Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK3158

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
03-700419-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Verdachte is onder ander veroordeeld wegens het meermalen als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven. Het beroep op overmacht is door de rechtbank verworpen, nu verdachte niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd teneinde aan zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700419-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 november 2009

in de strafzaak tegen een persoon, zich noemende,

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 oktober 2009. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander dan wel alleen in een personenauto heeft ingebroken, dan wel opzettelijk een flesje parfum heeft geheeld;

Feit 2, 3 en 4: als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft hij zich gebaseerd op de verklaring van verdachte met betrekking tot het parfumflesje en de processen-verbaal van bevindingen. Het door de getuige opgegeven signalement komt overeen met het signalement van verdachte. Bij verdachte is bovendien het gestolen parfumflesje aangetroffen.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de verklaring van verdachte inhoudende dat hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 primair bepleit. Verdachte heeft het feit ontkend. Zijn verklaring tijdens het verhoor bij de raadkamer gevangenhouding inhoudende dat een ander de tas uit de auto heeft weggenomen en dat hij er alleen bij stond te kijken, is onvoldoende voor het aannemen van medeplegen. Naast de anonieme melding is er geen ander bewijs voorhanden. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft ten slotte betoogd dat de feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot feit 1

Op 19 juli 2009 is melding gemaakt van een auto-inbraak. De auto stond geparkeerd onder de [N.brug] te Maastricht. Dit is aan de [F.singel]. Volgens een getuige is de inbraak gepleegd door twee mannen met een Marokkaans uiterlijk, beiden rijdend op een fiets. Eén van de mannen zou gekleed zijn in een zwarte sweater met capuchon.

Naar aanleiding van deze melding zijn de camerabeelden live bekeken. Op de beelden waren twee personen met een getint uiterlijk te zien, beiden rijdend op een fiets. Eén van de mannen was gekleed in een geruit vest met capuchon en droeg een witte plastic draagtas. De andere man was gekleed in een zwart vest. Er werd een patrouille ter plaatse gestuurd.

De verbalisanten troffen ter plaatse twee fietsende mannen aan die voldeden aan het signalement. Beide mannen werden staande gehouden. De personen gaven op te zijn [verdachte], en [medeverdachte]. Verdachte was gekleed in een donkerkleurig geruite sweater met capuchon. [medeverdachte] droeg een zwart vest. De man gekleed in het geruite vest met capuchon had een witte plastic draagtas bij zich met het blauwe logo van een apotheek. Verdachte had een schroevendraaier in zijn broekzak en hield een flesje parfum met goudkleurige dop, van het merk Jovan, in zijn hand. Beide goederen zijn in beslag genomen.

Er werd telefonisch contact opgenomen met eerdergenoemde getuige. Deze deelde mede dat de man met de donkere trui met capuchon het raam van een auto had ingeslagen. Hij had vervolgens iets uit de auto weggenomen en hij had dit in een witte plastic draagtas met blauwe strepen gestopt. Na de inbraak zijn beide mannen weggefietst.

Door [slachtoffer] is aangifte gedaan van diefstal uit de personenauto, merk Volkswagen Passat, met kenteken [XX-XX-XX], die geparkeerd stond aan de [F.singel]. Hierbij werd de ruit van het portier aan de bijrijderzijde vernield. Uit de auto zijn weggenomen een rugzak met daarin sportschoenen, een handdoek, enkele mappen en een klein flesje parfum met goudkleurige dop. [slachtoffer]heeft het bij verdachte aangetroffen flesje parfum herkend. Zij heeft spontaan aangegeven dat de parfum het merk Jovan betrof.

Gelet op de processen-verbaal van bevindingen en de aangifte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 19 juli 2009 in de auto van [slachtoffer] heeft ingebroken. Zowel verdachte als [medeverdachte] zijn bij de diefstal aanwezig geweest en ze zijn na de diefstal samen weggefietst. Nu ook geen van beiden zich heeft gedistantieerd van de diefstal, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze diefstal samen met een ander heeft gepleegd.

Aan dit oordeel doet de verklaring van verdachte dat niet hij maar de ander de tas uit de auto heeft gepakt niet af. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, nu verdachte steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd. Bovendien doet het er in de omstandigheden van deze zaak niet toe wie uiteindelijk de tas heeft gepakt.

Ook de verklaring van [medeverdachte], inhoudende dat hij niet heeft gezien dat verdachte heeft ingebroken, acht de rechtbank, in het licht van de overige bewijsmiddelen, niet geloofwaardig.

Met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4

De rechtbank heeft op basis van het onderzoek van de Regionale Vreemdelingenrecherche geconstateerd dat, [verdachte], in het verleden gebruik heeft gemaakt van verschillende aliassen, waaronder de alias [naam/geboortegegevens] Tunesië. De rechtbank stelt derhalve vast dat [alias] en verdachte één en dezelfde persoon zijn. Nu de naam [naam/geboortegegevens] Tunesië, eveneens als alias staat vermeld in de beschikking tot ongewenstverklaring op naam van [verdachte], stelt de rechtbank daarmee eveneens vast dat de beschikking tot ongewenstverklaring betrekking heeft op verdachte.

Bij beschikking van 28 oktober 1999 is verdachte op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling verklaard. Deze beschikking is op 5 november 1999 aan verdachte uitgereikt.

Op 25 april 2009 is verdachte aangetroffen in Maastricht. Hij heeft na zijn aanhouding verklaard dat hij wist dat hij in Nederland als ongewenst vreemdeling stond geregistreerd.

Op 5 mei 2009 is verdachte opnieuw aangetroffen in Maastricht. Hij heeft na zijn aanhouding verklaard dat hij wist dat hij niet in Nederland mag verblijven.

Ten slotte is verdachte op 19 juli 2009 in Maastricht als verdachte van het hiervoor onder 1 besproken feit staande- en aangehouden.

Gelet op het aantreffen van verdachte in Maastricht, de beschikking tot ongewenstverklaring, de betekening van deze beschikking aan verdachte en de verklaringen van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft begaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto (merk VW Passat, kenteken [XX-XX-XX]) heeft weggenomen een rugzak en sportschoenen en parfum en een handdoek en mappen, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

op 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van enig wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

3.

op 5 mei 2009, in de gemeente Maastricht, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

4.

op 25 april 2009, in de gemeente Maastricht, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van feit 2, 3 en 4:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4, nu er sprake is van overmacht. Hij heeft daartoe betoogd dat verdachte, ondanks zijn bereidheid tot medewerking en herhaalde pogingen door de Nederlandse autoriteiten, niet uit Nederland heeft kunnen vertrekken vanwege de opstelling van de Algerijnse autoriteiten. Er is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten zich zeer terughoudend opstellen met betrekking tot het verstrekken van papieren die noodzakelijk zijn voor de terugkeer naar dit land. Verdachte heeft daardoor niet de gelegenheid gehad om Nederland te verlaten.

De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, op het standpunt gesteld dat verdachte niet alles heeft ondernomen om terug te keren naar Algerije. Zo heeft verdachte verschillende aliassen gebruikt.

Om vast te stellen of er sprake is van een overmachtsituatie dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte zijnerzijds alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd teneinde aan zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte zelf ook maar een enkele poging heeft ondernomen om uit Nederland te geraken. Dit blijkt alleen al uit de omstandigheid dat verdachte geen verifieerbare opgaven omtrent zijn woon- of verblijfplaats heeft gedaan, waardoor hij niet op ieder moment bereikbaar is. Hij heeft bovendien gebruik gemaakt van verschillende aliassen, hetgeen de vaststelling van zijn identiteit bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. De identiteit en nationaliteit van verdachte zijn immers tot op heden niet vastgesteld kunnen worden. De omstandigheid dat de Algerijnse autoriteiten geen ‘laissez passer’ verstrekken, is dan ook in de eerste plaats aan verdachte zelf te wijten en kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een overmachtsituatie. Verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair betoogd, indien de rechtbank de door hem bepleite ontslag van alle rechtsvervolging niet zal volgen, bij de op te leggen straf rekening te houden met de praktische onmogelijkheid van verdachte om terug te keren naar Algerije.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak uit een personenauto. Hiermee heeft hij blijk gegeven van een gebrek aan respect voor eigendommen van andere personen.

Verdachte heeft zich bovendien driemaal schuldig gemaakt aan onwettig verblijf in Nederland. Verdachte weet al tien jaar dat hij niet in Nederland mag verblijven, maar hij onderneemt niets om hier te vertrekken. Verdachte is voor de Nederlandse samenleving een lastpak. Hij pleegt keer op keer strafbare feiten, zodat het ook niet verwonderlijk is dat hij al lange tijd ongewenst is. De enige remedie die de rechtbank heeft, is verdachte dan maar gevangenisstraf op te leggen, zodat hij gedurende zijn straf niet in de gelegenheid is nieuwe strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de door het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor een diefstal uit een auto geldt een oriëntatiepunt van 3 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het onwettig verblijven in Nederland geldt een oriëntatiepunt van twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij voor iedere volgende keer een maand extra wordt opgelegd.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en tevens meermalen werd veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Dit zal de rechtbank laten meewegen.

Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden op zijn plaats.

6 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen parfumflesje zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [slachtoffer]. Hij heeft gevorderd de in beslag genomen schroevendraaier verbeurd te verklaren.

De raadsman heeft primair betoogd dat de schroevendraaier teruggegeven dient te worden aan verdachte. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen schroevendraaier zal verbeurd worden verklaard, nu het een voorwerp betreft dat tot het begaan van feit 1 is bestemd.

Het in beslag genomen parfumflesje dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [slachtoffer].

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 57, 197, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

nr. 1: 1 Schroevendraaier (Goednummer 1673621);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

nr. 2: 1 Flesje parfum, merk: Jovan (goednummer 1673623),

aan [slachtoffer], [adresgegevens], Bondsrepubliek Duitsland.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. R.M.P.G. Niessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 november 2009.

Buiten staat

Mr. R.M.P.G. Niessen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een personenauto (merk VW Passat, kenteken [XX-XX-XX]) heeft weggenomen een rugzak en/of sportschoenen en/of parfum en/of een handdoek en/of mappen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, een flesje parfum(goudkleurig) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat flesje parfum wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

3.

Hij op of omstreeks 5 mei 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

4.

Hij op of omstreeks 25 april 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.