Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK3411

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1830
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeschiktheidontslag lid vrijwillige brandweer wegens vertrouwensbreuk met leidinggevenden. Beroep ongegrond: vertrouwensbreuk mede door eisers niet accepteren van het ontslagbesluit van de postcoördinator, onderling vertrouwen essentieel bij brandweer. Eiser heeft de hem expliciet geboden mogelijkheden tot herstel van de vertrouwensbreuk niet benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1830

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser],

wonend te Geulle, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 2 oktober 2008

Kenmerk: 2008/8383

1. Procesverloop

Eiser heeft tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 september 2009, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde J. de Jong, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.J. Rutten, advocaat te ’s Hertogenbosch en R.S.M.R. Offermans, J.J.M Eurlings en K. van Raak, allen werkzaam bij verweerder.

2. Overwegingen

Eiser was als vrijwilliger in dienst van de vrijwillige brandweer bij de brandweerpost Geulle van de gemeente Meerssen.

Naar aanleiding van een brief van 10 december 2007 van de leden van de post Geulle aan de gemeenteraad heeft er op 17 december 2007 overleg plaatsgevonden met onder andere de burgemeester. Tijdens dit overleg hebben de leden van de post Geulle aangegeven alleen door te willen gaan als het ontslag van hun voormalige postcoördinator ongedaan wordt gemaakt. Dit heeft geleid tot opheffing van de post Geulle, aan eiser is bij besluit van 19 december 2007 met ingang van 1 januari 2008 ontslag verleend.

Tegen dit besluit heeft eiser op 31 januari 2008 bezwaar gemaakt. Eiser is, in aanwezigheid van zijn gemachtigde, op 19 juni 2008 op het bezwaar gehoord door de personele kamer van de Intergemeentelijke adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de bezwarencommissie).

Verweerder heeft bij het nu bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard onder handhaving van zijn besluit tot ontslagverlening per 1 januari 2008, zij het dat het ontslag eervol wordt verleend. Het ontslag is gebaseerd op artikel 19:1:39, eerste lid, aanhef en onder g, van de Collectieve arbeidsvoorwaarden en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector Gemeenten (hierna: CAR/UWO). Verweerder volgt daarbij het advies van de bezwarencommissie onder overname van de overwegingen daarin.

Verweerder overweegt dat het door de leden van de brandweerpost Geulle, waaronder eiser, opzeggen van het vertrouwen in de leiding van de brandweer een opheffing van de brandweerpost Geulle en het ontslag van eiser rechtvaardigde, met name nu eiser in zijn standpunt bleef volharden om slechts in functie te willen blijven als het ontslag van de postcoördinator zou worden ingetrokken. Bestreden wordt dat eiser voorafgaande aan het primaire besluit niet al op de hoogte was van een mogelijke ontslagverlening.

Eiser heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat het ontslag onrechtmatig is en de motivering onvoldoende. Hij heeft nimmer het vertrouwen opgezegd in de commandant en leidinggevenden, verweerder gaat dan ook onterecht uit van een vertrouwensbreuk tussen de leden van de brandweerpost Geulle en de interim postcoördinator, de brandweercommandant en de burgemeester. In eisers visie hebben bedoelde leden slechts vragen gesteld en het ontslag van de postcoördinator ter discussie gesteld. Nu het niet meer bestaan van een vertrouwensrelatie ten grondslag ligt aan het ontslagbesluit, kan van onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van de werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken geen sprake zijn.

Volgens eiser is ook sprake van schending van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat hij geen zienswijze heeft kunnen geven over het voornemen tot ontslagverlening.

Het beroepschrift strekt tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Eiser verzoekt verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het aan eiser verleende ongeschiktheidontslag in rechte stand kan houden.

Naar aanleiding van de door eiser naar voren gebrachte beroepsgrond dat hij niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb is gehoord, voordat het besluit van 19 december 2007 door verweerder is genomen, overweegt de rechtbank dat deze omissie niet tot een vernietiging van het thans bestreden besluit kan leiden. De rechtbank kan er niet aan voorbij zien dat de in de Awb voorziene bezwaarprocedure een heroverweging beoogt van het primaire besluit in het kader waarvan een omissie als hier aan de orde kan worden gerepareerd. In dit geval is dat naar het oordeel van de rechtbank met het horen van eiser in de bezwaarfase ook genoegzaam gebeurd. Daar komt bij dat de zaak al geruime tijd speelde en het eiser duidelijk kon zijn dat het vasthouden aan het ongedaan maken van het ontslag van de postcoördinator gevolgen kon hebben. Ook tijdens het gesprek van 17 december 2007 met verweerder is de aanwezigen, onder wie eiser, uitdrukkelijk voorgehouden wat de gevolgen zouden zijn van het vasthouden aan de eis dat het ontslag van de postcoördinator Geulle moest worden teruggedraaid. Na twee schorsingen voor overleg tussen de leden van de post is meegedeeld dat de leden zich uiteindelijk niet konden verenigen met het niet terugdraaien van het ontslag van de postcoördinator. Van een rauwelijkse confrontatie van eiser met het besluit van 19 december 2007 is daarom geen sprake geweest. Het vorenstaande brengt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat schending van het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb niet tot een vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.

Uit de stukken begrijpt de rechtbank dat op de informatiebijeenkomst op 30 oktober 2007 vanuit de post Geulle forse kritiek werd geuit op de brandweercommandant. Verweerder meldt dat hierbij “op de man werd gespeeld”, waarbij van enige zelfkritiek en een houding om goed te luisteren naar andere opvattingen geen sprake was.

Vervolgens uitten de leden van de post Geulle, waaronder eiser, op 12 november 2007 in een brief aan verweerder, in afschrift aan de gemeenteraad, hun ongenoegen over het behartigen van de belangen van de post Geulle door de brandweercommandant, de communicatie door de commandant met betrekking tot het wel en wee van de post Geulle en het nakomen van gemaakte afspraken tussen de commandant en de post Geulle. Ook werd het onacceptabel genoemd dat de burgemeester op 30 oktober 2007 zou hebben verklaard dat hij geen vertrouwen meer heeft in de brandweer Meerssen, welke verklaring later door de burgemeester en andere aanwezigen is ontkend.

Vervolgens heeft de postcoördinator van de post Geulle in een gesprek met de leiding geweigerd zich van de brief van 12 november 2007 te distantiëren, waarop de postcoördinator is geschorst. Na een mondelinge toelichting hierop door de burgemeester en de brandweercommandant gaven de leden van de post Geulle aan, door te gaan met hun brandweerwerk.

Op 5 december 2007 is aan de leden van de post Geulle een mondelinge toelichting gegeven op het ontslag van de postcoördinator Geulle, waarbij de leden hun vertrouwen uitspraken in de interim-postcoördinator en de brandweercommandant.

Op 10 december 2007 verzochten de leden van de post Geulle, waaronder eiser, de gemeenteraad om de geschetste problemen te onderzoeken en met name de nadelige consequenties voor zowel de postcoördinator als de leden van de post Geulle teniet te doen. Ook werden expliciet vraagtekens geplaatst bij de integriteit van de burgemeester, de gemeentesecretaris en de brandweercommandant.

In reactie hierop heeft verweerder de leden van de post Geulle uitgenodigd voor een gesprek op 17 december 2007. Nadat in dit gesprek is meegedeeld dat het ontslag van de postcoördinator niet zou worden teruggedraaid en de leden herhaald verklaarden dat zij slechts verder wilden als de postcommandant terugkwam, heeft verweerder besloten de post Geulle per direct op te heffen.

Na de brief van 19 december 2007 met de ontslagverlening per 1 januari 2008 is met enkele vrijwilligers getracht tot een oplossing te komen. Dit is nogmaals gebeurd in januari 2008, maar zonder resultaat.

In januari 2008 hebben de leden van de post Geulle een brief in Geulle verspreid met het onderwerp “Steunbetuiging aan Geulse brandweer”, waarin het ongenoegen werd geuit over het verleende ontslag. Gelet op de hierdoor ontstane onrust in Geulle heeft verweerder op 22 januari 2008 hierop in een bewonersbrief gereageerd.

De rechtbank oordeelt dat uit bovengenoemde weergave van de feiten genoegzaam komt vast te staan dat er sprake is van een mede door eiser veroorzaakte vertrouwensbreuk door vast te houden aan het ongedaan maken van het ontslag van de postcoördinator. Uit de gedingstukken is duidelijk geworden dat er van vertrouwen tussen eiser en zijn leidinggevenden geen sprake meer was, nu eiser het genomen ontslagbesluit ten aanzien van de postcoördinator niet wenste te accepteren. Naar het oordeel van de rechtbank hanteert verweerder met recht als uitgangspunt dat voor een professionele en kwalitatief goede uitvoering van de taken van een brandweerkorps, mede gelet op het belang van het werk en de daaraan verbonden risico's, een goede onderlinge samenwerking en onderling vertrouwen ook in de korpsleiding een absolute noodzaak is.

De rechtbank oordeelt dat verweerder tot de conclusie kon komen dat een terugkeer van eiser op de post niet meer mogelijk was. Dat eiser in beroep stelt dat er geen sprake was van een vertrouwensbreuk heeft hij onvoldoende onderbouwd. Verweerder was ingevolge het toepasselijke rechtspositievoorschrift bevoegd eiser eervol te ontslaan op basis van de geconstateerde vertrouwensbreuk.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (LJN AY8059) mag een ongeschiktheidontslag anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken niet eerder worden gegeven dan nadat de betrokken ambtenaar door het bevoegde gezag is aangesproken op zijn functioneren of gedrag en hij in de gelegenheid is gesteld dit functioneren of zijn gedrag te verbeteren. Op dit uitgangspunt kan alleen dan een uitzondering worden gemaakt als de ambtenaar blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken zodat het bevoegde gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. De Raad is van oordeel dat deze laatste conclusie enkel in bijzonder sprekende gevallen mag worden getrokken.

De rechtbank stelt vast dat eiser meermalen de mogelijkheid is geboden op het door verweerder gewraakte standpunt terug te komen. Verweerder heeft aldus aan eiser de expliciete mogelijkheid geboden tot herstel van de vertrouwensbreuk, waarmee hij alsnog blijk kon geven over de vereiste mentaliteit of instelling te beschikken.

Dat eiser deze hem geboden mogelijkheid onbenut heeft gelaten, komt voor zijn rekening. Het ontslag mocht dan ook worden verleend.

Al datgene wat hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot de conclusie dat de bezwaren van eiser moeten worden verworpen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door T.E.A. Willemsen, voorzitter, en P.J.M. Bruijnzeels en M.A.H. Span Henkens, leden, in tegenwoordigheid van F.A.W. van Gils als waarnemend griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009.

w.g. F.A.W. van Gils w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de waarnemend griffier,

Verzonden: 13 november 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.