Gemeente reeds een bedrag van

€ 17.062,65 bij wijze van voorschot aan [Naam B.V.] is voldaan;

veroordeelt [Naam B.V.] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting van het hiervoor bedoelde voorschot van € 17.062,65 aan de Gemeente terug te betalen een bedrag van € 7.822,65;

wijst aan als dagbladen waarin dit vonnis door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst: Dagblad De Limburger en Het Limburgs Dagblad, beide in de editie verschijnende in de gemeente Landgraaf;

verwijst de Gemeente in de kosten van het geding aan de zijde van [Naam B.V.] gerezen en tot aan dit vonnis begroot op € 226,- voor vastrecht en € 880,85 voor kosten juridische bijstand;

verwijst de Gemeente in de kosten van de deskundigen, en stelt die in de onderhavige zaak op € 9.344,48, voor de deskundige Roebroek, € 3.187,80 voor de deskundige Jacobs en voor de deskundige Van Sambeek € 4.698,92;

verstaat dat de Gemeente aan de griffier van deze rechtbank zal voldoen de door die griffier voor¬geschoten kosten van de publicaties als bedoeld in artikel 28 lid 1, artikel 35 lid 2 en artikel 54 lid 1 van de Onteigeningswet, zulks gelet op het bepaalde in artikel 50 lid 5 van de Onteige¬ningswet, welke tot op heden bedragen € 299,18.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter, mr. J.J.P. Bergmans en mr. R. Kluin, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

EvdS