Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK0066

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
333611 CV EXPL 09-2115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering wegens niet-betaalde voorschotnota's betreffende geleverde elektriciteit en bijkomende diensten.

Afwijzing vergoeding van "aanmaningskosten", omdat

1. een cumulatie van vergoeding van deze kosten én buitengerechtelijk kosten niet wenselijk is (om de dubbele vergoeding van dezelfde werkzaamheden te voorkomen).

2. een dergelijke post als boetebeding moet worden gekwalificeerd en dat deze post niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ten eerste is het boetebeding in de algemene voorwaarden opgenomen en deze worden buiten toepassing gelaten, omdat eisende partij niet heeft aangetoond dat deze bedongen zijn en dat gedaagde partij met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft ingestemd. Ten tweede is een dergelijk beding niet expliciet in de overeenkomst opgenomen. Ten derde kan conform het bepaalde in artikel 6:92 lid 1 BW de eisende partij niet nakoming van zowel de overeenkomst als het boetebeding vorderen.

Beperking salaris van de gemachtigde tot één punt van het toepasselijke liquidatietarief wegens het niet voldoen aan de substantiëringsplicht bij exploot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 333611 CV EXPL 09-2115

typ: MO

vonnis van 7 oktober 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT RETAIL ENERGIE B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te ’s-Hertogenbosch,

eisende partij,

hierna te noemen: Essent,

gemachtigde: mr. J.P. van der Kooij, advocaat te Amsterdam

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Heerlen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Essent heeft bij dagvaarding van 17 april 2009 een vordering ingesteld tegen [gedaagde] en heeft zich daarvoor mede beroepen op twee aan het exploot van dagvaarding gehechte producties.

[gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

Essent heeft vervolgens voor repliek geconcludeerd onder verwijzing naar vier producties, waarna [gedaagde] heeft gedupliceerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

MOTIVERING

a. de vordering

Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert Essent de veroordeling van [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 437,47, vermeerderd met de wettelijke rente over € 348,22 vanaf de vervaldata van de respectieve facturen tot de dag van algehele voldoening, onder verwijzing van [gedaagde] in de kosten van het geding.

b. het geschil

Ter onderbouwing van haar vordering heeft Essent – samengevat – het volgende aangevoerd. Essent is met [gedaagde] “één of meerdere” overeenkomsten tot het leveren van elektriciteit en bijkomende diensten aangegaan. [gedaagde] heeft nagelaten om (voorschot)nota’s ten belope van

€ 243,22 te voldoen. Essent vordert naast de hoofdsom conform de algemene voorwaarden vergoeding van “aanmaningskosten” voor een bedrag van € 105,00. Essent vordert tevens vergoeding van wettelijke rente vanaf veertien dagen na factuurdatum en vergoeding van (verdere) buitengerechtelijke kosten.

Bij conclusie van antwoord betwist [gedaagde] dat zij “één of meerdere” overeenkomsten met Essent heeft gesloten. Bovendien betwist [gedaagde] – voor het geval vast zou komen te staan dat er een overeenkomst bestaat – dat er algemene voorwaarden van toepassing zijn, omdat deze haar niet voor of tijdens het aangaan van de overeenkomst ter hand zijn gesteld. [gedaagde] is van mening dat zij als gevolg van het voorgaande geen aanmaningskosten is verschuldigd. Verder betwist [gedaagde] dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht waarop het rapport “Voor-werk II” doelt. [gedaagde] concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot het Essent ontzeggen van de vordering als ongegrond en/of onbewezen.

Essent betoogt in voortgezet debat dat de overeenkomst per e-mail en door ondertekening van het meterstandenverhuisformulier tot stand is gekomen. Essent legt daarbij de

e-mailcorrespondentie tussen partijen en het door [gedaagde] ingevulde en ondertekende meterstandenverhuisformulier over. Uit dit formulier blijkt dat [gedaagde] reeds klant was bij Essent en dat zij in haar nieuwe woning per 8 februari 2008 wederom gebruik wilde maken van de diensten van Essent. Essent stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de gevorderde vergoeding van de “aanmaningskosten” zowel op grond van de algemene voorwaarden als op grond van niet-tijdige betaling van de hoofdsom is verschuldigd. Naar deze algemene voorwaarden wordt verwezen in het stappenplan dat behoort bij het voormelde meterstandenverhuisformulier zoals dit bij het aangaan van de overeenkomst is ingevuld. Na het insturen van dit formulier moet [gedaagde] het leveringscontract met de voorwaarden hebben ontvangen.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat in strijd met artikel 111 lid 3 Rv. is gehandeld, nu Essent eerst bij conclusie van repliek onderbouwende stukken betreffende de energieleverings-overeenkomst heeft overgelegd, en is van mening dat de stukken om die reden buiten beschouwing dienen te blijven. Bovendien merkt [gedaagde] op dat uit de jaarafrekening blijkt dat een bedrag van € 208,22 verschuldigd zou zijn, waar in het exploot van dagvaarding

€ 243,22 is genoemd en gevorderd. Ook beroept [gedaagde] zich op de eindafrekening, waaruit blijkt dat Essent nog € 57,78 aan [gedaagde] dient te betalen. [gedaagde] stelt zich dan ook op het standpunt dat zij slechts een bedrag van € 150,44 verschuldigd is. [gedaagde] handhaaft haar standpunt betreffende de algemene voorwaarden.

c. de beoordeling

Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat Essent niet heeft voldaan aan de zogenoemde substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de bij repliek ingediende stukken buiten beschouwing (dienen te) blijven. Wel zal de kantonrechter bij de proceskostenveroordeling rekening houden met het te laat in het geding brengen van de relevante bescheiden en de daarop gerichte stellingen.

Gelet op de specifieke gegevens die Essent heeft verstrekt omtrent de overeenkomst – dus niet “meerdere overeenkomsten” – (met in het bijzonder het meterstandenverhuisformulier), mag worden aangenomen dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten ten behoeve van het leveren van nutsvoorzieningen en bijkomende diensten. De kantonrechter overweegt dat uit de jaarafrekening van 24 juni 2008 blijkt dat [gedaagde] in totaal € 208,22 aan geleverde nutsvoorzieningen verschuldigd is. Het verweer van [gedaagde] dat rekening dient te worden gehouden met een recht op teruggave van € 57,78 slaagt niet. Dit impliciete beroep op verrekening gaat voorbij aan de onderliggende berekenmethode van Essent. Zoals de genoemde eindafrekening vermeldt, wordt het eindsaldo bepaald door het totaal verschuldigde bedrag te verminderen met de totaal in rekening gebrachte voorschotten. Bij deze berekening is uiteraard geen rekening gehouden met onbetaald gebleven voorschotten. [gedaagde] dient derhalve eerst haar voorschotnota’s te betalen, alvorens zij aanspraak kan maken op terugvordering van enig “te veel in rekening gebracht” bedrag. Het onderdeel van de vordering in hoofdsom dat ziet op de vergoeding van niet-betaalde nota’s ten belope van

€ 208,22 zal derhalve onverkort worden toegewezen.

Betreffende de gevorderde vergoeding van “aanmaningskosten” ad € 105,00 heeft het volgende te gelden. Ten eerste is een cumulatie van vergoeding van “aanmaningskosten” en buitengerechtelijke kosten niet wenselijk. De strekking van beide posten is immers dezelfde, namelijk vergoeding van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Essent heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom in het concrete geval wel sprake moet zijn van vergoeding van beide posten. Ten tweede kwalificeert de kantonrechter de onderhavige post niet als “aanmaningskosten”, maar als een vordering tot voldoening van een boete ter zake het niet (tijdig) betalen van de nota’s. De bewuste boete acht Essent verschuldigd op basis van haar algemene voorwaarden.

Essent stelt voorop dat de overeenkomst is gesloten per e-mail en door het ondertekenen van het meterstandenverhuisformulier. De algemene voorwaarden zijn volgens Essent bedongen langs de weg van dit formulier. Anders dan Essent betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat de overeenkomst niet (mede) is gesloten door het invullen en ondertekenen van het meterstandenformulier. Het desbetreffende formulier vermeldt immers aan de linkeronderzijde dat het geen “contract” is, maar uitsluitend is bedoeld voor (de vermelding van) “de meterstanden”. De overeenkomst is derhalve langs elektronische weg (per

e-mail) gesloten en Essent heeft niet inzichtelijk gemaakt dat en hoe [gedaagde] zich aldus (tevens) aan toepasselijkheid van algemene voorwaarden van een specifieke inhoud heeft gebonden. Essent heeft immers niet gesteld dat zij deze algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde] langs elektronische weg ter beschikking heeft gesteld op een zodanige wijze, dat deze door [gedaagde] konden worden opgeslagen en voor haar toegankelijk waren ten behoeve van latere kennisneming. Indien dit laatste redelijkerwijs niet mogelijk was, is daarenboven gesteld noch gebleken dat Essent vóór de totstandkoming van de overeenkomst aan [gedaagde] heeft bekendgemaakt waar van de voorwaarden langs elektronische weg kon worden kennisgenomen, alsmede dat deze desverzocht langs elektronische weg of op andere wijze zouden worden toegezonden. Het enkel verwijzen naar algemene voorwaarden in een “stappenplan” dat behoort bij het meterstandenformulier – dat ná het sluiten van de overeenkomst naar [gedaagde] is gezonden – is onvoldoende om te oordelen dat is voldaan aan de hiervoor geschetste totstandkomingseisen of geldingsvereisten. Essent stelt weliswaar dat uit het “stappenplan” blijkt dat iedere klant na aanmelding een verhuispakket ontvangt met daarin (onder andere) de (algemene) voorwaarden, maar in werkelijkheid worden de “leveringsvoorwaarden” slechts verstrekt na hernieuwde aanmelding als klant. Een persoon die reeds klant is bij Essent, krijgt deze voorwaarden (zo blijkt uit het “stappenplan”) niet toegestuurd bij de melding van een verhuizing. Essent heeft onvoldoende gesteld – laat staan bewezen – om te mogen aannemen dat [gedaagde] de algemene voorwaarden reeds eerder in haar bezit had, bijvoorbeeld na het sluiten van de overeenkomst betreffende het leveren van nutsvoorzieningen en bijkomende diensten aan haar voormalige woonadres. De algemene voorwaarden moeten dan ook buiten beschouwing worden gelaten, nu van toepasselijkheid op de onderhavige contractsrelatie niet of onvoldoende is gebleken.

De stelling van Essent dat [gedaagde] op grond van de “niet of niet-tijdige betaling” van de nota’s “aanmaningskosten” verschuldigd is, slaagt daarom niet. Als Essent heeft bedoeld deze vordering te gronden op artikel 6:74 BW juncto artikel 6:91 BW, dan gaat zij aan het volgende voorbij. Ten eerste is geen sprake van een expliciet boetebeding, nu de bepaling ter zake het verschuldigd zijn van “aanmaningskosten” slechts in algemene voorwaarden is opgenomen en dergelijke voorwaarden juist niet van toepassing geacht worden. Ten tweede kan ingevolge artikel 6:92 lid 1 BW de schuldeiser geen nakoming vorderen van zowel het boetebeding als de verbintenis waaraan het boetebeding verbonden is. De gevorderde vergoeding van “aanmaningskosten” is dan ook niet toewijsbaar.

De post vergoeding van wettelijke rente komt daarentegen wel voor vergoeding in aanmerking. Hoewel Essent niet (expliciet) heeft gesteld met ingang van welke datum [gedaagde] met betaling van de hoofdsom in verzuim was, heeft zij – zij het pas bij repliek – uitvoerig uiteengezet en onderbouwd dat zij [gedaagde] op 8, 15, 22 en 29 september 2008, op 20 januari 2009 en op 3 maart 2009 schriftelijk heeft herinnerd en/of aangemaand de achterstand in de betaling van de nota’s aan te zuiveren. Uit de aanmaning van 8 september 2008 blijkt dat [gedaagde] eerst op 15 september 2008 wegens nalatigheid om binnen zeven dagen na de verzenddatum van de sommatie de hoofdsom te betalen in verzuim is geraakt. De kantonrechter zal dan ook de gevorderde vergoeding van wettelijke rente toewijzen vanaf de vervaldata van de respectieve facturen.

Gezien de diverse herinneringen en/of aanmaningen die Essent heeft gestuurd, is de kantonrechter van oordeel dat Essent voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze activiteiten hebben geleid tot (naar noodzaak en omvang) redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal dan ook worden toegewezen tot het forfaitaire bedrag van € 37,00. Dit lagere bedrag houdt verband met de gedeeltelijke afwijzing van de hoofdsom, waardoor het toepasselijke tarief conform rapport “Voor-werk II” € 37,00 bedraagt, en tevens met afwijzing van de btw-post. Dat deze btw voor Essent op grond van het gestelde in artikel

2 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 niet verrekenbaar is, is gesteld noch gebleken.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de aan de zijde van Essent gevallen proceskosten. Van een professionele partij als Essent mag echter worden verwacht dat zij bij exploot van dagvaarding haar vordering in overeenstemming met artikel 111 Rv voldoende onderbouwt. Nu uit het bovenstaande blijkt dat zij daartoe pas naar aanleiding van het door gedaagde bij antwoord gevoerde verweer is overgegaan, zal de kantonrechter het salaris van de gemachtigde beperken tot één punt van het toepasselijke liquidatietarief.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om aan Essent tegen bewijs van kwijting een bedrag te voldoen van

€ 245,22, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 208,22 vanaf de vervaldata van de respectieve facturen tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Essent tot de datum van dit vonnis begroot op € 197,25, waarin begrepen een bedrag van € 30,00 aan salaris gemachtigde.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken, in aanwezigheid van de griffier.