Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK1262

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1888
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering 20 september 2005. UWV [bezwaarverzekeringsarts] is er tot driemaal toe niet in geslaagd toereikend te motiveren waarom uit de informatie van psychiater Debeye geen nieuwe problematiek blijkt.

Had UWV [bezwaarverzekeringsarts] een juist beeld op welke wijze eiseres compensatoir vertoont als gevolg van boulimia?

Ten aanzien van de boulimia wordt door de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat dit het hebben van vreetbuien is, zich daarover ellendig voelen en dan compensatoir gedrag vertonen zoals bijvoorbeeld braken, gebruik van laxantia of overmatige lichamelijke inspanning. Het is de bezwaarverzekerings- arts niet bekend op welke wijze eiseres compensatoir gedrag vertoont maar dit leidt naar zijn mening in geen enkel geval tot meer beperkingen in arbeid. De rechtbank stelt vast dat deze stelling door de bezwaarverzekeringsarts op geen enkele wijze medisch inzichtelijk wordt onderbouwd.

De rechtbank vernietigt de derde beslissing op het bezwaar en bepaalt dat eiseres met ingang van

20 september 2005 recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1888

uitspraak

in het geding tussen

[eiseres],

wonend te Valkenburg, eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vestiging Heerlen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 6 oktober 2008

Kenmerk: B&B 580.012.22

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend. De tijdens de loop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn in kopie aan partijen gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 oktober 2009, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp.

2. Overwegingen

Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als cassière. Eiseres is op 24 november 1999 uitgevallen met psychische klachten. Eiseres heeft vanaf 22 november 2000 een WAO-uitkering ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 29 juli 2005 heeft verweerder de WAO-uitkering met ingang van

20 september 2005 ingetrokken, onder de overweging dat eiseres voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het door eiseres tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij beslissing op bezwaar van 21 april 2006 ongegrond verklaard. Eisers heeft tegen dat besluit beroep ingesteld: AWB 06/1328. De rechtbank heeft in de uitspraak van

27 april 2007 het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft gemotiveerd waarom uit de informatie van psychiater Debeye geen nieuwe problematiek blijkt.

In de rapportage van de behandelend psychiater wordt gesproken over een chronische depressieve stoornis, waarbij de toevoeging ‘licht’ zoals in 2003 gegeven door psychiater Groot ontbreekt, een gegeneraliseerde angststoornis en boulimia nervosa. Deze laatste twee diagnoses zijn nog niet eerder gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts door te volstaan met de aantekening ‘geen nieuwe problematiek’ onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van nieuwe problematiek”.

Wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het besluit van 21 april 2006 vernietigd en verweerder opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Op 20 september 2007 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en zich onverminderd op het standpunt gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per

20 september 2005 minder bedraagt dan 15%. Ook tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld: AWB 07/1893. De rechtbank heeft in de uitspraak van 7 mei 2008 het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft in de uitspraak van 27 april 2007 aangegeven dat het volstaan door de bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe met de aantekening ‘geen nieuwe problematiek’ ten aanzien van de informatie van psychiater Debeye van 21 april 2006, onvoldoende is.

De bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer heeft aangegeven dat met de onderliggende klachten van de angststoornis rekening is gehouden in de FML en heeft specifiek de aspecten in de FML omschreven waaruit de beperkingen als gevolg van de angststoornis voortvloeien.

De rechtbank acht de motivering toereikend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer, ten aanzien van de door Debeye vastgestelde depressieve stoornis, met de stelling dat met deze stoornis in voldoende mate rekening is gehouden, wederom geen toereikende motivering gegeven omdat niet is gemotiveerd in welk opzicht met deze stoornis rekening is gehouden en waarom deze stoornis niet leidt tot (meer) beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de diagnose boulimia, door in het algemeen te stellen dat boulimia niet tot specifieke beperkingen in arbeid leidt, evenmin een toereikende motivering gegeven. Hiermee wordt niet aangegeven waarom deze stoornis niet leidt tot beperkingen in het onderhavige geval”.

Wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb heeft de rechtbank ook het besluit van 20 september 2007 vernietigd en verweerder opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij het thans bestreden besluit van 6 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 29 juli 2005 over de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 september 2005 opnieuw ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt mede ten grondslag het rapport van bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer d.d. 21 juli 2008 en 2 oktober 2008.

In beroep tegen dat besluit heeft eiseres aangevoerd -kort samengevat- dat sprake is van een enigszins gezochte motivatie. Verweerder verwijst slechts in algemene zin naar de eerder vastgestelde beperkingen en laat na om te motiveren hoe de ernst van deze beperkingen is vastgesteld, alsmede op welke wijze deze beperkingen zijn vertaald. Ook volgt uit de motivering van verweerder niet of sprake zou zijn van ernstigere beperkingen als gevolg van de depressieve stoornis. Eiseres merkt op dat het enkele feit dat de bezwaarverzekeringsarts iets niet weet, een nader medisch onderzoek noodzakelijk maakt en mag verweerder niet volstaan met een mededeling dat het vertoonde gedrag niet bekend is en tot welke beperkingen dit zou moeten leiden.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft besloten de WAO-uitkering van eiseres per 20 september 2005 in te trekken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met een dossierstudie.

De bezwaarverzekeringsarts merkt in haar rapport van 21 juli 2008 ten aanzien van de depressieve stoornis wederom op dat de verzekeringsarts dit genoemd heeft in zijn rapport: “lichte depressieve stoornis”. In de eerste uitspraak heeft de rechtbank dienaangaande al overwogen dat in de rapportage van de behandelend psychiater Debeye wordt gesproken over een chronische depressieve stoornis, waarbij de toevoeging ‘licht’ zoals gegeven door psychiater Groot ontbreekt. Ook in de tweede uitspraak is door de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts niet motiveert in welk opzicht rekening is gehouden met de door Debeye vastgestelde depressieve stoornis.

Ten aanzien van de boulimia wordt door de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat dit het hebben van vreetbuien is, zich daarover ellendig voelen en dan compensatoir gedrag vertonen zoals bijvoorbeeld braken, gebruik van laxantia of overmatige lichamelijke inspanning. Voorts is het de bezwaarverzekeringsarts niet bekend op welke wijze eiseres compensatoir gedrag vertoont maar leidt dit naar zijn mening in geen enkel geval tot meer beperkingen in arbeid. De rechtbank stelt vast dat door de arts een stelling wordt geponeerd welke op geen enkel wijze medisch inzichtelijk wordt onderbouwd. Zo wordt niet ingegaan op de kenmerken, de classificatie en de behandeling van de aandoening waaraan eiseres leidt. In het geheel wordt niet medisch onderbouwd waarom compensatoir gedrag niet leidt tot meer beperkingen in arbeid.

Gezien het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verweerder geen uitvoering heeft gegeven aan het gestelde in de uitspraken van de rechtbank van 27 april 2007 en 7 mei 2008.

Het bestreden besluit berust op een onzorgvuldig medisch onderzoek en een ondeugdelijke motivering en moet wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.

Gelet op al het bovenstaande overweegt de rechtbank dat verweerder met het derde besluit op bezwaar er niet in is geslaagd om op de datum hier in geding, 20 september 2005, een deugdelijke medisch onderbouwing te geven ten aanzien van de bij eiseres bestaande beperkingen.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, als onder de beslissing is aangegeven.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Het verzoek van eiseres om vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop die rente dient te worden berekend, volstaat de rechtbank met te verwijzen naar een uitspraak van de CRvB van 1 november 1995, AAW/WAO 1994/307, gepubliceerd in JB 1995/314.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:73, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2.herroept het besluit van 29 juli 2005;

3.bepaalt dat eiseres met ingang van 20 september 2005 recht heeft op een uitkering ingevolgde de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;

4.veroordeelt verweerder tot vergoeding van renteschade zoals hiervoor aangegeven;

5.bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,00 vergoedt;

6.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden aan eiseres.

Aldus gedaan door J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van E.S.J.M. Naebers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.

w.g. E.S.J.M. Naebers w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 21 oktober 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.