Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK0636

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1923
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onttrekking aan het openbaar verkeer van verbindingstrap tussen de Beversbergweg en de Pr. Christinastraat (gemeente Gulpen-Wittem). Bezwaren eisers (omwonenden) ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval het belang van de verkeersveiligheid in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de door eisers genoemde belangen. Onbestreden is dat op de Beversbergweg geen voetgangersvoorziening is, terwijl een alternatieve route is voorzien van voetgangersvoorzieningen in de vorm van een trottoir en een loopstrook. De omstandigheid dat de route via de verbindingstrap sneller is dan de alternatieve route, leidt evenmin tot een ander oordeel. Zelfs als eisers al gevolgd zouden moeten worden in hun stelling dat de alternatieve route ongeveer 100 meter langer is dan de route via de trap, heeft verweerder hieraan in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen. Dat geldt eveneens ten aanzien van het door eisers gestelde stijgingspercentage van de alternatieve route. Dienaangaande is de rechtbank van oordeel dat, daargelaten de vraag naar het verschil in stijgingspercentage tussen de verbindingtrap en de alternatieve route, inherent aan de ligging van het centrum van Gulpen in een dal is dat de routes van en naar de omliggende wijken een stijgingspercentage kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08 / 1923

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[namen eisers],

allen wonend te Gulpen, eisers,

en

de raad van de gemeente Gulpen-Wittem,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 oktober 2008

Kenmerk: U.08.05018 ID/070

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen zijn besluit van 3 juli 2008 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder besloten de verbindingstrap tussen de Beversbergweg en de Pr. Christinastraat (ter hoogte van het pand van [belanghebbende]) te onttrekken aan het openbaar verkeer.

Eisers hebben tijdig beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2008.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) in de gelegenheid gesteld als belanghebbende aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009, alwaar eisers [naam eiser1] en [naam eiser3] in persoon zijn verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door A.M.A.J. Heijnens-Akkermans, werkzaam bij de gemeente Gulpen-Wittem.

Namens belanghebbende is verschenen S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.

2. Overwegingen

Het thans bestreden besluit strekt tot handhaving van het besluit van 3 juli 2008 tot onttrekking aan de openbaarheid van de verbindingstrap gelegen tussen de Beversbergweg en het pand van belanghebbende. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld - kort weegegeven - dat hij om veiligheidsredenen geen voorstander is van het gebruik door voetgangers van de (verbindings)trap en de aangrenzende Beversbergweg. De trap is steil, deels kapot en niet verlicht. De onderzijde van de trap komt direct uit op een rijweg (de Beversbergweg) en er zijn aansluitend geen voetgangersvoorzieningen richting het centrum van Gulpen. Voorts heeft verweerder overwogen dat er tussen de wijk waar eisers wonen en het centrum een goede en veilige alternatieve route met voetgangersvoorzieningen bestaat via de Koningin Julianastraat en de Kiebeukel.

Door eisers is in beroep aangevoerd - kort samengevat - dat de trap wel veilig is. Deze voldoet voor wat betreft de constructie aan het Bouwbesluit en er is op deze plek in meer dan 40 jaar nooit een ongeluk gebeurd. Voorts is betoogd dat de door verweerder gesuggereerde alternatieve route naar het centrum gevaarlijker is (want: smal en onoverzichtelijk) dan de route via de Beversbergerweg.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om over te gaan tot onttrekking aan het openbaar verkeer van de hier aan de orde zijnde verbindingstrap. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder II, van de Wegenwet heeft een weg opgehouden openbaar te zijn wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet, voor zover thans van belang, kan een weg aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad van de gemeente waarin de weg is gelegen.

De rechtbank stelt vast dat niet (meer) in geding is dat de verbindingstrap openbaar is in de zin van de Wegenwet en overweegt vervolgens dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2007, LJN: BB8936) de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid van discretionaire aard is. Aan het bevoegd gezag komt daarbij een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of sprake is geweest van strijd met wettelijke voorschriften dan wel van zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. Daarbij is niet zo zeer vereist dat sprake is van dringende redenen voor het besluit tot onttrekking aan het openbaar verkeer.

De rechtbank overweegt allereerst dat het haar, gelet op de in het hiervoor vermelde toetsingskader besloten liggende terughoudende rechterlijke toetsing, die het niet toestaat dat zij haar eigen oordeel voor dat van verweerder in de plaats stelt, bij nader inzien niet zinvol voorkomt om een onderzoek ter plaatse in te stellen.

Vervolgens stelt de rechtbank, gelet met name op het verhandelde ter zitting, vast dat de reden voor verweerder om tot onttrekking aan het openbaar verkeer van de verbindingstrap over te gaan, enkel is gelegen in (de bescherming van) de verkeersveiligheid. Weliswaar is in het (primaire) besluit van 3 juli 2008 ook als reden voor onttrekking aan het openbaar verkeer de (civielrechtelijke) aansprakelijkheid van verweerders gemeente voor de verbindingstrap vermeld, maar dit aspect is in het thans bestreden besluit (lees: in het advies van de gemeentelijke bezwaarcommissie dat als motivering aan dit besluit ten grondslag is gelegd) niet meer vermeld. In dit kader is voorts ter zitting van de zijde van verweerder, desgevraagd, verklaard dat dit aspect slechts “indirect” in de besluitvorming een rol heeft gespeeld. De rechtbank zal dan ook aan dit aspect voorbijgaan.

Met betrekking tot de verkeersveiligheid is door verweerder gesteld dat de verbindingstrap voetgangers vanaf het perceel van belanghebbende via een perceel dat eigendom is van verweerders gemeente richting het centrum leidt naar en over de Beversbergweg, een smalle, onoverzichtelijke weg die op diverse tijdstippen van de dag druk bereden is. Bij evenementen wordt de weg tevens gebruikt als omleidingsroute. Op deze weg is geen voetgangersvoorziening in aansluiting op de trap aanwezig. Dit is wel het geval bij de alternatieve route via de Koningin Julianastraat en de Kiebeukel. Bij een normaal gebruik van deze wegen is er geen sprake van een gevaarzettende onoverzichtelijkheid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval het belang van de verkeersveiligheid in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de door eisers genoemde belangen. Gelet op de bij het beroepschrift gevoegde foto’s is onbestreden dat op de Beversbergweg geen voetgangersvoorziening is, terwijl de alternatieve route is voorzien van voetgangersvoorzieningen in de vorm van een trottoir en een loopstrook. Dat, zoals door eisers is gesteld, de Beversbergweg veilig(er) voor voetgangers kan worden gemaakt door het aanbrengen van voetgangersvoorzieningen, maakt dit niet anders nu uitgegaan moet worden van de feitelijke situatie en er geen wettelijk voorschrift is te duiden op grond waarvan verweerder (dan wel het college van burgemeester en wethouders) gehouden zou zijn een besluit van een dergelijke strekking te nemen. De omstandigheid dat de route via de verbindingstrap sneller is dan de alternatieve route, leidt evenmin tot een ander oordeel. Zelfs als eisers al gevolgd zouden moeten worden in hun stelling, als verwoord ter zitting, dat de alternatieve route ongeveer 100 meter langer is dan de route via de trap (verweerder heeft gesteld dat het verschil tussen beide routes kleiner is), is de rechtbank van oordeel dat verweerder hieraan in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht heeft hoeven toe te kennen. Dat geldt eveneens ten aanzien van het door eisers gestelde stijgingspercentage van de alternatieve route. Dienaangaande is de rechtbank van oordeel dat, daargelaten de vraag naar het verschil in stijgingspercentage tussen de verbindingtrap en de alternatieve route, inherent aan de ligging van het centrum van Gulpen in een dal is dat de routes van en naar de omliggende wijken een stijgingspercentage kennen.

Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van het belang van de verkeersveiligheid en de aanwezigheid van een veilige alternatieve route, in redelijkheid heeft kunnen besluiten onderhavige verbindingstrap aan het openbaar verkeer te ontrekken. Het beroep van eisers moet dan ook voor ongegrond worden gehouden.

Beslist wordt daarom als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van E.W. Seylhouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2009.

w.g. E. Seylhouwer w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 19 oktober 2009

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.