Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK1293

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
03-700431-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis: De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn vriendin en een poging tot moord op de man die met de vriendin een relatie was begonnen. De rechtbank heeft overwogen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld nu er gedurende de aanloop naar en het verloop van de steekpartij diverse momenten waren waarop verdachte tot bezinnen had kunnen komen. Veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf, waarbij rekening is gehouden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700431-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

gedetineerd Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. J.J.M. Goltstein, advocaat te Kerkrade.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 oktober 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [slachtoffer 1] heeft vermoord.

Feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te vermoorden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat zowel feit 1 als feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de officier van justitie is het volgende gebeurd:

Op 22 juni 2009 ging verdachte naar de woning aan de [adres] in Kerkrade en belde aan. Toen er niet werd opengedaan, liep hij terug naar zijn auto die een aantal deuren verder geparkeerd stond, pakte uit de auto een krik en een mes en liep weer terug. De krik gooide hij door de ruit van de voordeur. Vervolgens verschafte hij zich de toegang tot de woning. Schreeuwend en met een groot slagersmes in zijn hand liep hij de trap op. Boven aan de trap stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die op het geschreeuw waren afgekomen. [slachtoffer 1] zou, volgens verdachte, hem daarop met een stok hebben geslagen. Er is echter geen stok gevonden die verdachte heeft herkend als de stok die [slachtoffer 1] zou hebben gehanteerd. Volgens de officier van justitie doet het er niet toe doet of [slachtoffer 1] nu wel of geen stok in haar handen heeft gehad. Verdachte kan zich in geen geval beroepen op noodweer. Hij is immers zelf de woning binnengedrongen. Terwijl [slachtoffer 1] hem vervolgens duidelijk maakte dat hij weg moest gaan, liep hij toch door, ook na het zien van de stok. Boven aan de trap ontstond een worsteling tussen [slachtoffer 1] en verdachte en deze werd in de kamer voortgezet. Bij deze worsteling raakte [slachtoffer 1] dodelijk gewond en [slachtoffer 2] zwaar gewond.

De officier van justitie is van mening dat bij verdachte sprake is van voorbedachte raad. Of verdachte – zoals hij aanvankelijk verklaarde – het mes op zijn werk is gaan ophalen, is volgens haar niet relevant. Hij heeft, gewapend met een mes, de confrontatie gezocht met zijn slachtoffers. Hij heeft zich rekenschap kunnen geven van zijn handelen. Nadat hij [slachtoffer 1] had neergestoken is hij doorgegaan met [slachtoffer 2]. Er was geen enkele aanleiding om dat te doen.

Dat er sprake van moord en poging tot moord is, blijkt volgens de officier van justitie uit

de eerste twee verklaringen van verdachte zelf, het verslag van de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1], de aangifte van het overlevende slachtoffer [slachtoffer 2] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5].

Het alternatieve scenario dat de raadsman heeft aangedragen, namelijk dat [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] met het mes gestoken zou hebben, is naar mening van de officier van justitie ongeloofwaardig in het licht van de genoemde bewijsmiddelen. De stelling dat het bij het onderzoek gevonden DNA van een onbekende man in dit scenario past, is volgens de officier van justitie onjuist.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman gaat ervan uit dat verdachte [slachtoffer 1] én [slachtoffer 2] heeft gestoken. Volgens de raadsman is het echter mogelijk dat ook [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] met het mes heeft gestoken, waarbij niet duidelijk is wie de fatale steken heeft toegebracht. Dit alternatieve scenario is opgekomen nadat de getuigen [getuige 3] en [getuige 1] in een later stadium hebben verklaard dat de getuige [getuige 2] hun heeft verteld dat [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] met het mes zou hebben gestoken. Volgens de raadsman kan het alternatieve scenario ook na de verhoren door de rechter-commissaris niet worden uitgesloten. Verdachte kan zich niet meer herinneren wat er op de fatale avond is gebeurd, nadat hij de trap was opgerend. Het slachtoffer [slachtoffer 2] en de getuige [getuige 2] kunnen zich evenmin veel van het gebeuren op de desbetreffende avond herinneren. Hun verklaringen lopen bovendien op een aantal punten uiteen. Het sporenonderzoek sluit het alternatieve scenario, volgens de raadsman, evenmin uit. Een groot deel van de sporen is immers niet onderzocht.

Voor het geval het alternatieve scenario aannemelijk wordt geacht, voert de raadsman nog aan dat een veroordeling voor het samen en in vereniging plegen van de moord niet in de rede ligt, nu er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [slachtoffer 2] en de verdachte.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen sprake is van voorbedachte raad. Toen verdachte boos de trap op liep, wist hij helemaal niet zeker of [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] van hem had afgepakt. Verdachte geeft aan dat hij nimmer wraakgevoelens jegens [slachtoffer 1] heeft gekoesterd. Hij had echter niet verwacht dat [slachtoffer 1] zich strijdbaar tegenover hem zou opstellen. Bij de worsteling is met een mes gestoken. Verdachte was opgefokt en kon niet helder nadenken. Verdachtes persoonlijkheid, met name beschreven in de rapportage van het Pieter Baan Centrum, gerelateerd aan het samenstel van feiten en omstandigheden, maken het onaannemelijk dat verdachte bij het binnendringen van de woning al het besluit had genomen om [slachtoffer 1] te doden. In de visie van de verdediging is het aannemelijker dat verdachte het mes had meegenomen om zich zonodig te verweren tegen [slachtoffer 2], die niet alleen door verdachte maar ook door anderen uit zijn omgeving gevreesd werd.

De raadsman vindt het niet aannemelijk, dat er na het binnendringen in de woning tot aan de worsteling en steekpartij, momenten zijn geweest waarop verdachte zich had kunnen bezinnen of de gelegenheid zou hebben gehad om over de betekenis of de gevolgen van een voornemen om te doden na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Tot slot is de raadsman van mening dat de eerste verklaring van verdachte niet als bewijs kan dienen. Bij het afleggen van deze verklaring heeft de hevige gemoedstoestand van verdachte een doorslaggevende rol gespeeld. Bovendien kan er sprake zijn geweest van enige suggestie of beïnvloeding van de kant van de ondervragers. Verder is er geen opnameapparatuur ingezet. Ook zou verdachte bij het afleggen van zijn verklaring onder invloed van alcohol hebben verkeerd. De eerste verklaring zou ook van het bewijs moeten worden uitgesloten, gelet op het Salduz-arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Bij het eerste verhoor is immers geen raadsman aanwezig geweest noch is de verdachte in de gelegenheid gesteld om zich door een raadsman te doen bijstaan. Indien bewijsuitsluiting niet zou volgen, zou dit laatstgenoemde verzuim tot strafvermindering moeten leiden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Vooraf

De rechtbank zal de eerste verklaring van verdachte, afgelegd in de nacht na de steekpartij, niet voor het bewijs gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank was de geestestoestand van verdachte zo kort na het gebeuren zo instabiel dat zijn eerste verklaring niet als betrouwbaar kan gelden. Ook lijkt het erop dat verdachte tijdens het politieverhoor een aantal woorden in de mond is gelegd. Nu om deze redenen de eerste verklaring niet als bewijs kan dienen, behoeft het verweer op basis van het Salduz-arrest geen bespreking.

Zijn tweede verklaring heeft verdachte vijf dagen later, in welke periode hij tot bedaren kon komen, en nadat hij zijn raadsman heeft gesproken, afgelegd. Zijn geestestoestand noch het recht op toegang tot een advocaat staan dan ook in de weg aan het gebruik tot bewijs van deze en de latere verklaring van verdachte.

Vaststaande feiten

Verdachte had een relatie met [slachtoffer 1]. Hij had net een nieuwe woning toegewezen gekregen, maar wilde uit financieel oogpunt niet dat [slachtoffer 1] bij hem ingeschreven zou worden. De bedoeling was dat zij zich bij de gemeente op het adres van [slachtoffer 2] zou laten inschrijven, maar feitelijk bij verdachte zou gaan wonen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] op donderdag 19 juni 2008 naar [slachtoffer 2] gebracht zodat zij zich die dag op diens adres kon laten inschrijven. Vervolgens is zij niet meer naar verdachte teruggekeerd. Van een vriendin, de latere getuige [getuige 3], hoorde verdachte op enig moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een verhouding zouden hebben. Verdachte is op zondag 22 juni 2008 tot ongeveer 21.00 uur in café Ing Wietsjaf Wieër te Kerkrade geweest. Van daaruit is verdachte met zijn auto naar de woning van [slachtoffer 2] op de [adres] te Kerkrade gegaan, nadat hij eerst nog bij de woning van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] was gestopt.

De toedracht van het incident

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij bij de woning van [slachtoffer 2] was aangekomen bij de woning aanbelde, maar dat niet werd opengedaan. Vermoedelijk omdat de deurbel stuk was. Verdachte is vervolgens teruggelopen naar zijn auto, die naar zijn zeggen ongeveer vijftig meter verderop geparkeerd stond. Uit de auto heeft hij een krik gepakt met de bedoeling deze door de deur te gooien. Bij het pakken van de krik verschoof een deken en zag verdachte een mes liggen. Dit mes heeft hij in een zak van zijn broek gestoken. Vervolgens is hij teruggelopen naar de deur, heeft de krik door de ruit van de deur gegooid en heeft zich vervolgens de toegang tot de woning verschaft. Eenmaal in de woning is hij de trap opgelopen en heeft hij het mes in zijn rechterhand genomen. Volgens verdachte stond [slachtoffer 1] met een stok in haar hand boven aan de trap en heeft zij hem met die stok op zijn rechterhand geslagen. Ook zei ze tegen hem dat hij weg moest gaan. Verdachte is doorgelopen en heeft bovenaan de trap [slachtoffer 1] naar achteren geduwd.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij en [slachtoffer 1] vervolgens een worsteling hebben gehad en dat zij zich tijdens deze worsteling vanuit de keuken naar de woonkamer hebben verplaatst. Tijdens deze worsteling had verdachte het mes in zijn rechterhand en heeft hij [slachtoffer 1] geraakt. Hij zag dat [slachtoffer 1] aan het bloeden was. Ook zag hij bloed op het mes en op de grond. Verdachte beschrijft het mes dat hij heeft meegenomen als een vrij nieuw 18 centimeter lang mes met een zwart handvat. Aan de hand van een aan hem getoonde foto heeft verdachte het mes dat de politie in de woning aan de [adres] heeft gevonden, herkend als het mes dat hij had meegenomen. Verdachte heeft verder verklaard dat tijdens de hiervoor genoemde gebeurtenissen [slachtoffer 2], [getuige 2] en [getuige 1] in de woning aanwezig waren. Verdachte heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wat er met [slachtoffer 2] is gebeurd.

De verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben bij aankomst ter plaatse twee slachtoffers, naar later blijkt [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], aangetroffen. [slachtoffer 1] lag op de grond voor de toegangsdeur van de woonkamer en had een zichtbare steekwond links onder haar ribbenkast. [slachtoffer 1] is later aan haar verwondingen overleden. Uit het sectierapport blijkt dat [slachtoffer 1] vijf steekverwondingen in haar borst, buik en been had. Het overlijden wordt door de patholoog verklaard door verbloeding en opgetreden weefselschade ontstaan door het steekincident.

Het tweede slachtoffer dat de verbalisanten aantroffen, [slachtoffer 2], zat op de bank rechts in de kamer en bloedde hevig. Uit de letselbeschrijving blijkt dat hij drie steekwonden in zijn hals en een steekwond in het rechteronderbeen had, waarmee hem levensbedreigend letsel is toegebracht. De ernst van het letsel blijkt mede uit de zich in het dossier bevindende foto’s van de verwondingen van [slachtoffer 2].

Verder troffen de verbalisanten de getuigen [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] in de woning aan.

[slachtoffer 2] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte met het mes in zijn handen de trap opkwam, op [slachtoffer 1] afging en haar met het mes stak. Volgens [slachtoffer 2] richtte verdachte zich hierna op hem, terwijl hij op de bank zat. Verdachte stak hem meermalen in zijn hals en eenmaal in zijn rechterbeen.

De getuige [getuige 2] heeft zowel bij de politie als later bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte met het mes de trap op kwam en dat verdachte degene was die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met het mes heeft gestoken.

Verdachte heeft op 27 juni 2008 bij de politie verklaard dat hij na de worsteling heeft getelefoneerd met de getuigen [getuige 3] en [getuige 4].

De getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat zij verdachte heeft gebeld toen hij niet bij de hondenwei kwam opdagen en dat verdachte in dat telefoongesprek tegen haar heeft gezegd dat hij bij [slachtoffer 2] was en dat hij had gestoken. Zij is vervolgens naar de woning aan de [adres] gegaan. Daar trof zij onder andere verdachte aan. Zij zag dat [slachtoffer 1] overal op haar buik steekwonden had. [slachtoffer 2] zat op de bank en hield zijn handen om zijn nek, omdat hij daar gesneden was en er bloed zat. [getuige 3] heeft verder verklaard dat verdachte toen nog steeds aan het schelden was en zich erg verward gedroeg.

De getuige [getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat verdachte omstreeks 21.00 uur in diens auto langs zijn woning is gereden. [getuige 4] heeft toen even met verdachte gesproken. Volgens hem maakte verdachte een verwarde en gestresste indruk. Om 21.20 uur heeft [getuige 4] verdachte gebeld, omdat hij zich toch wel zorgen maakte over hem. Aan de telefoon gaf verdachte aan dat het niet goed met hem ging en dat hij zo juist twee mensen had ‘afgestoken’. Toen [getuige 4] nogmaals vroeg wat er aan de had was, zei verdachte opnieuw dat hij zojuist twee mensen met een mes had gestoken.

De getuige [getuige 5], de echtgenote van [getuige 4], is ook gehoord door de politie. Zij heeft verklaard dat zij op de klok heeft gekeken toen verdachte bij hun woning is weggereden. Het was toen 21.15 uur. [getuige 5] heeft, nadat haar man verdachte aan de telefoon heeft gehad, ook zelf naar verdachte gebeld. Toen zij verdachte aan de lijn kreeg, kwam hij verward, boos en ontdaan over. Zij hoorde hem zeggen: ‘Ik heb ze neergestoken’. Verdachte antwoordde bevestigend toen [getuige 5] vroeg of het [slachtoffer 1] betrof.

De rechtbank is, gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen, van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. De rechtbank is ook van oordeel dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het letsel dat verdachte aan het slachtoffer [slachtoffer 2] door zeer gerichte steken in de hals heeft toegebracht was, immers dermate ernstig dat daarbij een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Verdachte heeft geweten dat die aanmerkelijke kans er was. Hij werkte in het slachthuis en had daar onder meer tot taak dieren met een messteek in de hals te doden. Hij heeft, door te steken als hij heeft gedaan, de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zou komen te overlijden, aanvaard.

Voorbedachte raad

De vraag die nu beantwoord moet worden is of verdachte handelde met voorbedachten rade. Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg voorafgaand aan de uitvoering van het feit. Kalm beraad en rustig overleg moet niet zozeer gezien worden als handelen in koelen bloede, maar meer als het tegen¬over¬gestelde van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die de dader als het ware onvoorbe¬reid treft en hem brengt tot de onmiddellijk gevolgde daad. Voor voorbedachte raad kan een tijdsbestek van enkele seconden voldoende zijn.

Alleen al gelet op het gegeven dat verdachte nadat hij het mes had gepakt nog ongeveer vijftig meter is teruggelopen naar de woning – hetgeen kan worden afgeleid uit verdachtes hiervoor weergegeven verklaring – kan geen sprake zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die verdachte onvoorbe¬reid trof. Bovendien zijn er tijdens de aanloop naar en het uitvoeren van het delict verschillende momenten geweest waarop verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Er is voldoende gelegenheid geweest om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft op geen enkel moment afgeweken van zijn kennelijke voornemens. Het verweer van de raadsman dat verdachte zich geen rekenschap heeft kunnen geven van de gevolgen van zijn daad, wordt dan ook verworpen

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd en met diezelfde voorbedachten rade geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

Alternatief scenario

De raadsman heeft, zoals hiervoor opgemerkt, aangevoerd dat de feitelijke gang van zaken mogelijk anders was. De getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat de getuige [getuige 2] tegen hen heeft gezegd dat (ook) [slachtoffer 2] het slachtoffer [slachtoffer 1] met het mes zou hebben gestoken. De bron van dit verhaal, de getuige [getuige 2], verklaarde voor de rechter-commissaris echter dat zij dit nooit heeft gezegd en verklaarde tevens dat deze lezing van de feiten onjuist is.

Verder zou [getuige 2], volgens [getuige 3] en [getuige 1], hebben verteld dat [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] tweemaal in de rug zou hebben gestoken. Uit de bevindingen van de patholoog blijkt echter dat [slachtoffer 1] alleen aan de voorzijde van haar lichaam is gestoken, zodat de beweerde verklaring van [getuige 2] op dat punt aantoonbaar in strijd met de waarheid zou zijn.

Gelet op dit alles is het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario niet aannemelijk. Het daarop gebaseerde verweer, inhoudende dat bij twijfel over de toedracht verdachte zou moeten worden vrijgesproken, wordt dan ook verworpen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 22 juni 2008 in de gemeente Kerkrade, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] meermalen opzettelijk met een mes in de buik-/borststreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. op 22 juni 2008 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 2] meermalen opzettelijk met een mes in diens nek/keel/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

moord

Ten aanzien van feit 2:

poging tot moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.2 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is op advies van de deskundigen [naam deskundige 1], psycholoog, en [naam deskundige 2], psychiater, in het Pieter Baan Centrum geplaatst voor nader onderzoek.

Verdachte heeft vervolgens ter observatie verbleven in het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht. Over verdachte is op 21 april 2009 gerapporteerd door de deskundigen [naam deskundige 3], psycholoog, en [naam deskundige 4], psychiater. Deze deskundigen rapporteren – onder meer - het volgende:

“(…)

Psychiatrisch-diagnostisch is er bij betrokkene sprake van een lichte verstandelijke handicap in de zin van zwakzinnigheid, wat niet betekent dat betrokkene niet redelijk goed kan functioneren binnen een gestructureerde omgeving. In betrokkene’s persoonlijkheidsstructuur worden zowel ontwijkende als zeker ook afhankelijke elementen aangetroffen, maar deze hebben niet een zodanige invloed op zijn functioneren dat van een persoonlijkheidstoornis gesproken kan worden. Betrokkene is niet verhoogd (narcistisch) krenkbaar. Hij zal doorgaans al het mogelijke doen om krenkingen zo veel mogelijk ongedaan te maken, zodat zijn gedrag zich voornamelijk kenmerkt door passief-afhankelijke en conflictvermijdende trekken.

(…)

Betrokkene is een kwetsbare man, bij wie de kwetsbaarheid voor een groot deel bepaald wordt door zijn afhankelijkheid. Vanuit zijn zeer beperkte intellectuele vermogens beschikt hij niet over mogelijkheden om zijn emoties te reguleren, wanneer deze hoog oplopen. Niet zelden vertoont hij dan lichamelijk klachten als gevolg van somatisatie, waarbij psychische klachten in lichamelijke problemen ‘vertaald’ worden. Voorts bouwt hij onderhuidse stress op, waarbij relaties, financiële en huisvestingsproblemen doorgaans de voornaamste oorzaken vormen. Betrokkene heeft ook slechts een geringe cognitieve flexibiliteit, met andere woorden hij beschikt in zijn handelen niet over veel gedragsalternatieven.

(...)

Het onderhavige tenlastegelegde kan vooral bezien worden vanuit de krenking dat betrokkene’s vriendin [slachtoffer 1] al binnen een paar dagen ‘vreemd’ ging met [slachtoffer 2] (…), bij wie betrokkene haar alleen ‘op papier’ had willen onderbrengen om de precaire financiële situatie van hun, betrokkene en [slachtoffer 1], te kunnen saneren.

(…)

Dat er uiteindelijk toch sprake is van een zeer ernstige escalatie met een dood en een ernstig gewond slachtoffer, valt te herleiden tot het verlies van structuur bij betrokkene in de gegeven situatie, zijn gebrek aan copingvaardigheden (om met stress en spanning

om te gaan) en overzicht, het ontbreken van gedragsalternatieven en de onderliggende onrust van betrokkene, waarbij het alcoholmisbruik, zoals gezegd, slecht een faciliterende rol heeft gespeeld.

In de gegeven situatie is het betrokkene derhalve niet meer mogelijk geweest de structuur in zijn bestaan te herstellen, maar ontregelt hij steeds verder.

(…)

Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig dergelijk besef- te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten -indien bewezen- hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

(…)”

De rechtbank neemt deze conclusie over. Dit betekent dat verdachte wel strafbaar is voor hetgeen hierboven bewezenverklaard is.

De verdachte is derhalve strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 16 jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening te houden met de verzachtende omstandigheden en met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen¬ver¬klaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Zowel de officier van justitie als de raadsman heeft verzocht de conclusies en het gegeven advies in de hiervoor bedoelde rapportage van de deskundigen [naam deskundige 3] en [naam deskundige 4] over te nemen.

Naast de conclusie dat verdachte verminderd ontoerekeningsvatbaar wordt geacht houdt het voormelde rapport -onder meer- het volgende in:

“(...)

Bij betrokkene is sprake van instabiliteit binnen relaties. Doordat hij in zijn dagelijkse functioneren sterk afhankelijk is van de structuur die door anderen aangebracht wordt, en hij hieruit voortvloeiend in hoge mate door zijn omgeving beïnvloed kan worden, is hij kwetsbaar in intieme relaties. Hij kan namelijk beïnvloed worden door de grilligheid van een partner, ten gevolge waarvan spanning en stress kunnen oplopen. Voor de toekomst wordt de mogelijkheid dat betrokkene opnieuw in een vrij problematische relatie terechtkomt, waarin hij mogelijk opnieuw uitgebuit wordt, aanzienlijk geacht. Desalniettemin acht het onderzoekend team het gevaar voor herhaling voor soortgelijke feiten als thans ten laste gelegd gering. Overwegingen hierbij zijn dat betrokkene op zichzelf zeker geen gewelddadig persoon is, dat hij doorgaans zal trachten problemen en conflicten eerder te vermijden dan op te zoeken en daarmee beoogt zijn spanningsniveau laag te houden, dat hij zal trachten eenmaal opgelopen stress en spanning zoveel mogelijk te doen afvloeien (in lichamelijke klachten of alcoholgebruik) en dat er tijdens het onderhavige tenlastegelegde nogal wat situatieve factoren (angst voor [slachtoffer 2], het zien van [slachtoffer 2]’auto, [slachtoffer 1] die met de stok klaar stond) een rol gespeeld hebben.

De geringe kans op herhaling wordt statistisch ondersteund door de afname van de HCR-20 (risicotaxatieschaal), waar betrokkene laag (historische en klinische items) tot hooguit matig (toekomstgerelateerde items) scoort.

(…)

Uit het geringe recidiverisico vloeit voort dat het onderzoekend team geen aanleiding ziet om Uw rechtbank te adviseren om betrokkene een (intramurale) behandeling op te leggen. Zeker zal betrokkene in de toekomst baat hebben bij structuur en wellicht ook enige begeleiding, maar deze hoeven naar het oordeel van het onderzoekend team, niet in een juridisch (dwang)kader plaats te vinden.”

De inhoud van de deskundigenrapportage en het beeld dat de rechtbank naar aan¬lei¬ding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, zijn voldoende redenen om dit advies op te volgen.

Vanwege het lage recidiverisico is een langdurige behandeling en begeleiding in een verplichtend (onvoorwaardelijk) kader niet aangewezen. Van de op te leggen straf zal een dergelijke behandeling en begeleiding dan ook geen deel uitmaken.

Moord is een van de ernstigste delicten die men kan plegen. Een ander zijn kostbaarste bezit, zijn leven, ontnemen wordt dan ook dienovereenkomstig zwaar bestraft. Als dat feit niet wordt voltooid door omstandigheden die buiten de invloed van verdachte liggen, is er sprake van een poging tot moord. Ook zo een poging dient zwaar bestraft te worden. Het opzet van verdachte is immers op voltooiing van het feit gericht geweest. Bovendien is het is niet de verdienste van verdachte dat dit niet is voltooid.

De rechtbank rekent verdachte het gruwelijke karakter van zijn daden zwaar aan. Verdachte heeft zijn vriendin [slachtoffer 1] om het leven gebracht en heeft geprobeerd [slachtoffer 2] om het leven te brengen door meermalen met een professioneel vleesmes op hen in te steken. Verdachte heeft [slachtoffer 2] links en rechts in de hals gestoken op een manier die doet denken aan de dodelijke steekwonden die verdachte uit hoofde van zijn functie bij het slachthuis aan vee toebracht. Dat [slachtoffer 2] het leven niet heeft gelaten is een zeer gelukkige omstandigheid, maar geen verdienste van verdachte

De rechtbank betrekt voorts in haar oordeel het feit dat het slachtoffer [slachtoffer 2] zich voor de rest van zijn leven geconfronteerd ziet met grote, niet te verhullen littekens in zijn hals en het feit dat verdachte zijn daad heeft begaan in het bijzijn van anderen. Die nabijheid van anderen heeft verdachte niet weerhouden van zijn daad.

Verder acht de rechtbank van belang dat de dood van [slachtoffer 1] groot persoonlijk leed voor haar familie teweeg heeft gebracht. Dit leed is onder meer tot uitdrukking gekomen in de schriftelijke verklaring die de moeder van het slachtoffer heeft afgelegd.

De rechtbank zal bij het opleggen van de straf rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder met het feit dat de tenlastegelegde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De straf die de officier van justitie heeft geëist, vindt de rechtbank dan ook te fors. De rechtbank heeft daarbij gekeken naar straffen die in vergelijkbare gevallen door rechtbanken en hoven worden opgelegd.

Op grond van dit alles vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar aangewezen. Zij zal deze gevangenisstraf dan ook opleggen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 1], de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1], vordert een schadevergoeding van € 5.554,12 terzake van feit 1. Deze schadevergoeding bestaat uit de volgende posten: € 3.232,12 voor de uitvaartkosten, € 2.228,00 voor de grafsteen en € 94,00 voor de eigen bijdrage van een raadsman.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het een bedrag van € 3.232,12 (de uitvaartkosten) en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering voor dit deel worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het overige deel van de vordering van de benadeelde partij (de kosten van de grafsteen en de eigen bijdrage van de raadsman) niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent. Ter onderbouwing van de vordering terzake van de grafsteen is ‘slechts’ een offerte overgelegd. Vast staat dat deze grafsteen nog niet is vervaardigd en afgenomen. Ten aanzien van de eigen bijdrage van de raadsman is niet aangegeven waarom deze als schade of proceskosten in het onderhavige geding heeft te gelden. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij in het deel van haar vordering dat betrekking heeft op deze twee posten niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De raadsman beroept zicht op het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2009, LJN: BI1812 en verzoekt de rechtbank af te zien van het op leggen van de schadevergoedingsmaatregel.

De Hoge Raad heeft in het bovenstaande arrest bepaald dat de rechter bij gebrek aan draagkracht kan afzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Hiervan kan slechts sprake zijn in uitzonderlijke gevallen. In het bijzonder kan gedacht worden aan gevallen waarop voorhand vaststaat dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van de vervan¬gende hechtenis. Dit geval is echter niet dermate uitzonderlijk. De rechtbank zal het verweer van de raadsman dan ook afwijzen.

Gelet op het bovenstaande en nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de nabestaande [naam benadeelde partij 1] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1], Frankenstraat [adres] te betalen een bedrag van € 3.232,12 (drieduizendtweehonderdentweeëndertig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente van 22 juni 2008 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 42 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. B.R.M. de Bruijn en mr. E.J.M. Driessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.M.Th. Michon, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 oktober 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij, verdachte, op of omstreeks 22 juni 2008 in de gemeente Kerkrade, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik-/borst(streek) gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. hij, verdachte, op of omstreeks 22 juni 2008 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens nek/keel/hals heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.