Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK0266

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
143034 / OT RK 09-1427
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bureau jeugdzorg vraagt opheffing van de ondertoezichtstelling. Bureau jeugdzorg stelt daartoe, samengevat, dat zij niet op een verantwoorde manier de ondertoezichtstelling kan uitvoeren omdat een verzoek tot gesloten jeugdzorg is afgewezen en omdat de minderjarige en moeder niet meewerken.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:256 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat.

Uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen ter zitting kan de kinderrechter niet afleiden dat de grond voor ondertoezichtstelling niet langer bestaat. Het feit dat een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg is afgewezen en de stelling dat moeder en kind weigeren mee te werken aan de hulpverlening zijn geen gronden voor opheffing van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek derhalve afwijzen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 256
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2010, 22
JPF 2010/32 met annotatie van V.M. Smits
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 22 september 2009

Zaaknummer: 143034 / OT RK 09-1427

BESCHIKKING OP VERZOEK TOT OPHEFFING ONDERTOEZICHTSTELLING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot de onder toezicht staande minderjarige:

[de minderjarige], geboren [geboortegegevens],

verder te noemen [de minderjarige],

kind van:

[de moeder], wonende [adres],

verder te noemen de moeder,

en

[de vader], wonende [adres],

verder te noemen de vader.

1. Verloop van de procedure

Op 10 augustus 2009 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, hierna te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot tussentijdse opheffing van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 8 september 2009.

De vader, opgeroepen conform wettelijke voorschriften, is niet ter zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

2. Vaststaande feiten

[de minderjarige] is geboren uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader.

De moeder oefent alleen het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft bij de moeder.

Bij beschikking van10 juli 2009 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 15 juli 2009 laatstelijk verlengd tot 15 juli 2010.

3. Verzoek, verweer

3.1

Bureau jeugdzorg heeft, onder verwijzing naar het verzoek met bijlagen, ter zitting nader aangevoerd dat het, ondanks vele pogingen, niet gelukt is enige vorm van medewerking van [de minderjarige] te bewerkstelligen.

Bureau jeugdzorg is van mening dat zij niet op een verantwoorde manier uitvoering kan geven aan de ondertoezichtstelling, omdat de kinderrechter recent een verzoek tot gesloten jeugdzorg heeft afgewezen. Volgens bureau jeugdzorg is er bij moeder nog steeds sprake van persoonlijke problematiek en kan zij [de minderjarige] thuis weinig regels, duidelijkheid en veiligheid bieden, hetgeen [de minderjarige] wel nodig heeft. Omdat [de minderjarige] niet wil meewerken aan geïndiceerde hulpverlening is het volgens bureau jeugdzorg niet mogelijk een duidelijk beeld te krijgen van wie [de minderjarige] is en wat hij nodig heeft aan hulpverlening. Bureau jeugdzorg maakt zich veel zorgen over de bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] en de zorgelijke thuissituatie.

3.2

Zowel de moeder als [de minderjarige] hebben ter zitting aangegeven dat zij instemmen met opheffing van de ondertoezichtstelling. Volgens [de minderjarige] heeft de ondertoezichtstelling alleen maar ellende opgeleverd en is de kern van het probleem tussen hem en zijn moeder nog steeds niet opgelost. [de minderjarige] en zijn moeder erkennen dat zij hulpverlening nodig hebben, maar willen deze zelf inschakelen vanuit de thuissituatie. Zij geven aan geen vertrouwen te hebben in bureau jeugdzorg en ervaren de ondertoezichtstelling als een belasting die op het gezin drukt en veel spanningen veroorzaakt.

4. Beoordeling

Bureau jeugdzorg vraagt opheffing van de ondertoezichtstelling. Bureau jeugdzorg stelt daartoe, samengevat, dat zij niet op een verantwoorde manier de ondertoezichtstelling kan uitvoeren omdat een verzoek tot gesloten jeugdzorg is afgewezen en omdat [de minderjarige] en moeder niet meewerken.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:256 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat.

Uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen ter zitting kan de kinderrechter niet afleiden dat de grond voor ondertoezichtstelling niet langer bestaat.

Het in casu overgelegde plan van aanpak d.d. 7 augustus 2009 heeft bijna dezelfde inhoud als het plan van aanpak d.d. 17 april 2009 dat door bureau jeugdzorg werd overgelegd bij de indiening van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg; ook het plan van aanpak d.d. 14 mei 2009, dat is overgelegd bij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, heeft dezelfde inhoud als het in casu overgelegde plan van aanpak; in alle stukken stelt Bureau jeugdzorg dat de ontwikkeling van [de minderjarige] nog steeds wordt bedreigd en dat moeder en zoon geen hulp accepteren.

De kinderrechter oordeelt daarom dat de grond voor ondertoezichtstelling nog steeds bestaat.

Het feit dat een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg is afgewezen en de stelling dat moeder en kind weigeren mee te werken aan de hulpverlening zijn geen gronden voor opheffing van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter zal het verzoek derhalve afwijzen.

5. Beslissing:

Wijst het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2009 in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.S. Frings, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.