Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK0959

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
03-702879-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: "Geen bewijs voor voorhanden hebben van drugs. In een kledingkast op de slaapkamer van verdachte en haar vriend is een hoeveelheid van 1,5 tot 1,9 kilogram heroïne aangetroffen. Uit niets blijkt dat bedoelde heroïne zodanig in die kast was opgeborgen dat die zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte. Haar medeverdachten verbleven veelal buiten haar aanwezigheid in de woning. Zij hadden daarmee alle gelegenheid zich met zaken bezig te houden waar verdachte niet van op de hoogte was. Ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat zij wist of had moeten weten dat er heroïne in haar kast lag".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/702879-09

Datum uitspraak: 16 september 2009

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 juli 2009 en 11 september 2009 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Ter Peel” te Evertsoord.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 8 april 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1894 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 7 april 2009 in de gemeente Maastricht (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij, meermalen,althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 7 april 2009 in de gemeente Maastricht om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte haar woning ([L.straat] 214A) aan een of meer (onbekende) person(en) ter beschikking gesteld.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde de nietigheid van de dagvaarding bepleit. Hij heeft daartoe -kort gezegd- het volgende aangevoerd:

De tekst van de tenlastelegging is onvoldoende duidelijk. Niet blijkt waarvoor mijn cliënt haar woning ter beschikking heeft gesteld. Achter deze slotzin in de dagvaarding is daaromtrent niets opgenomen. Daarnaast is ook niet duidelijk waar de ten laste gelegde periode op is gebaseerd. Hieromtrent blijkt niets uit het dossier.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan het bepaalde in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging is op grond daarvan in staat een behoorlijk verweer te doen. Uit de tekst van de tenlastelegging is, in onderling verband en samenhang bezien, duidelijk te lezen dat verdachte verweten wordt dat zij haar woning ten behoeve van -kort samengevat- de handel in verdovende middelen beschikbaar heeft gesteld.

De in de tenlastelegging genoemde periode is duidelijk omschreven. Of deze periode uit de bewijsmiddelen te putten is, doet daar niet aan af. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het requisitoir

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 en 2 subsidiair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan verbonden, kort gezegd, de voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de richtlijnen van de Reclassering Nederland.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Bij gelegenheid van zijn pleidooi heeft de raadsman, uiterst subsidiair gevraagd een straf op te leggen die de ten tijde van de (zonodig vervroegde) uitspraak ondergane voorlopige hechtenis niet zal overschrijden. Hij heeft hierbij gewezen op de hooguit zeer kleine rol die aan verdachte verweten zou kunnen worden.

Het pleidooi

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daarbij

-zakelijk weergegeven- het volgende naar voren gebracht:

De opsporingsambtenaren betraden de woning, waarvan zij aannamen dat mijn cliënte daar verblijf hield, zonder toestemming van de bewoonster, mijn cliënte. Hierbij werd zelfs gebruik gemaakt van een stormram. Deze opsporingsambtenaren hadden op dat moment onvoldoende aanwijzingen voor een ernstig vermoeden van schuld van enig strafbaar feit en daarmee ook niet van een overtreding van de Opiumwet. Van deze omstandigheden blijkt in ieder geval niets, althans onvoldoende, uit het dossier. Ik moet daarom concluderen dat het betreden van de litigieuze woning onrechtmatig is geweest. Direct na het binnentreden troffen zij mijn cliënte in de woning aan. Zij heeft alsnog toestemming gegeven tot een doorzoeking van de woning. Niet uitgesloten kan worden dat mijn cliënte deze toestemming, gezien de omstandigheden waarop de woning werd betreden, niet vrijwillig heeft gegeven.

Resumerend zeg ik dat er onvoldoende verdenking was als bedoel in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering en, ten aanzien haar aanhouding, niet voldaan is aan het bepaalde artikel 54 van dat Wetboek. Op grond hiervan ben ik van mening dat de bij gelegenheid van de doorzoeking aangetroffen bewijsmiddelen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Dat geldt ook voor de als het directe gevolg daarvan verkregen bewijsmiddelen. De jurisprudentie is hier duidelijk over. Ik vraag u in dit verband ook acht te slaan op een in een soortgelijke casus door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 6 februari 2008 gewezen arrest in de zaak met parketnummer 20-[xxxxt].

De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit voor het 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Hij heeft daarbij -kort gezegd- het volgende naar voren gebracht:

De verklaringen van [getuige 1] zijn onbruikbaar. Uit zijn verklaringen kan ik geen redenen van wetenschap ontdekken aangaande de betrokkenheid van mijn cliënte.

Het is maar de vraag of de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning voor het risico van mijn cliënte is. Uit het onderzoek is duidelijk naar voren gekomen dat mijn cliënte veelvuldig van huis was. In de weekends voetbalde zij op een vrij hoog niveau. De wedstrijden vonden plaats in vrijwel geheel zuidelijk Nederland en ook buiten de provincie Limburg. Daarnaast had zij een fulltime baan. Zij werkte veertig uur per week. Intussen konden haar partner, [medeverdachte 1], en diens vriend, [medeverdachte 2], doen en laten in haar woning wat zij wilden. Kortom, mijn cliënte kon of hoefde niet te weten dat in een kast van haar woning een grotere hoeveelheid heroïne was opgeborgen. In het verlengde daarvan kon of hoefde zij ook niet te weten dat haar partner haar woning gebruikte ten behoeve van de handel in harddrugs.

De beoordeling van de rechtbank

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er ten aanzien van verdachte en haar medeverdachten een ernstig vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht aanwezig was en of er redelijkerwijze vermoed kon worden dat in de woning van verdachte een overtreding van de Opiumwet plaatsvond. Blijkens het dossier heeft de politie haar vermoedens gebaseerd op klachten uit de woonomgeving van verdachte en observaties, gedaan door de politie zelf.

Van de klachten die uit de woonomgeving van verdachte zouden zijn ontvangen is klaarblijkelijk geen proces-verbaal of mutatie opgemaakt. Ten aanzien van deze klachten is daardoor geen enkel gegeven, zoals tijdstip, inhoud of herkomst, te verifiëren. Van de eigen observaties die in het eindproces-verbaal worden genoemd zijn evenmin onderliggende processen-verbaal in het dossier aangetroffen. Ook ten aanzien van deze aanwijzingen kan dus niets worden geverifieerd. De rechtbank zal daarom al deze aanwijzingen als oncontroleerbaar buiten beschouwing laten. Nu uit het dossier ook niet op enige andere wijze blijkt van enige objectieve aanwijzingen voor een ernstig, dan wel redelijk vermoeden moet de aanhouding van verdachte en het binnentreden van genoemd pand zonder de toestemming van de bewoner als onrechtmatig worden beoordeeld.

De rechtbank heeft vervolgens stilgestaan bij de vraag of de doorzoeking van de litigieuze woning op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte, de verbalisanten na betreding van haar woning toestemming tot doorzoeking heeft verleend. De rechtbank kan zich voorstellen dat de onverhoedse wijze waarop het betreden van haar woning heeft plaatsgevonden bij verdachte bijzondere emoties heeft losgemaakt. Niet gebleken is echter dat verdachte haar toestemming niet uit vrije wil heeft gegeven. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de doorzoeking op rechtmatige wijze is geschied.

Rest de vraag of het onherstelbare verzuim van het onrechtmatig binnentreden van de woning moet leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Alleen het bewijs dat rechtstreeks en uitsluitend door een vormverzuim wordt vergaard komt voor bewijsuitsluiting in aanmerking. Pas na de met toestemming uitgevoerde doorzoeking werden de verdovende middelen gevonden. Hierna hebben verdachte en haar medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], nadat hen de cautie was gegeven, een verklaring afgelegd. Bedoeld verzuim kan evenwel niet zonder gevolgen blijven. De rechtbank zal vanwege deze omstandigheid, in geval van veroordeling, een gepaste strafvermindering toepassen.

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de bewijsmiddelen

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in een kledingkast op de slaapkamer van verdachte en haar vriend [medeverdachte 1] een hoeveelheid van 1,5 tot 1,9 kilogram heroïne is aangetroffen. Deze kledingkast was in gebruik bij verdachte en haar beide medeverdachten. Ieder van hen gebruikte een voor hem of haar bestemd deel van die kast. Alhoewel de aanwezigheid van een hoeveelheid heroïne in een kast in beginsel aan de gebruiker van die kast kan worden toegerekend, oordeelt de rechtbank daar in dit geval anders over. Uit niets blijkt dat bedoelde heroïne zodanig in die kast was opgeborgen dat die zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte. Haar medeverdachten verbleven veelal buiten haar aanwezigheid in de woning. Zij hadden daarmee alle gelegenheid zich met zaken bezig te houden waar verdachte niet van op de hoogte was. Ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat zij wist of had moeten weten dat er heroïne in haar kast lag, laat staan daarvoor toestemming te hebben gegeven. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat voor het primaire deel geen wettig bewijs in het dossier voorhanden is. Ten aanzien van het subsidiaire deel overweegt de rechtbank dat het opzet gericht dient te zijn op overtreding van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt dat verdachte haar woning aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beschikbaar heeft gesteld om, respectievelijk, samen te wonen en onderdak te bieden. Van enig opzet op overtreding van de Opiumwet is niet gebleken. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte van al haar ten last gelegde feiten vrijspreken.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, vermeld op de daarop betrekking hebbende lijst achter de nummers 1, 2, 5, 6, 8, 11, 15, 16, 18, 23, 24, 25, 28, 41, 43 en 50 is niet vastgesteld dat deze in relatie kunnen worden gebracht met enig strafbaar feit. De rechtbank zal dan ook de teruggave daarvan aan de verdachte gelasten.

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het misdrijf waarvoor de verdachte is vervolgd, zijn de in de beslissing als zodanig te noemen voorwerpen, waaronder hoeveelheden verdovende middelen, in beslag genomen. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Uit de aard van de voorwerpen volgt dat zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. Deze voorwerpen zullen dan ook aan het verkeer worden onttrokken.

De rechtbank heeft bij haar beslissing deze voorwerpen als een gezamenlijkheid van voorwerpen opgevat, waarop het voorgaande van toepassing is.

DE BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

- gelast de teruggave aan [verdachte] van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

- een personenauto, Poel Astraal, kenteken [xx-xx-xx](1)

- een groenkleurige speelgoedkikker (2)

- een zwartkleurige zakagenda (5)

- een Nederlands kentekenbewijs behorende bij kenteken [xx-xx-xx] (6)

- een verlopen Nederlands kentekenbewijs [xx-xx-xx] (8)

- een witkleurig schrift (11)

- een Nederlandse identiteitskaart nr: [xxxxx] (15)

- een Nederlands rijbewijs (16)

- een grijskleurig GSM toestel, Nokia 1600, serienummer [xxxxx] (18)

- een simkaart HI (23)

- een zwartkleurig GSM-toestel, Nokia 1650, serienummer [xxxx] (24)

- een simkaart, Vodafone (25)

- een witkleurig GSM-toestel, Sony Ericsson, registratienummer [xxxxx] (28)

- een kistje met diverse schriftelijke bescheiden (41 en 43)

- een GSM-toestel, Nokia (50).

- verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

- twee stuks verdovende middelen (4)

- een zwartkleurige spuitbus, Protect, 15 ml, opschrift pfeffer-spray anti-dog (7)

- een zwartkleurige weegschaal, Tanita 1479v (9)

- een zwartkleurige weegschaal (10)

- een drukpers bestaande uit 3 onderdelen (13)

- een boodschappentas van Lidl met daarin onderdelendrukpers en een zwart kistje (14)

- vier lepels en drie messen (17)

- vier stuks verdovende middelen, heroïne (29)

- bruinkleurige verdovende middelen, 97,5 gram heroïne (30)

- witkleurige verdovende middelen, 11 gram cocaïne (31)

- bruinkleurige verdovende middelen, 323,3 gram heroïne (32)

- verdovende middelen, 445 gram cocaïne (33)

- bruinkleurige verdovende middelen, 171 gram heroïne (34)

- groenkleurige verdovende middelen, 11 gram wiet (35)

- bruinkleurige verdovende middelen, 27 gram hennep (36)

- groenkleurige verdovende middelen, 7,7 gram wiet (37)

- bruinkleurige verdovende middelen, 76,8 gram hasjiesj (38)

- bruinkleurige verdovende middelen, 53,3 gram heroïne (39)

- verdovende middelen, 45,9 gram hennep (40)

- verdovende middelen, 2,7 gram heroïne (48)

- een weegschaal, 1632463 (woonkamer goed-2) (51).

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. R.M.P.G. Niessen, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 16 september 2009, zijnde mr. R.M.P.G. Niessen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.