Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK1024

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
138268 / FA RK 09-310
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De ouders verzetten zich tegen het verzoek van de grootmoeder tot vaststelling van de omgangsregeling.

De rechtbank acht de enkele omstandigheid dat de grootmoeder geen contact meer heeft met de kinderen onvoldoende om te concluderen dat er geen sprake meer zou zijn van ‘family life’. De rechtbank acht de grootmoeder ontvankelijk in haar verzoek.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank echter geconstateerd dat er een zeer moeizame verhouding bestaat tussen de grootmoeder en de moeder. De moeder is in de woning van de grootmoeder als kind misbruikt door de stiefvader van de grootmoeder. Uit de houding van de grootmoeder ter zitting is duidelijk gebleken dat de grootmoeder geen, althans onvoldoende, begrip en inlevingsvermogen heeft met betrekking tot het kindermisbruik van de moeder. Hierdoor bestaat geen enkel draagvlak bij de moeder voor een omgangsregeling, op grond waarvan omgang van de grootmoeder met de kinderen niet in het belang van de kinderen te achten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

Zaaknummer: 138268 / FA RK 09-310

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de grootmoeder],

verzoekster, verder te noemen: de grootmoeder,

wonende te [adres],

advocaat mr. J.B. Bogaart,

en:

[de moeder],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

en

[de vader],

wederpartij, verder te noemen: de vader,

beiden gezamenlijk wonende te [adres],

advocaat mr. R.R.J.W. Delsing.

1. Verloop van de procedure

De grootmoeder heeft op 5 maart 2009 een verzoekschrift tot vaststelling van een omgangsregeling ingediend.

Door de moeder en de vader (hierna ook wel gezamenlijk te noemen: de ouders) is op 29 april 2009 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 juli 2009.

2. Vaststaande feiten

Uit de relatie tussen de moeder en de vader zijn geboren:

[minderjarige 1], geboren te [geboortegegevens], verder te noemen: [minderjarige 1], en

[minderjarige 2], geboren te [geboortegegevens], verder te noemen: [minderjarige 2].

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit. De minderjarigen verblijven bij de moeder en de vader gezamenlijk.

3. Het verzoek

3.1

De grootmoeder heeft verzocht een omgangsregeling tussen haar en voornoemde minderjarige kinderen vast te stellen:

- voorlopig eens in de twee weken gedurende twee uur op zaterdag of zondag, in die zin dat de grootmoeder de kinderen om 11:00 uur bij de ouders of op een neutrale locatie ophaalt en om 13:00 uur weer terugbrengt;

- regelmatig, bijvoorbeeld tweemaal per week, telefonisch contact met de kinderen;

- na verloop van tijd een uitbreiding naar één tot twee keer per maand een weekend van zaterdag 17:00 uur tot zondag 13:00 uur.

De advocaat van de grootmoeder heeft ter zitting verklaard als volgt:

De ouders hebben de omgangsregeling van de grootmoeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook wel gezamenlijk te noemen: de kinderen) stopgezet in september 2008, naar aanleiding van de hernieuwde contacten van de grootmoeder met [de stiefvader] van de grootmoeder. [de stiefvader] is in 2008 veroordeeld voor seksueel misbruik van een minderjarige, meer in het bijzonder de moeder. Voor september 2008 heeft de grootmoeder een zodanige vorm van omgang met de kinderen gehad dat volgens de advocaat gesproken kan worden van ‘family life’ in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De grootmoeder heeft desgevraagd verklaard dat de nauwe persoonlijke betrekkingen die zij heeft gehad met de kinderen volgens haar blijken uit het feit dat de kinderen destijds vaker een weekend bleven slapen. Dit was niet iedere week of ieder weekend, maar wel geregeld – zo’n eenmaal per maand – en zonder de ouders. De grootmoeder had ook regelmatig telefonisch contact met de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de grootmoeder komen bezoeken in het ziekenhuis nadat zij een ongeluk had gehad.

Volgens de grootmoeder komt [de stiefvader] niet meer bij haar in huis en hij zal dan ook niet bij een toekomstige omgang aanwezig zijn. De advocaat van de grootmoeder heeft voorgesteld bij vaststelling van een omgangsregeling vast te laten leggen dat [de stiefvader] niet bij de omgang aanwezig zal zijn.

3.2

Volgens de ouders is geen sprake geweest van nauwe persoonlijke betrekkingen tussen de grootmoeder en de kinderen. Er heeft nooit een structurele omgang plaatsgevonden. De keren dat de kinderen bij de grootmoeder kwamen, waren de ouders daar bij aanwezig. De kinderen hebben slechts twee maal bij de grootmoeder geslapen, waarbij de vader telkens tot ’s avonds aanwezig was. De grootmoeder is met andere woorden niets meer dan een gewone oma geweest voor de kinderen.

Mocht de kinderrechter de grootmoeder ontvankelijk verklaren in haar verzoek, dan dient haar verzoek afgewezen te worden omdat toewijzing van het verzoek, zo hebben de moeder en de vader hun verweer ter terechtzitting nader geformuleerd, in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De grootmoeder heeft in het verleden een veilige haven geboden aan [de stiefvader] en heeft niet willen erkennen wat er met de moeder gebeurd is. De kinderen mogen – zelfs al zou tot september 2008 sprake zijn geweest van ‘family life’ – niet aan dit gevaar blootgesteld worden.

4. Beoordeling:

Voordat de rechtbank toe kan komen aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek, dient de rechtbank conform artikel 1:377a, eerste lid, BW, zoals dit geldt per 1 maart 2009, in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek vast te stellen of er tussen de grootmoeder en de kinderen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking of een band die kan worden aangemerkt als ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM. Daartoe is een enkele afstammingsrelatie onvoldoende, maar dienen nadere bijzondere omstandigheden te blijken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De grootmoeder heeft ter zitting aangevoerd dat hoewel zij niet als “oppas-oma” heeft gefungeerd, de kinderen wel ongeveer een keer per maand zonder de ouders bleven slapen bij de grootmoeder. Bovendien stelt de grootmoeder, overigens zonder de frequentie hiervan nader te specificeren, dat zij regelmatig telefonisch contact had met de kinderen. Ten slotte heeft de grootmoeder aangevoerd dat de kinderen bij haar op bezoek zijn geweest in het ziekenhuis.

De lezing van de grootmoeder wordt betwist door de ouders. Wanneer de kinderen bij de grootmoeder op bezoek kwamen, waren de ouders daarbij telkens aanwezig. Het aantal overnachtingen is tot twee maal beperkt gebleven, waarbij de vader eveneens een significant deel van de tijd aanwezig is geweest. De ouders hebben in hun verweerschrift eveneens betwist dat de grootmoeder regelmatig telefonisch contact met de kinderen had.

Gelet op de verklaringen van de ouders ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat niet alleen sprake is van een familierechtelijke betrekking, maar dat de grootmoeder tot het verbreken van het contact ook als oma een betekenisvolle relatie met de kinderen heeft gehad. Niet betwist is namelijk dat de kinderen bij de grootmoeder hebben overnacht en verbleven zonder dat de ouders hierbij aanwezig waren. De rechtbank acht de enkele omstandigheid dat de grootmoeder geen contact meer heeft met de kinderen onvoldoende om te concluderen dat er geen sprake meer zou zijn van ‘family life’. Op grond hiervan is sprake van een nauwe persoonlijke betrekking van de grootmoeder met de kinderen, en acht de rechtbank de grootmoeder ontvankelijk in haar verzoek.

Voorts dient beoordeeld te worden of het belang van de minderjarigen zich tegen omgang verzet. Hierbij staat voorop dat het over het algemeen in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van een minderjarige wordt geacht om zijn grootouders te leren kennen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank echter geconstateerd dat er een zeer moeizame verhouding bestaat tussen de grootmoeder en de moeder. De moeder is in de woning van de grootmoeder als kind misbruikt door de stiefvader van de grootmoeder. Uit de houding van de grootmoeder ter zitting is duidelijk gebleken dat de grootmoeder geen, althans onvoldoende, begrip en inlevingsvermogen heeft met betrekking tot het kindermisbruik van de moeder. Hierdoor bestaat geen enkel draagvlak bij de moeder voor een omgangsregeling, op grond waarvan omgang van de grootmoeder met de kinderen niet in het belang van de kinderen te achten is. Uit een gedwongen omgangsregeling tussen de kinderen en de grootmoeder zal, gelet op de verhouding tussen partijen, aanmerkelijke onrust en spanning kunnen voortvloeien, hetgeen ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van grootmoeder afgewezen dient te worden.

5. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

GK

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.