Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK6087

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
137678 / FA RK 09-207
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke erkenning. Verzoek tot erkenning van het kind door de verwekker terwijl de moeder hangende de procedure aan een ander toestemming tot erkenning heeft verleend. De vraag is dan of, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de man als verwekker bij de erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder - telkens in verband met de belangen van het kind, in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan die ander heeft kunnen komen. Onder die omstandigheden kan de door de moeder aan de ander verleende toestemming tot erkenning rechtens pas gevolg hebben indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 19 november 2009

Zaaknummer: 137678 / FA RK 09-207

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

verzoeker, verder te noemen: de man,

wonende [adres],

advocaat mr. L.W. Plantenga,

en:

wederpartij, verder te noemen: de vrouw,

wonende [adres],

advocaat mr. I.P. Sigmond.

en:

mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [de minderjarige],

geboren [geboortegegevens minderjarige],

als zodanig benoemd bij beschikking van deze rechtbank van 18 maart 2009,

kantoorhoudende te Heerlen,

belanghebbende q.q., verder te noemen: de bijzondere curator.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook de op 18 maart 2009 gegeven beschikking van deze rechtbank, waarnaar de rechtbank verwijst en waarin zij volhardt.

1. Verdere verloop van de procedure

Een afschrift van het verzoekschrift is op 31 maart 2009 verzonden naar de bijzondere curator. Deze heeft op 22 april 2009 een rapport van bevindingen overgelegd.

De man heeft bij faxbericht van 26 juni 2009 gereageerd op het verslag van de bijzondere curator. Daarop heeft de bijzondere curator nog gereageerd bij faxbericht van 29 juni 2009.

De man heeft bij faxbericht van 3 juli 2009 een aanvullend verzoekschrift ingediend.

De bijzondere curator heeft bij brief van 13 juli 2009 aanvullende stukken overgelegd.

De vrouw heeft bij faxbericht van 3 augustus 2009 geregeerd op het verslag van de bijzondere curator.

Een afschrift van het aanvullend verzoekschrift is op 24 augustus 2009 verzonden naar de vrouw.

De vrouw heeft 25 september 2009 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 1 oktober 2009.

2. Vaststaande feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad waaruit op [geboortegegevens] [de minderjarige] is geboren. De man is de biologische vader van [de minderjarige].

2.2. Bij brief van 11 december 2008 heeft de man via zijn advocaat de vrouw laten weten dat hij [de minderjarige] graag wil erkennen en heeft hij de vrouw verzocht of zij daaraan wenst mee te werken. De vrouw heeft daarop niet gereageerd, waarna de man op 16 februari 2009 een verzoek tot vervangende toestemming bij de rechtbank heeft ingediend.

2.3. [de minderjarige] is op 6 mei 2009, met toestemming van de vrouw, erkend door de huidige partner van de vrouw, de heer X (hierna: partner van vrouw). De erkenning is als latere vermelding aan de geboorteakte van [de minderjarige] toegevoegd.

2.4. De vrouw en [de partner van vrouw] hebben op 29 mei 2009 tevens doen aantekenen dat zij gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wensen uit te oefenen. De vrouw, [de partner van vrouw] en [de minderjarige] leven in een gezinsverband met elkaar samen en [de minderjarige] wordt verzorgd en opgevoed door de vrouw en [de partner van vrouw], zonder dat de man daarin een aandeel heeft.

3. De standpunten van partijen

3.1. De man heeft de rechtbank in de eerste plaats verzocht hem vervangende toestemming op de voet van artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te verlenen tot erkenning van [de minderjarige]. Hiernaast heeft de man de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en het kind. Tot slot heeft de man de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat de erkenning van [de minderjarige] door [de partner van vrouw] nietig is evenals de aantekening van het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] door de vrouw en [de partner van vrouw].

De man heeft in verband hiermee aangevoerd dat het in het belang is van [de minderjarige] dat er een familierechtelijke betrekking tot stand komt tussen haar en haar biologische vader. Hij wil verantwoordelijkheid voor het kind nemen en als vader een rol spelen in haar leven. Daaraan kan de erkenning door [de partner van vrouw] niet in de weg staan, nu deze ingevolge vaste rechtspraak voor nietig moet worden gehouden. De man stelt dat de vrouw haar bevoegdheid om toestemming aan [de partner van vrouw] te verlenen heeft misbruikt met geen enkel ander doel dan daarmee de erkenning van [de minderjarige] door de man te frustreren. De man stelt dat hierdoor de erkenning van [de minderjarige] door [partner van vrouw] op 6 mei 2009 niet als geldig kan worden aangemerkt en de erkenning geacht moet worden nietig te zijn.

3.2. De vrouw bestrijdt dat. De man heeft volgens de vrouw de kans gehad [de minderjarige] te erkennen maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Bovendien heeft de man door zijn onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige aan de vrouw gerichte mededeling dat hij het verzoek zou intrekken, zelf bewerkstelligd dat het voorwaardelijk karakter dat aan de erkenning van [de partner van vrouw] kleefde, daaraan is komen te ontvallen. Voor het geval de erkenning door [de partner van vrouw] het voorwaardelijk karakter heeft behouden komt het aan op een afweging van belangen. Volgens de vrouw moet op de in het verweerschrift aangevoerde gronden het belang van haar en [de minderjarige] om samen met [de partner van vrouw] een gezin te vormen, wijken voor het belang van de man om [de minderjarige] te mogen erkennen.

3.3. De bijzondere curator verzet zich niet tegen de verzoeken van de man.

4. Verdere beoordeling

4.1. Uit het door de bijzondere curator op verzoek van de rechtbank opgemaakte rapport komt naar voren dat de man heeft verklaard dat hij de vrouw tijdens haar zwangerschap vergezelde naar het ziekenhuis in Brunssum voor medische onderzoeken zoals echo's en ook naar de verloskundige zegt de man mee te zijn geweest. Uit het rapport blijkt voorts dat de man tegenover de bijzondere curator heeft verklaard dat hij daags na de bevalling door de vrouw werd opgebeld met de vraag "waar was je? Je dochter is gisteren geboren", waarop de man vergezeld van zijn zus, de vrouw en zijn dochter in het ziekenhuis heeft bezocht. Door de bijzondere curator gevraagd naar de gang van zaken nà de geboorte van [de minderjarige] heeft de man verklaard de vrouw regelmatig, op haar eigen verzoek, te hebben bezocht en dat hem dat een goed gevoel gaf omdat hij dan ook het kind mocht verzorgen en voeden. Tot ongeveer zes maanden na de geboorte van [de minderjarige] heeft de man regelmatig bij de vrouw thuis op het kind gelet als de vrouw hem dat vroeg en de man verklaart ook foto's te hebben waaruit blijkt dat hij met [de minderjarige] bij hem en zijn ouders thuis is geweest. Volgens de door de bijzondere curator opgetekende verklaringen van de man heeft de vrouw hem ergens in de zesde maand zonder opgaaf van redenen laten weten geen prijs meer te stellen op contact, waaraan zij zou hebben toegevoegd dat ook haar ouders dat niet meer wensen. Sindsdien heeft de man [de minderjarige] niet meer gezien. De vrouw heeft aanvankelijk ervoor gekozen, hoewel daartoe door de bijzondere curator uitgenodigd, niet op het kantoor van de bijzondere curator te verschijnen, naar haar zeggen omdat zij de afspraak was vergeten. Daarna heeft zij onlangs twee, naar zij zelf stelt, zeer lange en emotionele sessies gehad bij de bijzondere curator. De bijzondere curator heeft daarvan geen verslag meer aan de rechtbank kunnen doen toekomen.

4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het door de bijzondere curator weergegeven relaas herhaald terwijl de vrouw heeft volstaan met de nadruk erop te leggen dat [de minderjarige] al vrijwel vanaf haar geboorte in een hecht gezinsverband leeft met haar thans wettige vader [de partner van vrouw] en dat dat goed gaat. Daarover heeft de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de vrouw tegenover hem heeft toegegeven dat zij en de man kort na de geboorte van [de minderjarige] over erkenning hebben gesproken en dat het daar niet van is gekomen, omdat de man wenste dat het kind zijn naam zou dragen. De vrouw heeft in dat kader nog gesteld dat zij [de partner van vrouw], toen [de minderjarige] ongeveer vijf maanden oud was, heeft leren kennen, in mei/ juni 2008 derhalve. Op of omstreeks dat tijdstip heeft de vrouw de man kennelijk laten weten geen prijs meer erop te stellen dat hij haar en [de minderjarige] bezoekt.

4.3. In een procedure zoals deze dient tot uitgangspunt te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker in beginsel aanspraak erop hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking.

4.4. Vast staat dat de man de verwekker is van [de minderjarige] en dat hij het kind wil erkennen maar dat de vrouw de daarvoor ingevolge de wet benodigde toestemming niet verleent. De man heeft daarop geen andere mogelijkheid gezien dan ter zake de rechtbank om vervangende toestemming te vragen. Hangende die procedure heeft de vrouw de man voor een voldongen feit geplaatst doordat de vrouw aan een ander – te weten: [de partner van vrouw] – toestemming heeft verleend tot erkenning van [de minderjarige]. Dat brengt mee dat het in deze zaak, die door de handelwijze van de vrouw een andere wending heeft genomen, niet alleen gaat om de vraag of de man vervangende toestemming kan worden verleend tot erkenning van [de minderjarige] maar ook en in de allereerste plaats of de door de vrouw aan [de partner van vrouw] verleende toestemming tot erkenning daaraan in de weg staat.

4.5. Hierbij heeft het volgende als uitgangspunt te gelden. Bij het ontbreken van de daartoe noodzakelijke, voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder van een kind is de erkenning van dat kind op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 1:204 BW nietig. Deze nietigheid wordt ingevolge het derde lid van deze bepaling opgeheven wanneer de rechtbank vervangende toestemming verleent. Deze toestemming kan aan de verwekker worden verleend indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet schaadt. Met de strekking van deze regeling is onverenigbaar dat in een geval waarin de vraag of de gronden tot weigering van de vervangende toestemming ontbreken aan de rechter is voorgelegd, de moeder de beoordeling daarvan en daarmee de erkenning door de verwekker die reeds om vervangende toestemming heeft gevraagd, zou kunnen blokkeren door aan een ander die het kind wil erkennen, daartoe toestemming te verlenen vóórdat definitief op het desbetreffende verzoek van de verwekker is beslist. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat vanaf het moment waarop een verzoek tot het verlenen van deze vervangende toestemming bij de rechtbank is ingediend en totdat daarop definitief is beslist, de moeder aan een ander slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning kan verlenen. Die toestemming heeft in dat geval alleen gevolg indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd (HR 31 mei 2002, LJN: AE0745). Hieruit volgt dat de erkenning van [de minderjarige] door [partner van vrouw] een voorwaardelijk karakter draagt, zolang niet onherroepelijk is beslist op het verzoek van de man tot vervangende toestemming.

4.6. De maatstaf aan de hand waarvan vervolgens dient te worden beoordeeld of in dit geval aan de man vervangende toestemming tot erkenning van het kind kan worden verleend, geeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 12 november 2004, LJN: AQ7386. Nu de man zich tijdig tot de rechtbank heeft gewend met het verzoek om vervangende toestemming, maar de vrouw er hangende de procedure voor heeft gekozen [de minderjarige] door een ander te doen erkennen, zal in deze zaak moeten worden beoordeeld of de vrouw, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de man als verwekker bij de erkenning en de daartegenover staande belangen van haar als moeder – telkens in verband met de belangen van het kind – in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan [partner van vrouw] heeft kunnen komen. De vraag of de vrouw daarnaast met het verlenen van toestemming voor erkenning aan [partner van vrouw] slechts het oogmerk zou hebben gehad de belangen van de man als verwekker te schaden (het andere, eerste criterium uit de beschikking van de HR van 12 november 2004) is daarmee voor deze beslissing niet van belang.

4.7. Het belang van de man bij erkenning van [de minderjarige] is onmiskenbaar groot. De man is per slot van rekening – onbetwist – de verwekker en daarmee in biologische zin de vader van [de minderjarige]. Die kwaliteit verliest de man zijn hele leven lang niet meer en dan ligt het ook in de rede dat de man als verwekker het door hem verwekte kind in beginsel ook moet kunnen erkennen. Een gedachte die overigens volledig overeenkomt met hetgeen de wetgever met de invoering van een vernieuwd afstammingsrecht per 1 april 1998 voor ogen heeft gestaan, namelijk om meer aansluiting te zoeken bij de biologische werkelijkheid. Diezelfde biologische werkelijkheid brengt tevens mee dat [de minderjarige] een aanmerkelijk gedeelte van haar identiteit aan de man ontleent. Daar komt bij dat uit het door de vrouw onvoldoende gemotiveerd weersproken verslag van de bijzondere curator en gelet op diens ter zitting gegeven mondelinge toelichting daarop, voldoende overtuigend naar voren komt dat de man tijdens de zwangerschap van de vrouw en in de eerste maanden na de geboorte een rol in het leven van [de minderjarige] en dat van de vrouw heeft gespeeld. Dat de man en de vrouw thans van mening verschillen over de aard, de omvang en de wijze waarop de man die rol invulling gaf, doet daaraan niets af. Een en ander brengt mee dat de man er een zwaarwegend belang bij heeft dat aan hem vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend.

4.8. Tegenover de belangen van de man bij erkenning leggen de feiten en omstandigheden die de vrouw daar als argument tegen de erkenning tegenover stelt, aanmerkelijk minder gewicht in de schaal. Het belang van de moeder is in artikel 1:204, derde lid, BW nader omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind.

Die ongestoorde verhouding zou in het gedrang kunnen komen indien de vrouw ten gevolge van de erkenning door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren, dat zij niet in staat is [de minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat een kind nodig heeft. Die stelling heeft de vrouw evenwel niet betrokken en uit de door haar gestelde feiten en omstandigheden valt een dergelijke vergaande conclusie ook niet te trekken. Enkel emotionele weerstand aan de zijde van de vrouw tegen de erkenning door de man acht de rechtbank daarvoor onvoldoende en ook het feit dat de man een omgangsregeling wenst, is op zich geen reden om aan te nemen dat daardoor, in geval van erkenning door de man, de ongestoorde verhouding tussen de moeder en kind zal worden aangetast. De status van de man - biologische of juridische vader - is immers bij de vraag naar de wenselijkheid van een omgangsregeling op zichzelf niet doorslaggevend.

4.9. De sterke band tussen het kind en de juridische vader kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin een argument tegen de erkenning door de man zijn. Dat die band tussen [de minderjarige] en [de partner van vrouw] vele malen sterker is dan de band van het kind met de man, mag geen verbazing wekken. Sinds [de partner van vrouw] als nieuwe partner van de vrouw in beeld is, staat de man immers volledig buitenspel en de gedachte dat de vrouw de man wil verbannen uit haar leven en uit dat van [de minderjarige] is niet geheel van alle grond ontbloot. Wat daar ook van zij, het is niet gerechtvaardigd dat de vrouw de man nu tegenwerpt dat [partner van vrouw] een sterkere band heeft met [de minderjarige]. Voor zover de vrouw vreest dat de erkenning door de man een streep trekt door de plannen die zij samen met [de partner van vrouw] heeft om [de minderjarige] op te voeden, is die vrees niet terecht. Erkenning brengt geen wijziging aan in de gezagsverhoudingen en ook overigens valt niet in te zien dat de vrouw door de erkenning van [de minderjarige] door de man wordt gedwarsboomd in haar wens om [de minderjarige] samen met [partner van vrouw] op te voeden. In dat verband acht de rechtbank van belang dat aan de erkenning tegenwoordig veel minder vergaande rechtsgevolgen zijn verbonden dan voor 1 april 1998, terwijl de voortzetting van het feitelijke gezinsleven van het kind met de moeder en haar nieuwe partner ook zonder dat deze het kind erkent, wordt beschermd, bijvoorbeeld door de mogelijkheid van het gezamenlijk gezag ingevolge artikel 1:253t BW.

4.10. Ter zake van het belang van het kind bij niet erkenning door de man acht de rechtbank van doorslaggevende betekenis of tengevolge van de erkenning door de man ernstige schade wordt toegebracht aan de belangen van [de minderjarige]. Daarvan is sprake als de erkenning voor het kind het reële risico zou inhouden dat het zou worden belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Een substantieel slechte relatie tussen de verwekker en de moeder die een zware wissel trekt op het kind kan daarbij zeker een rol spelen. De vrouw heeft daar klaarblijkelijk ook op gezinspeeld door te betogen dat de man zich van meet af aan niet heeft bekommerd om het kind en hij ook overigens geen bijdrage heeft geleverd aan de verzorging en opvoeding, terwijl de verwachting is gerechtvaardigd dat het kind een groot aantal jaren zal worden verzorgd en opgevoed door haar juridische vader [partner van vrouw]. De vrees echter dat de erkenning van [de minderjarige] door de man in negatieve zin zijn weerslag heeft op een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind is op geen enkele wijze onderbouwd. Die vrees is derhalve voorbarig.

4.11. De rechtbank komt in het licht van het vorenstaande tot de volgende conclusies. In deze zaak is op geen enkele wijze gebleken, dat er sprake is van gevaar voor of een belemmering van de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en [de minderjarige]. Bovendien is niet gebleken, dat er voor [de minderjarige] door de erkenning door de man, reële risico's ontstaan of dat zij op een of andere wijze zal worden belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling. Daar staat tegenover dat het belang van de man bij erkenning groot is.

4.12. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de man als verwekker bij de erkenning en de daartegenover staande belangen van haar als moeder, in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming aan [partner van vrouw] heeft kunnen komen. Bovendien wist de vrouw dat de vervangende toestemming tot erkenning onderwerp was van een procedure die de man daarover had aangespannen. Gelet daarop acht de rechtbank de handelwijze van de vrouw door [partner van vrouw] hangende de procedure toestemming te verlenen tot erkenning laakbaar. Er bestond geen enkele grond waarom zij de uitspraak van de rechtbank niet had kunnen afwachten, te meer omdat zij kon beseffen dat zij, door aan een ander dan de man toestemming tot erkenning te verlenen, de man voor een voldongen feit zou plaatsen.

Dat de vrouw de man nu tegenwerpt dat hij de kans heeft gehad tot erkenning geeft al helemaal geen pas.

4.13. Een en ander brengt, in het licht van de door de HR in zijn beschikking van 12 november 2004 geformuleerde maatstaf mee dat, nu niet kan worden volgehouden dat de vrouw in redelijkheid tot het verlenen van toestemming tot erkenning van [de minderjarige] aan [partner van vrouw] heeft kunnen komen en de vrees voor schade aan de zijde van de vrouw als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, BW niet aannemelijk is geworden, het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] te verlenen toewijsbaar is.

4.14. Eveneens toewijsbaar is het verzoek van de man voor recht te verklaren dat de erkenning van [de minderjarige] door [partner van vrouw] nietig is. Uit de beschikking van de HR van 31 mei 2002 volgt dat de vrouw aan [partner van vrouw] slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning kon verlenen. Dat betekent ook dat de aan [partner van vrouw] verleende toestemming rechtens enkel gevolg kan hebben indien de door de man gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd. Anders dan de vrouw verdedigt, heeft de erkenning door [partner van vrouw] op 6 mei 2009 haar voorwaardelijk karakter dus niet reeds verloren door het mailbericht dat de advocaat van de man op 13 mei 2009 aan de advocaat van de vrouw heeft gestuurd. Hoewel de man daarin aankondigt dat hij de procedure gaat intrekken, heeft hij dat niet gedaan, zodat het voorwaardelijke karakter van de erkenning steeds overeind is gebleven. Door de hiervoor door de rechtbank aan de man verleende vervangende toestemming kan de voorwaarde waaronder de vrouw aan [partner van vrouw] toestemming tot erkenning heeft verleend niet meer in vervulling gaan. Die toestemming is immers aan de man vergeven, waardoor de met toestemming van de vrouw door [de partner van vrouw] gedane erkenning nietig is en de aan de geboorteakte van [de minderjarige] toegevoegde latere vermelding van de erkenning voor doorhaling vatbaar.

4.15. Nu de aantekening van de uitoefening van het gezamenlijk gezag door [de partner van vrouw] en de vrouw in het in artikel 1:244 BW bedoelde register in dit geval steunt op het bepaalde in artikel 1:252, eerste lid, van het BW en die mogelijkheid slechts is gegeven voor ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend, is tevens toewijsbaar het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat de aantekening van het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] door de vrouw en [partner van vrouw] nietig is. Weliswaar was [partner van vrouw], door de erkenning op 6 mei 2009, in juridische zin ouder van [de minderjarige] en bestond er voor de griffier geen grond deze aantekening van het gezamenlijk gezag te weigeren, maar nu [partner van vrouw] dat ouderschap ontleent aan een erkenning die een voorwaardelijk karakter draagt, moet de daarop gebaseerde aantekening in het daarvoor bestemde register in dat lot delen in die zin dat, nu de erkenning door [partner van vrouw] nietig is, ook de grondslag aan de gezamenlijke aantekening is komen te ontvallen.

4.16. Het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling zal de rechtbank aanhouden in afwachting van een nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Dat de belangenafweging in het kader van artikel 1:204, derde lid, van het BW in het voordeel van de man uitpakt, geeft de man niet ook zonder meer een aanspraak op omgang. Of de man, na erkenning, recht op omgang heeft behoort te worden getoetst aan de gronden van artikel 1:377a, derde lid, van het BW met daarin toch ook weging van de belangen van moeder en kind bij een ongestoorde relatie, met uiteindelijk de nadruk op de belangen van de laatste. Een automatische koppeling tussen erkenning en omgangsrecht bestaat dus niet. Voor zover de vrouw vreest dat de aan de man verleende vervangende toestemming tot erkenning hem een 'voet tussen de deur' biedt is die vrees ongegrond.

4.17. Gelet hierop zal de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming vragen haar van verslag en advies te dienen met betrekking tot de vraag of, gelet op het bepaalde in artikel 1:377a, derde lid, van het BW, omgang tussen [de minderjarige] en de man in het belang is van [de minderjarige] en zo ja, op welke wijze daaraan, mede in verband met de belangen van [de minderjarige], het best invulling dient te worden gegeven. In afwachting hiervan zal de beslissing op dit punt worden aangehouden, voorlopig voor de duur van vier maanden.

5. Beslissing

Verleent de man vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1: 204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek tot erkenning van de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren [geboortegegevens],

als zijn kind;

Verklaart voor recht dat de erkenning door [partner van vrouw], geboren [geboortegegevens], van [de minderjarige], geboren [geboortegegevens], als zijn kind, nietig is;

Verklaart voor recht dat de aantekening van het gezamenlijk gezag door de vrouw en [partner van vrouw] over de minderjarige [de minderjarige], geboren [geboortegegevens], waarvan blijkens het overgelegde uittreksel uit het gezagsregister door de griffier van de rechtbank Maastricht aantekening is gedaan op 29 mei 2009, nietig is;

Houdt iedere verdere beslissing aan, in afwachting van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in overweging 4.17.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

LF

Voor zover tegen deze beschikking hoger beroep open staat kan dit - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.