Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK2013

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
145202/KG ZA 09-458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"besluitvorming"; "fusievoorstel"; "algemene ledenvergadering"; "vereniging".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

Zaaknummer : 145202 / KG ZA 09-458

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

de vereniging INITIATIEFGROEP BEHOUD ZELFSTANDIGE RVT,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres,

advocaat mr. R.M.W.H. Bedaux;

tegen:

de naar Nederlands recht rechtspersoonlijkheid bezittende VERENIGING RVT (Vereniging van Register Vastgoed Taxateurs),

gevestigd en kantoor houdende te Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. B. van Meurs

1.Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen “de initiatiefgroep”, heeft gedaagde, hierna te noemen “RvT”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 29 oktober 2009, heeft de initiatiefgroep gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties en een ter zitting nog overgelegde brief aan de hand van een pleitnota nader heeft doen toelichten.

De RvT heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Vervolgens is het geding tweemaal voor enige tijd geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil alsnog in der minne te regelen. Na de hervatting is gebleken dat zij niet tot overeenstemming waren gekomen.

Ten slotte heeft de initiatiefgroep om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.Het geschil

Op grond van hetgeen hierna aan de orde zal komen, heeft de initiatiefgroep gevorderd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de RvT in deze spoedeisende aangelegenheid verbiedt:

1.een voorstel te (laten) behandelen en in stemming te laten brengen in de algemene

ledenvergadering (verder te noemen: ALV) van de RvT er toe strekkende om het bestuur op te dragen alsnog uitvoering te geven aan het tot stand brengen van de fusie conform het fusievoorstel met de LMV tot VastgoedPRO;

2.voorts in directe of indirecte zin het bestuur uitvoering te laten geven aan besluiten van

7 okober 2009 en/of 3 november 2009 van de ALV van de RVT in directe of indirecte zin strekkende tot het tot stand brengen van de fusie conform het fusievoorstel met de LMV tot VastgoedPRO totdat de rechtbank Maastricht omtrent de nietigheid van deze besluiten heeft beslist,

zulks voor het onder een en twee gevorderde op verbeurte van een dwangsom van € 1000,- voor elke dag dat de RvT binnen 2 dagen na betekening nalaat aan dit vonnis te voldoen;

3.de RvT veroordeelt in de kosten van dit geding aan de zijde van de initiatiefgroep gerezen inclusief salaris advocaat.

De vorderingen worden door de RvT weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op haar verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.De initiatiefgroep, zo is tijdens de mondelinge behandeling summierlijk gebleken, is een in der haast – na de gang van zaken tijdens de ALV van de RvT van 7 oktober 2009 – opgerichte vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Gezien deze feiten is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij als eisende procespartij een voorziening in kort geding kan vorderen. Hoewel haar status in de dagvaarding niet duidelijk tot uitdrukking is gebracht, kan (gegeven haar toelichting) op zitting niet worden geoordeeld dat zij het predicaat “spookpartij” heeft. Voor het zijn en in rechte kunnen optreden als vereniging is geen registratie in het Handelsregister vereist, zodat ook dat geen afbreuk doet aan haar juridische status in dit kort geding.

3.2.Heeft de initiatiefgroep voldoende belang en is dat belang voldoende spoedeisend?

De voorzieningenrechter betrekt bij de beantwoording van die vraag allereerst het feit dat de initiatiefgroep, blijkens mededeling tijdens de mondelinge behandeling, bestaat uit die leden van de RvT die tegen een fusie met de LMV zijn. Waar één lid van de RvT uit hoofde van haar lidmaatschap voldoende belang kan hebben bij een voorziening in kort geding geldt dat des te meer voor een groep van ten minste 40 leden die zich onder de parapluie van een vereniging hebben samengepakt om de gang van zaken rondom een beoogde fusie met de LMV aan te vechten c.q. om die fusie te voorkomen.

3.2.1.De gevraagde voorzieningen worden onderbouwd met de volgende stellingen.

De gang van zaken en besluitvorming binnen de RvT op de ALV van 7 oktober 2009 is in verband met de beoogde fusie met de LMV onzorgvuldig en in strijd met het verenigingsrecht geweest. De RvT is voornemens op die ingeslagen weg voort te bouwen tijdens een inmiddels geplande ALV van 3 november 2009. Op de agenda van 3 november staat als punt 4 “Instemming brengen het voorstel om het bestuur op te dragen alsnog uitvoering te geven aan het tot stand brengen van de fusie conform het fusievoorstel met de LMV tot VastgoedPRO”. Indien dat voorstel in stemming wordt gebracht en wordt aangenomen dan zal een – zo begrijpt de voorzieningenrechter – moeilijk terug te draaien situatie ontstaan omdat het bestuur van de RvT de daadwerkelijke fusie voortvarend ter hand zal gaan nemen.

3.2.2.Voor de voorzieningenrechter is met die onderbouwing een voldoende spoedeisend belang gegeven. Daarbij dient te worden bedacht dat tijdens de mondelinge behandeling van de kant van de RvT is medegedeeld dat dat agendapunt 4 op de geplande ALV niets anders is dan het voorstel om te fuseren dat op de ALV van 7 oktober ook op de agenda heeft gestaan, maar bij gebreke van het vereiste quorum toen niet in stemming kon worden gebracht. Volgens de RvT geldt op

3 november dat vereiste quorum niet meer en is het voorstel aangenomen als ten minste 2/3 van de aanwezige leden voorstemmen. De RvT heeft tijdens de zitting duidelijk gemaakt dat de omgeving van de RvT en LMV duidelijkheid willen over de fusie en daarmee heeft de RvT aan de voorzieningenrechter de indruk gegeven dat zij voornemens is een positief besluit van de ALV over de fusie – ná circa 1,5 jaar van discussie en voorbereiding - voortvarend uit te voeren.

Deze door de RvT aangevoerde feiten en omstandigheden dragen naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij aan de conclusie dat het spoedeisend belang van de initiatiefgroep ruimschoots aannemelijk is geworden.

3.3.De gang van zaken en besluitvorming rondom de voorgenomen fusie van de RvT met de LMV.

3.3.1.Uit het debat tussen partijen en de overgelegde stukken leidt de voorzieningenrechter de volgende feiten af.

Nadat tijdens de ALV van 20 augustus 2009 niet kon worden gestemd over het op de agenda staande fusievoorstel (quorum niet gehaald) is op de volgende ALV van 9 september 2009 dat fusievoorstel in stemming gebracht. Dat voorstel is toen niet aangenomen. De voorstanders kwamen één stem te kort.

Op verzoek van 10% van de leden heeft het bestuur van de RvT een nieuwe ALV uitgeschreven voor 7 oktober 2009.

De groep die om de ALV had verzocht heeft twee agendapunten op de agenda laten plaatsen te weten:

“2. Vernietiging van het besluit m.b.t. het fusievoorstel genomen d.d. 9-9-2009

3 In stemming brengen het voorstel om het bestuur op te dragen alsnog uitvoering te geven aan het tot stand brengen van de fusie conform het fusievoorstel met de LMV tot VastgoedPRO”

Blijkens de (nog niet vastgestelde) notulen van de ALV van 7 oktober 2009 is er na enige discussie over de vraag of de ALV al dan niet besluiten mag vernietigen, gestemd over het voorstel verwoord onder agendapunt 2. Het voorstel wordt aangenomen en daarmee “is het besluit om het fusievoorstel niet aan te nemen vervallen”.

Bij de behandeling van agendapunt 3 wordt vastgesteld dat het vereiste quorum niet aanwezig is, zodat dat punt verder niet behandeld kan worden.

In de uitnodiging en het agendavoorstel voor de ALV van 3 november a.s. staat dat punt 3 andermaal op de agenda. In de toelichting bij de uitnodigingsbrief van de leden staat dat dit punt conform het verzoek van de grote meerderheid van de leden op de ALV van 7 oktober 2009 opnieuw op de agenda is geplaatst. Besluiten hierover kunnen worden genomen met 2/3 van de aanwezige leden daar het de tweede vergadering is waarop het onderwerp op de agenda staat.

3.3.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de besluitvorming en gang van zaken rondom een voorgenomen fusie van een vereniging met een andere vereniging tot een nieuwe vereniging, gelet op het ingrijpende karakter ervan zorgvuldig, transparant, eenduidig en met inachtneming van de statuten en het verenigingsrecht dient te geschieden.

Tegen de achtergrond van deze maatstaf wordt als volgt geoordeeld.

Het op 7 oktober 2009 onder agendapunt 2 door de ALV genomen besluit is een non-besluit ofwel het besluit heeft geen juridische geldingskracht. In feite is dat ook door de advocaat van de RvT tijdens de mondelinge behandeling onderschreven: men wilde, zo heeft hij gezegd, het beeld wegnemen of herroepen dat er tegen de fusie was gestemd.

Uitsluitend de ALV van 9 september 2009 had omtrent haar eigen besluitvorming kunnen besluiten dat “het besluit om het fusievoorstel niet aan te nemen” was vervallen of niet was aangenomen nadat de voorzitter had vastgesteld dat het fusievoorstel niet was aangenomen. Blijkens de statuten van 9 september 2009 heeft de ALV dat niet gedaan en evenmin is tegen die vaststelling in rechte opgekomen.

3.3.3.Ten aanzien van agendapunt 3 van de ALV van 7 oktober 2009 worden door partijen tegenstrijdige standpunten verwoord c.q. ingenomen: enerzijds stelt de initiatiefgroep dat er, gegeven het feit dat de ALV nog geen positief fusiebesluit had genomen, ook (nog) geen sprake kon zijn van het gaan besluiten over de uitvoering van een fusiebesluit, terwijl anderzijds de RvT bepleit dat het haar vrijstond om opnieuw een besluit tot fusie aan de ALV voor te leggen en de daarbij behorende uitvoering van die fusie en dat niets meer of minder de bedoeling was van dat derde agendapunt.

3.3.4.De voorzieningenrechter oordeelt hieromtrent als volgt.

Tot de ALV van 7 oktober 2009 heeft, indien het fusievoorstel aan de ALV werd voorgelegd, dat letterlijk als “fusievoorstel” of “stemming fusievoorstel” op de agenda of in de notulen gestaan. Als zodanig verwoord stond het niet op de agenda van de ALV van 7 oktober. De combinatie van de agendapunten 2 en 3 op de agenda van die ALV moet in onderling verband en samenhang worden begrepen en beoordeeld. Door het als tweede agendapunt te formuleren als “vernietiging etc” en vervolgens onder agendapunt 3 te spreken over “uitvoering te geven aan het tot stand brengen van de fusie” heeft men naar de leden van de RvT de indruk gewekt c.q. de onduidelijkheid geschapen dat met de vernietiging ook het fusievoorstel alsnog was aangenomen en dat vervolgens nog moest worden gestemd over de uitvoering van dat fusievoorstel.

Die onduidelijkheid had de RvT of haar bestuur kunnen voorkomen door in de uitnodiging van de leden voor de ALV van

7 oktober 2009 klip en klaar als agendapunt in plaats van de door de 10% groep voorgestelde formulering onder punt 3 te vermelden (hernieuwde) “stemming fusievoorstel”. Hoewel er ook iets te zeggen valt voor de door de RvT tijdens de mondelinge behandeling (achteraf) gegeven uitleg over de gang van zaken en betekenis van de ALV-besluitvorming op

7 oktober, gaat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter om het beeld zoals dat door de gang van zaken op de 7de oktober 2009 is geschapen. Dat beeld kan worden getypeerd als niet transparant en niet eenduidig. Voor de opgeroepen leden is niet duidelijk geweest, althans dat valt bepaald niet uit te sluiten, dat opnieuw het fusievoorstel in stemming zou worden gebracht. Evenmin valt dan ook uit te sluiten dat alle leden in de positie zijn geweest om te bepalen of zij wel of niet bij deze belangrijke besluitvorming over het voortbestaan van de RvT als zelfstandige beroepsvereniging aanwezig wilden zijn (eventueel via vertegenwoordiging).

3.3.5.De consequentie van het hierboven gegeven oordeel is dat, getoetst aan de in overweging 3.3.2. vooropgestelde maatstaf, het gevraagde verbod onder 1. dient te worden toegewezen. De termijn tot de aanstaande vergadering en het ingrijpende karakter van een eventueel nog voor die vergadering te agenderen fusiebesluit laat niet toe dat de RvT alsnog zou gaan trachten om de aanstaande ALV daarvoor te gaan benutten. Anders gezegd: Indien de RvT tot een fusiebesluit wenst te komen, zal zij daartoe een nieuwe ALV dienen uit te schrijven waarbij op de agenda staat “stemming fusievoorstel” zodat voor alle leden duidelijk is dat een nieuwe poging wordt gedaan om te komen tot een fusie met de LMV. Om te voorkomen dat dit zou gaan gebeuren, de RvT heeft zich daar ter zitting niet onomwonden tegen uitgesproken, zal het verbod ook in die zin worden bevolen. Voor een toewijzing van de vordering onder 2 is dan geen aanleiding meer.

3.3.6.Met betrekking tot de dwangsom wordt overwogen dat de RvT deze verbeurt, na betekening, bij elke overtreding van elk verbod en zolang zij die overtreding(en) na 3 november 2009 in stand houdt. De RvT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de initiatiefgroep worden veroordeeld.

3.4.Afgaande op hetgeen tijdens de behandeling naar voren is gekomen, geeft de voorzieningenrechter partijen nog het volgende in overweging.

De stemverhoudingen binnen de RvT lijken zich af te tekenen in de richting van een 2/3de meerderheid voor de fusie met de LMV. Ook de initiatiefgroep lijkt zich dat te realiseren, althans dat zou getuigen van gevoel voor de inmiddels ontstane verhoudingen binnen de RvT. Het huidige bestuur van de RvT hecht zeer aan een fusie: een sterke branchevereniging in het huidige tijdsgewricht wordt van groot belang geacht. Het zou het bestuur van zowel de RvT als de LMV er veel aan gelegen moeten zijn om ook de groep leden van de RvT, die zich onder de initiatiefgroep hebben verenigd, voor de fusie te winnen. Dat lijkt alleen te kunnen lukken indien beide besturen met het bestuur van de initiatiefgroep op korte termijn om de tafel gaan zitten om te bespreken welke inhoudelijke wensen de initiatiefgroepleden (met name register-taxateurs) hebben zodat voldoende recht wordt gedaan binnen de nieuwe vereniging aan de door hen gewenste kwaliteitseisen en inhoud. Van de initiatiefgroep mag in die onderhandelingen een reëele opstelling worden verwacht. Van alle vakgenoten met een verantwoordelijke professie mag worden verwacht, dan zij zich zodanig opstellen dat er een resultaat uit de bus rolt inhoudend een op onderdelen aangepast en aangescherpt fusievoorstel dat door alle leden van de RvT en de LMV zou kunnen worden omarmd. Als allen deze uiterste inspanning – onder leiding van een onafhankelijke en bekwame procesbegeleider –niet een serieuze kans wensen te geven, is te verwachten dat de fusie meteen leidt tot een splitsing onder de vakgenoten met alle nadelen en negatieve uitstraling in de omgeving van dien.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

verbiedt de RvT het als punt 4 geagendeerde punt te weten “In stemming brengen het voorstel om het bestuur op te dragen alsnog uitvoering te geven aan het tot stand brengen van de fusie conform het fusievoorstel met de LMV tot VastgoedPRO” tijdens de algemene ledenvergadering van 3 november 2009 in behandeling te nemen en in stemming te brengen;

verbiedt de RvT om op de algemene ledenvergadering van 3 november 2009 een ander agendapunt neerkomend op een voorstel tot fusie met de LMV in stemming te laten brengen;

zulks op verbeurte van een dwangsom van €1.000,-- voor elke dag dat de RvT na betekening in strijd handelt met elk gegeven verbod c.q. die strijd handhaaft met een maximum van in totaal € 60.000,--

veroordeelt de RvT in de kosten van de procedure aan de zijde van de initiatiefgroep gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 72,25 aan kosten dagvaarding, € 262,- aan vast recht en € 816,- voor salaris advocaat;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.J. Frénay, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.I.J. Bruls, griffier.