Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK4560

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
03-700602-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Vrijspraak en celstraffen voor geweld richting politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700602-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens]

wonende te [adresgegevens]

Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 november 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: deel uit heeft gemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen een politieambtenaar door hem te slaan,

Feit 2: niet heeft voldaan aan een door ambtenaren in functie gegeven bevel.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak voor de openlijke geweldpleging. Voor een bewezenverklaring hiervan is onvoldoende bewijs voorhanden. Uit het dossier komt de rol van verdachte in de groep onvoldoende naar voren. Van verdachte is geen enkele handeling uitgegaan. De enkele aanwezigheid in de groep is onvoldoende om te kunnen spreken van een significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld.

De officier van justitie is van mening dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1], blijkt dat zowel [verbalisant 2] als [verbalisant 1] verdachte meermalen heeft gevorderd om weg te gaan. Verdachte heeft dit bevel niet opgevolgd.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor feit 1 geconcludeerd tot vrijspraak. Verdachte heeft geen aandeel gehad in de groep. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] blijkt dat [verbalisant 1] en

[medeverdachte 1] zich tien meter verder bevonden dan [verbalisant 2] en [medeverdachte 2] en dat verdachte zich ook op een afstand bevond op het moment van de vuistslag. Hij was evenmin hinderlijk aan het rondlopen.

De verdediging heeft voorts voor feit 2 geconcludeerd tot vrijspraak. De verdachte heeft geprobeerd om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] uit elkaar te houden. [verbalisant 1]heeft in het proces-verbaal van bevindingen als enige met betrekking tot dit feit enkele opmerkingen gemaakt. Deze opmerkingen zijn echter niet te kwalificeren als een bevel of vordering.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de volgende feiten en omstandigheden van belang voor de beoordeling van het bewijs.

Inleiding

Op 27 oktober 2009 kregen verbalisanten een melding om te rijden naar de [B.weg] te Maastricht, alwaar een vechtpartij zou plaatsvinden. Ter plaatse treffen verbalisanten

[medeverdachte 2]en [medeverdachte 1] aan. De verbalisanten hebben in hun processen-verbaal uiteengezet dat [medeverdachte 2] bedreigingen heeft geuit tegen de politie en zich heeft verzet bij zijn aanhouding en dat [medeverdachte 1] een politieagent een vuistslag heeft verkocht en dat ook hij zich verzet heeft bij zijn aanhouding. Een onbekende jongeman was er ook bij aanwezig en hield zich op in de nabijheid van [medeverdachte 1]. Later bleek dit verdachte te zijn.

Overwegingen

Feit 1

De vraag die de rechtbank beantwoorden moet, is of verdachte bij het hiervoor omschreven geweld van [medeverdachte 1] zodanig betrokken is geweest dat er sprake is van openlijk in vereniging geweld plegen van geweld in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. Om de conclusie te kunnen trekken dat hier sprake van is, moet komen vast te staan dat de betrokken deelnemers in een zekere gezamenlijkheid opereren en een bepaalde betrokkenheid bij elkaar hebben. Deze bijdrage hoeft op zichzelf niet te bestaan uit een geweldadige handeling, maar kan bijvoorbeeld ook een vocale of intellectuele bijdrage zijn. Volgens geldende jurisprudentie is de enkele aanwezigheid in een groep onvoldoende om te kunnen spreken van een significante bijdrage aan het geweld.

Over de rol van verdachte voorafgaand aan de vuistslag relateren verbalisanten het volgende.

Verdachte was gedurende de dreigementen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]aanwezig. Hij liep voortdurend tussen de verbalisanten en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]door en belette de verbalisanten om handelend op te treden. Ook heeft verdachte tegen verbalisanten gezegd dat ze moesten “oprotten”. Tevens heeft verdachte het onmogelijk gemaakt om tot de aanhouding van [medeverdachte 1] over te gaan.

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte, toen [medeverdachten 1 en 2] een agressieve houding aannamen en zich verbaal agressief hebben geuit, daarbij aanwezig was, net als bij de vuistslag. Uit het gedrag van verdachte kan echter niet worden afgeleid dat verdachte met zijn aanwezigheid een significante bijdrage geleverd heeft aan het geweld van [medeverdachten 1]. Verdachte heeft zich niet gemanifesteerd als lid van de groep. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1.

Feit 2

Uit het dossier blijkt dat [verbalisanten 1 en 2] meerdere malen verdachte hebben verzocht om weg te gaan. Zij hoorden verdachte zeggen: “Ik ga niet weg, rot op, blijf van ons af, of woorden van gelijke strekking”. Verdachte belette de verbalisanten in hun werk. Verdachte bleef zich bemoeien met de situatie en liep voor de verbalisanten zodat [medeverdachten 2 en 1] niet konden worden aangehouden. Het belemmeren van ambtshandelingen wordt verdachte echter niet ten laste gelegd.

Uit de bewijsmiddelen kan door de rechtbank niet worden afgeleid dat er een als zodanig kenbaar bevel is gegeven. Daarnaast kan artikel 2 Politiewet 1993 niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van artikel 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht moet worden voldaan.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 heeft gepleegd. Zij zal hem dan ook vrijspreken.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, en mr. M.C.A.E. van Binnebeke mr. R.P.J. Quaedackers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 november 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2009 in de gemeente Maastricht met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [B.weg], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [verbalisanten 1], welk geweld bestond uit het slaan van [verbalisanten 1];

2.

hij op of omstreeks 27 oktober 2009 in de gemeente Maastricht opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2 van de Politiewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisante 1], brigadier afdeling basispolitiezorg en/of [verbalisante 2], hoofdagent afdeling basispolitiezorg die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd weg te gaan, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.