Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK3161

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-09-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
03/700281-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de afpersing in vereniging heeft begaan.

Hoewel op grond van de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van medeplegen, blijkt uit de stellige verklaring van verdachte, zowel bij de politie als ook ter terechtzitting afgelegd, dat zijn broer er eigenlijk niets mee te maken had en uit bezorgdheid was meegegaan. De rechtbank heeft niet de overtuiging gekregen dat sprake is van medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700281-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 september 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboortegegevens],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 augustus 2009, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen door geweld of bedreiging met geweld een ander heeft gedwongen om geld af te geven.

Ten gevolge van een kennelijke verschrijving staat in de tenlastelegging de naam “[xx]” in plaats van “[getuige 2]”. De rechtbank herstelt deze vergissing door in plaats van het eerste, het laatste te lezen. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt verdachte hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, in die zin, dat verdachte het feit te samen en in vereniging met zijn broer, [medeverdachte], heeft gepleegd. Hij heeft zich hierbij gebaseerd op de verklaringen van verdachte, van zijn medeverdachte, en op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2].

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

[getuige 2] heeft verklaard dat zij op 12 april 2009 samen met haar collega [getuige 1] werkzaam was achter de kassa van [gedupeerde]aan de [B.weg] in de gemeente Heerlen. Plotseling kwam een persoon binnen, gekleed in het zwart. Hij droeg een bivakmuts. Deze persoon liep direct naar de balie. Hij hield een vuurwapen in zijn hand en wees hiermee in de richting van [getuige 2]. Hij gaf [getuige 2] een plastic tas en riep “Geld, geld, snel, snel.” [getuige 2] vulde de plastic tas met geld uit de kassa. Ook [getuige 1]zag dat de persoon een pistool in zijn hand vasthield. Zij keek recht in de loop van het pistool.

Verdachte heeft bekend de overval op [gedupeerde]te hebben gepleegd. Hij was samen met zijn broer, [medeverdachte], hier naar toe. [medeverdachte] is niet mee naar binnen gegaan. Verdachte droeg tijdens de overval een bivakmuts en hij had een pistool bij zich. Dit heeft hij op de vrouw die zich achter de kassa bevond gericht. Achter deze vrouw stond nog een vrouw. Hij heeft de vrouw achter de kassa een plastic tas gegeven en tegen haar gezegd “Geld, geld, snel, snel.” Deze vrouw heeft toen geld in de tas gedaan. Hij heeft ongeveer

€ 1500,- buitgemaakt. Toen hij na de overval buiten kwam zag hij dat [medeverdachte] nog buiten stond. Hij duwde hem het geld en het vuurwapen in de handen. Thuis kreeg hij het geld weer terug van [medeverdachte]. Hij heeft [medeverdachte] vervolgens € 500,- gegeven.

Gelet op de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde overval heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de overval echter niet te samen met een ander (of anderen) gepleegd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Bij de politie heeft [medeverdachte] verklaard dat [verdachte] enkele maanden eerder al eens aan hem had verteld dat hij een overval wilde plegen bij [gedupeerde]. Over de onderhavige overval zegt hij dat dat eigenlijk heel dom ging. Ze hadden van te voren afgesproken hoe ze de overval zouden plegen. [verdachte] zou naar binnen gaan en wanneer hij naar buiten kwam het geld aan hem geven. Zo is het later ook gebeurd, aldus [medeverdachte] (zie pag. 32 van het dossier). Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zijn broer er wel bij was, maar dat die er eigenlijk niets mee te maken had. Zijn broer was meegegaan uit bezorgdheid omdat hij op dat moment onder invloed van verdovende middelen was. Ter terechtzitting heeft de voorzitter een brief van verdachte voorgelezen waarin hij uitvoerig de onschuld van zijn broer bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verklaring die [medeverdachte] bij de politie heeft afgelegd de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van medeplegen. Gelet evenwel op de stellige verklaring van verdachte, zowel bij de politie als ook ter terechtzitting afgelegd, dat zijn broer er eigenlijk niets mee te maken had en uit bezorgdheid was meegegaan, heeft de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat sprake was van medeplegen. Verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 april 2009 in de gemeente Heerlen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [getuige 2]heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 1500 euro, toebehorende aan [gedupeerde], gelegen aan de [B.weg], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte met een door een bivakmuts bedekt hoofd bij voornoemde gokhal naar binnen is gerend en met een vuurwapen voor [getuige 1] en [getuige 2] heeft gestaan en [getuige 2] de woorden heeft toegevoegd "geld, geld, snel, snel".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

afpersing.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt het volgen van een of meer gedragsinterventies.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 18 maanden bepleit.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank heeft in het bijzonder rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft een gewapende overval gepleegd, waarbij de slachtoffers werden bedreigd met een vuurwapen en uiteindelijk één slachtoffer werd gedwongen tot afgifte van geld. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de (psychische) impact die het feit op de slachtoffers heeft gehad en de gevoelens van angst die de slachtoffers hebben ervaren op het moment dat zij op een gewelddadige wijze werden benaderd. Dergelijke feiten wakkeren de gevoelens van onveiligheid, die reeds in de samenleving bestaan, aan.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte van 22 juli 2009, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder met justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts aansluiting gezocht bij de door de rechtbank in het recente verleden in vergelijkbare zaken opgelegde straffen. Gelet op het vorenstaande zou in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden op zijn plaats zijn.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte echter nog rekening met het feit dat hij ter terechtzitting blijk heeft gegeven verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen. Bovendien heeft hij volledige openheid van zaken gegeven. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank voorts gelet op de omstandigheid dat verdachte bij vonnis d.d. 28 april 2009, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/[xxx]is veroordeeld tot straf en nu opnieuw is schuldig verklaard aan een strafbaar feit dat voor die datum is gepleegd. Verdachte werd ter zake van overtreding van de Opiumwet en diefstal veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren. Tenslotte heeft de rechtbank acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 15 juli 2009 over de persoon van verdachte, waarin wordt geadviseerd aan verdachte de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht op te leggen, ook indien dit inhoudt het volgen van een of meer gedragsinterventies. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is om aan de cursussen deel te nemen. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij in de toekomst het vinden van werk en een eigen woning wil realiseren. Hij kan hierbij de hulp van de reclassering gebruiken. De rechtbank zal daarom het advies van de reclassering overnemen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren op zijn plaats. De rechtbank zal eveneens overgaan tot oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt het volgen van een of meer gedragsinterventies. In deze straf wordt enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking gebracht en anderzijds dient deze straf verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

6 Het beslag

Ten aanzien van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen spoor op het vuurwapen (DNA nr. AABC3833NL) is niet duidelijk geworden wie de rechthebbende is. Derhalve zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een of meer gedragsinterventies;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

nr. 1 Sporen model pistool spoornr.24567 DNA nr. AABC3833NL.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Hazen, voorzitter, mr. A.M. Schutte en

mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 september 2009.

Buiten staat

Mr. A.M. Schutte is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 april 2009 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [getuige 1] en/of [getuige 2]heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 1500 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [gedupeerde], gelegen aan de [B.weg], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader, met een door een bivakmuts bedekt hoofd, bij voornoemde gokhal naar binnen is gerend en/of met een vuurwapen voor [getuige 1] en/of [getuige 2] heeft gestaan en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] de woorden heeft toegevoegd "geld, geld, snel, snel", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking.