Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK0478

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
03-700360-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: "De strekking van artikel 6 EVRM, zoals die spreekt uit de aangehaalde arresten ("Salduz" e.a.), is dat de verdachte beschermd wordt tegen een gebrek aan informatie met betrekking tot zijn positie als verdachte. Daarom moet een verdachte vóór zijn eerste verhoor een raadsman kunnen raadplegen. Het artikel beoogt echter niet de verdachte te beschermen tegen de (belastende) verklaringen van een of meer eventuele medeverdachten. Ook niet wanneer ten aanzien van die medeverdachte(n) artikel 6 EVRM zou zijn geschonden."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700360-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 oktober 2009, waarbij de officier van justitie, de raadsvrouw en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: (samen met een of meer anderen) in het bezit was van ongeveer 1173,8 heroïne en/of ongeveer 350 XTC tabletten (MDMA);

Feit 2 : (samen met een of meer anderen) in het bezit was van ongeveer 325,6 gram hennep;

Feit 3: in het bezit was van ongeveer 3 gram heroïne.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 1 en 2 heeft zij zich gebaseerd op de verklaring van verdachte, het aantreffen van verdachte in het pand waar eveneens de drugs werd aangetroffen en de bevindingen van het NFI.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie zich gebaseerd op het aantreffen van de drugs bij verdachte, het onderzoek van de verdovende middelen en de bevindingen van het NFI.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2. Gelet op de arresten [S.] en [P.] van het EHRM, heeft er een schending van artikel 6 EVRM plaatsgevonden. Verdachte en zijn medeverdachten zijn immers voorafgaand aan hun eerste politieverhoor niet gewezen op het recht om een advocaat te consulteren en hebben voorafgaand aan dat verhoor daadwerkelijk ook geen advocaat gesproken. Ook de verklaringen na consultatie van een advocaat dienen daarom te worden uitgesloten. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat dezelfde schending van artikel 6 EVRM heeft plaatsgevonden bij de medeverdachten. Hun verklaringen mogen dus, gelet op de derdenwerking die van voornoemd artikel uitgaat, evenmin voor het bewijs in de strafzaak van haar cliënt gebruikt worden. Dat er geen sprake zou zijn van een schending van een schutznorm kan daaraan niet afdoen.

Nu de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten van het bewijs uitgesloten dienen te worden, resteert er onvoldoende bewijs om tot een veroordeling te kunnen komen

De raadsvrouw heeft subsidiair betoogd dat verdachte geen verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Hij had er immers geen enkele beschikkingsmacht over. Dit geldt zowel voor de verdovende middelen die in de kamer waar verdachte verbleef zijn aangetroffen als de verdovende middelen die elders in het pand zijn aangetroffen.

De raadsvrouwe heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte alleen de verdovende middelen die zichtbaar op de tafel in de woning lagen, aanwezig heeft gehad, te weten 509,7 gram heroïne.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het beroep op bewijsuitsluiting

De verdachte heeft het recht vóór aanvang van het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen en hij dient op dit recht uitdrukkelijk gewezen te worden. De rechtbank constateert dat verdachte bij zijn aanhouding is medegedeeld dat hij recht had op bijstand van een raadsman én dat verdachte vervolgens afstand heeft gedaan van dit recht. Reeds om die reden slaagt het beroep op bewijsuitsluiting van de verklaringen van verdachte niet.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verklaringen van de medeverdachten voor de bewijsvoering kunnen worden gebruikt. In dit verband is de door de raadsvrouw opgeworpen vraag met betrekking tot een eventuele derdenwerking van belang.

De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 6 EVRM te lezen rechtsregels zoals die volgen uit de arresten van het EHRM waarop de raadsvrouw zich beroept, enkel van belang zijn voor de rechtspositie van de verdachte zelf.

De strekking van artikel 6 EVRM, zoals die spreekt uit de aangehaalde arresten, is immers dat de verdachte beschermd wordt tegen een gebrek aan informatie met betrekking tot zijn positie als verdachte. Daarom moet een verdachte vóór zijn eerste verhoor een raadsman kunnen raadplegen. Het artikel beoogt echter niet de verdachte te beschermen tegen de (belastende) verklaringen van een of meer eventuele medeverdachten. Ook niet wanneer ten aanzien van die medeverdachte(n) artikel 6 EVRM zou zijn geschonden.

Tot een uitsluiting van die verklaring(en) kan eerst dan worden overgegaan indien door het gebruik van die verklaring(en) de verdachte zou zijn getroffen in een recht dat beoogd beschermd te worden door de overtreden rechtsregel. Zoals echter uiteengezet beoogt artikel 6 EVRM een verdachte geen bescherming te bieden tegen schendingen van dat artikel in zaken van medeverdachten.

Dat de derdenwerking door het EHRM erkend zou zijn in zijn arrest van 7 juli 2009 in de zaak van [T.] en anderen tegen Turkije (zaakno. [xx]) is gebaseerd op een uitleg van dat arrest die de rechtbank niet tot de hare maakt. In het aangehaalde arrest wordt door [T.] en zijn medeverdachten geklaagd over de schending van artikel 6 EVRM in hun zaak. [T.] en zijn medeverdachten worden daarom ook door het EHRM aangeduid als “applicants”. In lijn met zijn eerdere arrest in de zaak [S.] oordeelt het EHRM ook in de zaken van applicants, allen dus, een schending van artikel 6 EVRM aanwezig. Niet valt in het arrest te lezen dat in de zaak [T.] de schending van artikel 6 EVRM daaruit zou bestaan dat artikel 6 EVRM ten aanzien van [T.]s medeverdachten zou zijn geschonden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan alle verklaringen van verdachte en van de medeverdachten volledige bewijskracht toe komt.

Met betrekking tot feit 1

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor feit 1, het op 23 juni 2009 in vereniging opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1173,8 gram heroïne en 350 XTC-tabletten (MDMA).

Op 23 juni 2009 zijn in de woning aan de [M.weg] te Maastricht waar verdachte is aangehouden een hoeveelheid op heroïne gelijkende stof en tabletten van op MDMA gelijkende stof aangetroffen. Monsters van deze stoffen zijn opgestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het NFI heeft schriftelijk bevestigd dat bij onderzoek is gebleken dat een aantal monsters van de in beslag genomen stoffen heroïne of MDMA bevat. Uit de rapportages van het NFI in combinatie met de processen-verbaal onderzoek verdovende middelen blijkt dat het handelt om een totale hoeveelheid van ongeveer 1173,8 gram van een stof bevattende heroïne en 350 tabletten van een stof bevattende MDMA.

De heroïne en de pillen zijn op plaatsen in de gehele woning aangetroffen. Er zijn vijf personen, waaronder verdachte, in die woning aangehouden. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 23 juni 2009, de dag van aanhouding, in de betreffende woning in een kamer op de bovenste verdieping op de tafel verdovende middelen heeft zien liggen en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] aan de tafel waren gezeten en bezig waren met het afwegen en verpakken van die verdovende middelen. Medeverdachte [medeverdachte 3] lag in dezelfde kamer op de bank.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 1]. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat verdachte zich op 23 juni 2009 bevond in een drugspand met een behoorlijke hoeveelheid drugs die open en bloot op de tafel lagen, terwijl hij bezig was met handelingen die met drugshandel in verband kunnen worden gebracht. Dat in zo’n pand ook op andere plaatsen drugs aanwezig kunnen zijn acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Door onder die omstandigheden in het pand te verblijven aanvaardt verdachte dus willens en wetens de aanmerkelijke kans dat er elders in de woning nog meer drugs aanwezig zijn. Verdachte heeft dus niet alleen de drugs aanwezig gehad die op de tafel lagen, maar ook de overige verdovende middelen die in het pand waren verborgen.

Met betrekking tot feit 2

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank feit 2, het op 23 juni 2009 in vereniging aanwezig hebben van ongeveer 325,6 gram hennep, wettig en overtuigend bewezen.

Op 23 juni 2009 is in de woning aan de [M.weg] te Maastricht waar verdachte is aangehouden een totale hoeveelheid van ongeveer 325,6 gram op hennep gelijkende stof aangetroffen. De rechtbank verwijst in dit verband verder naar haar overwegingen ten aanzien van feit 1. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in harddrugs vaak samengaat met die in softdrugs. Door in het pand te verblijven waar dealersactiviteiten werden verricht aanvaardt verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat er elders in de woning naast harddrugs ook softdrugs aanwezig zijn. Verdachte heeft dus niet alleen de harddrugs aanwezig gehad die op de tafel lagen, maar ook de softdrugs die elders in het pand waren verborgen.

Met betrekking tot feit 3

Met de officier van justitie en de verdachte is de rechtbank van mening dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor feit 3, het op 19 januari 2009 aanwezig hebben van ongeveer 3 gram heroïne.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de bekennende verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting, het procesverbaal onderzoek verdovende middelen en naar de NFI-rapportage.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 23 juni 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1173,8 gram van een materiaal bevattende heroïne en 350 tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde heroïne en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 23 juni 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 325,6 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op 19 januari 2009, in de gemeente Maastricht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en zeven maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft subsidiair betoogd, indien de rechtbank, ondanks de door haar bepleite vrijspraak voor de feiten 1 en 2, tot een bewezenverklaring komt, aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Als stok achter de deur zou de rechtbank eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen opleggen.

Gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van de feiten 1 en 2, heeft de raadsvrouw om opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen aanwezig gehad. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, met name harddrugs, verslavend werken en grote gevaren voor de volksgezondheid opleveren, terwijl gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen. Hierdoor wordt schade berokkend aan de samenleving in Nederland. Meer in het bijzonder wordt in Zuid-Limburg de samenleving geconfronteerd met drugstoerisme, de daaruit voortkomende (grensoverschrijdende) criminaliteit en de aanwezigheid van overlastgevende drugspanden. Verdachte heeft aan deze problematiek een bijdrage geleverd.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de door het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Verdachte heeft 1173,8 gram van een materiaal bevattende heroïne aanwezig gehad.

Verdachte heeft daarnaast 350 XTC tabletten aanwezig gehad. Volgens de oriëntatiepunten staan 5 tabletten gelijk aan 1 gram. 350 tabletten staan dus gelijk aan 70 gram. Verdachte heeft dus in totaal 1246,8 gram harddrugs aanwezig gehad.

In de oriëntatiepunten met betrekking tot overtreding van artikel 2, onder A, van de Opiumwet worden drie categorieën daders onderscheiden, te weten ‘pakezels’, ‘standaard’ en ‘organisatie’. De rechtbank zal bij de strafmaat aansluiting zoeken bij de standaardcategorie, waarbij als oriëntatiepunt geldt bij de eerder vermelde hoeveelheid harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8-12 maanden. Nu verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van harddrugs, maar aan het aanwezig hebben van harddrugs, zal de rechtbank dit oriëntatiepunt halveren, overeenkomstig de gangbare jurisprudentie van het Gerechtshof te ‘s Hertogenbosch. Als uitgangspunt geldt derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4-6 maanden.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank voorts betrokken dat verdachte bovendien 325,6 gram hennep aanwezig heeft gehad.

De rechtbank heeft ook gelet op het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend. Gelet op de op te leggen gevangenisstraf komt de rechtbank niet toe aan het door de raadsvrouwe gedane opheffingsverzoek.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. M.B. Bax en

mr. E.J.M. Driessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 oktober 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 23 juni 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1173,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 350 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, zijnde heroïne en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine (telkens) een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 23 juni 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 325,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op of omstreeks 19 januari 2009, in de gemeente Maastricht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.