Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK3809

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
343232 CV EXPL 09-3593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering betreffende restitutie te veel betaalde reserveringsgelden. Eiseres heeft recht op restitutie van tien gereserveerde plaatsen voor het gala en het feest, nu partijen zijn overeengekomen dat niet 120, maar 110 mensen de feestavond zouden bijwonen. Eiseres heeft tevens recht op restitutie van achttien te veel betaalde overnachtingen. Partijen zijn aanvankelijk overeengekomen dat 120 personen in het hotel zouden verblijven. Echter, alleen de hotelkamers die daadwerkelijk in gebruik genomen zouden worden, zouden in rekening worden gebracht. Gedaagde stelt dat 102 gasten in het hotel hebben overnacht, terwijl eiseres meent dat het om 100 gasten is gegaan. Eiseres heeft geen lijst met namen van personen die in het hotel hebben overnacht of enig bewijs van het aantal daadwerkelijk gebruikte kamers overgelegd. Zonder deze specificatie(s) moet worden uitgegaan van het door gedaagde opgegeven aantal gasten, omdat partijen het er over eens zijn dat in ieder geval achttien overnachtingen geen doorgang hebben gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknummer: 343232 CV EXPL 09-3593

typ: MO

vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

[eiseres]

wonend te [woonplaats],

verder ook te noemen: [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.H.E. de Beer, advocaat te Amsterdam (toevoeging 4HK0658)

tegen

[gedaagde]

gevestigd te [plaats] en kantoorhoudend te [adres],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

in rechte (bij antwoord) verschenen bij [vertegenwoordigster] (zonder machtiging).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 29 juli 2009 een vordering ingesteld tegen [gedaagde] en heeft zich daarbij mede beroepen op veertien aan het exploot van dagvaarding gehechte producties.

[gedaagde] heeft via [vertegenwoordigster] schriftelijk geantwoord.

[eiseres] heeft vervolgens voor repliek geconcludeerd onder verwijzing naar een extra productie.

[gedaagde] heeft hier niet meer op gereageerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

MOTIVERING

a. de feiten

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende – tussen partijen vaststaande – feiten. Partijen zijn in oktober 2008 overeengekomen dat [gedaagde] in opdracht van [eiseres] een galafeest inclusief diner en overnachting zou organiseren. Op deze overeenkomst zijn de Uniforme Voorwaarden Horeca (UVH) van toepassing. De feestavond heeft plaatsgevonden op 29 november 2008. In de offerte werd melding gemaakt van 120 aanwezige gasten. De bedongen prijs van de feestavond inclusief overnachtingen bedroeg

€ 114,50 per persoon plus € 500,00 borg, in totaal € 14.240,00. Dit bedrag is door [eiseres] op 17 oktober 2008 overgemaakt naar de rekening van [gedaagde]. Afgesproken werd dat achteraf restitutie van te veel in rekening gebrachte kosten zou plaatsvinden. Tevens werd overeengekomen dat alleen de hotelkamers die daadwerkelijk in gebruik genomen zouden worden, in rekening zouden worden gebracht. De overnachtingsprijs was € 32,50 per persoon.

b. het geschil

Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert [eiseres] de veroordeling van [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 2.626,00, te vermeerderen met de wettelijke “handelsrente” vanaf 30 november 2009, subsidiair de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening, onder verwijzing van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] het volgende aan. ‘Nadat eiseres dit had doorgegeven aan gedaagde heeft [vertegenwoordigster], namens gedaagde optredend als contactpersoon, op 10 november 2008 aangegeven dat zij zou uitgaan van 110 personen.’ En verder: ‘Op 3 november 2008 heeft eiseres per emailbericht aan [vertegenwoordigster] doorgegeven dat in plaats van 110 personen 102 personen aanwezig zouden zijn bij het gala diner en het daaropvolgende feest.’ Dit hield volgens [eiseres] in dat zij de feestavond voor acht personen (tijdig op grond van 9.3.1 UVH) heeft geannuleerd. De in rekening te brengen prijs (exclusief overnachting) beliep volgens [eiseres] € 8.364,00 (102 x € 82,00). Daarnaast voert [eiseres] aan dat na het feest 100 personen in het hotel de nacht hebben doorgebracht. De hiermee gemoeide kosten bedragen € 3.250,00 (100 x € 32,50). [eiseres] betoogt dat zij voor de feestavond in totaal een bedrag van € 11.614,00 aan [gedaagde] verschuldigd is en dat zij door de vooruitbetaling van € 14.240,00 recht heeft op restitutie van een bedrag van

€ 2.626,00 (onverschuldigd betaald).

[gedaagde] voert in haar antwoord het verweer dat partijen hebben afgesproken dat minimaal 110 personen zouden worden “doorberekend”. De bepalingen in de algemene voorwaarden doen hier niets aan af. [gedaagde] betoogt verder dat niet artikel 9.3.1 UVH (“zowiezo”) op de onderhavige overeenkomst van toepassing is, maar artikel 9.4.2 UVH. [gedaagde] is een partycentrum en organiseert partijen voor groepen. Het volgens [gedaagde] toepasselijke artikel bepaalt dat bij annulering meer dan veertien dagen voor “bedoeld” tijdstip 60% van de reserveringskosten wordt doorberekend. [gedaagde] beroept zich bovendien op verrekening, omdat tijdens de feestavond elf stoelen (voor een totaalbedrag van € 1.045,00), de schouw (voor een bedrag van € 150,00) en een toiletpot (met een waarde van € 274,00) zijn vernield en twee embrasses (ter waarde van € 130,00) zijn verdwenen. De totale schade schat [gedaagde] op € 1.902,81.

[eiseres] stelt zich in voortgezet debat op het standpunt dat artikel 9.3.1 lid 1 sub a UHV wel degelijk van toepassing is, omdat [gedaagde] conform artikel 1.8 UHV aangemerkt dient te worden als een restaurantbedrijf, omdat haar horecadiensten voornamelijk dan wel uitsluitend bestaan uit (bedoeld zal zijn: in) het verstrekken van spijs en bijbehorende drank. [eiseres] handhaaft haar stellingen dat zij tijdig de reservering voor acht personen heeft geannuleerd en dat zij om die reden recht heeft op restitutie van reeds betaalde reserveringskosten. [eiseres] ontkent bij gebrek aan onderbouwing dat [gedaagde] schade heeft geleden. [eiseres] heeft herhaaldelijk om stukken verzocht, maar [gedaagde] heeft slechts een kennisgeving van schade verzonden. Voorts is [eiseres] van mening dat indien de verzekeraar van [gedaagde] reeds tot uitkering van een schadevergoeding is overgegaan, [gedaagde] deze schade niet op [eiseres] kan verhalen. Voor verrekening bestaat geen grond.

[gedaagde] is door de griffier bij een niet-geretourneerde dienstbrief van 11 september 2009 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld mondeling en/of schriftelijk te reageren op de conclusie van repliek van de wederpartij. [gedaagde] heeft echter nagelaten te reageren en heeft evenmin uitstel voor een dergelijke reactie verzocht.

c. de beoordeling

Vaststaat dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen voor het organiseren van een galafeest, diner en overnachting op 29 november 2008. Hoewel in de overeenkomst werd uitgegaan van 120 aanwezige gasten, hadden partijen de mogelijkheid om in een later stadium het aantal aanwezige gasten te wijzigen. Partijen zijn het er over eens dat zij (na de totstandkoming van de overeenkomst) op 10 november 2008 zijn overeengekomen dat 110 personen zouden deelnemen aan de feestavond. [eiseres] heeft vervolgens aangevoerd dat zij op 3 november 2008 de overeenkomst voor acht personen (extra) heeft geannuleerd (‘dat in plaats van 110 personen 102 personen aanwezig zouden zijn’). In tegenstelling tot hetgeen [eiseres] beweert, kan niet worden geconcludeerd dat deze ‘annulering’ (tijdig) heeft plaatsgevonden en dat om die reden restitutie van betaalde reserveringsgelden voor in totaal achttien personen dient plaats te vinden. Op 3 november 2008 zijn partijen blijkens de stelling van [eiseres] en het e-mailbericht van [gedaagde] uitgegaan van 102 aanwezigen. Een week later – op 10 november 2008 – zijn partijen overeengekomen dat 110 personen zouden deelnemen aan de feestavond. [eiseres] heeft immers expliciet bij exploot van dagvaarding naar voren gebracht dat [gedaagde], nadat [eiseres] dit aan haar had doorgegeven, had bevestigd dat 110 gasten aanwezig zouden zijn op de feestavond. [eiseres] heeft gesteld noch onderbouwd, laat staan bewezen, dat zij ná 10 november 2008 een bericht van annulering van acht (extra) gereserveerde plaatsen heeft gestuurd, zodat moet worden uitgegaan van het meest recente aantal aangemelde gasten, namelijk 110. [eiseres] dient het risico te dragen van het onafgemeld niet-verschijnen van enkele gasten, zo volgt ook uit artikel 9.1.4. UVH.

Nu [eiseres] een aanbetaling voor 120 personen heeft voldaan, terwijl 110 personen waren aangemeld voor gala en diner, heeft zij recht op restitutie van de te veel betaalde reserveringsgelden tot een bedrag van € 820,00 (10 x € 82,00).

Ten aanzien van de overnachting zijn partijen een prijs overeengekomen van € 32,50 per persoon. [eiseres] heeft gesteld dat er 100 gasten in het hotel hebben overnacht, terwijl [gedaagde] meent dat het om 102 gasten is gegaan. [eiseres] heeft haar afwijkende becijfering bij repliek onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om tegenover de bij antwoord verdedigde registratie van [gedaagde] een lijst met namen van personen die in het hotel hebben overnacht of enig bewijs van het aantal daadwerkelijk geboekte kamers over te leggen. Zonder deze specificatie(s) moet worden uitgegaan van het door [gedaagde] opgegeven aantal gasten die in het hotel hebben overnacht. Partijen zijn het er over eens dat in ieder geval restitutie voor achttien te veel in rekening gebrachte overnachtingen dient plaats te vinden. [eiseres] heeft derhalve nog recht op vergoeding van € 585,00 (18 x

€ 32,50).

Het aanvankelijk gevoerde verweer dat aan [gedaagde] in verband met geleden schade een ‘beroep op verrekening’ toekomt, is bij repliek gemotiveerd weersproken. Om die reden moet aan het oorspronkelijke verweer, als [gedaagde] dit al heeft willen handhaven, worden voorbijgegaan. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om gedetailleerd in te gaan op de conclusie van repliek, nu de inhoud daarvan zeker tot aanvullende stellingname of tot toespitsing van het verweer aanleiding gaf. In het bijzonder had [gedaagde] de gestelde schade bij dupliek kunnen onderbouwen door het overleggen van foto’s van de schade en/of getuigenverklaringen. Nu zij dit heeft nagelaten, wordt het beroep op verrekening met een verwijzing naar artikel 6:136 BW gepasseerd. De gegrondheid van enigerlei tegenvordering van [gedaagde] is immers allerminst “op eenvoudige wijze” vast te stellen. Dit houdt tevens in dat [gedaagde] gehouden is de borg ad € 500,00 terug te storten op de rekening van [eiseres].

[eiseres] maakt aanspraak op wettelijke “handelsrente” vanaf 30 november 2009. Gesteld noch gebleken is echter dat [eiseres] een professionele partij is, zodat de onderhavige overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een handelsovereenkomst. Voor zover dit onderdeel van de vordering moet worden begrepen als een aanspraak op wettelijke rente als zodanig, wordt als volgt geoordeeld. De post vervallen wettelijke rente zal worden afgewezen, nu [eiseres] niet (expliciet) heeft gesteld met ingang van welke datum [gedaagde] met betaling van de hoofdsom in verzuim was. [eiseres] heeft vermeld dat zij [gedaagde] “diverse malen” schriftelijk heeft herinnerd en/of aangemaand de onverschuldigd betaalde reserveringskosten te restitueren. [eiseres] heeft echter nagelaten te vermelden wanneer en op welke grond [gedaagde] (daardoor) in verzuim is geraakt. Verder is gesteld noch gebleken dat op enige datum van rechtswege verzuim is ingetreden. Derhalve is niet komen vast te staan dat [gedaagde] eerder dan per datum dagvaarding in verzuim is geraakt. Tevens is onduidelijk gebleven over welke periode en krachtens welke feitelijke en juridische gronden rente is berekend. Wel is de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding toewijsbaar, omdat [gedaagde] in ieder geval door de daad van dagvaarding in verzuim is geraakt.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal in verband hiermee eveneens worden afgewezen. De met die kosten samenhangende werkzaamheden zijn immers verricht tijdens een periode waarvan niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] in verzuim was. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde activiteiten hebben geleid tot (naar noodzaak en omvang) redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de aan de zijde van [eiseres] gevallen proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te voldoen de somma van

€ 1.905,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2009, tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de datum van dit vonnis begroot op € 593,98, waarin begrepen een bedrag van € 300,00 aan salaris gemachtigde.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.