Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BK0020

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
143795/KG ZA 09-384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"orkestbanden"; "contractuele rechten"; "naburige rechten (WNR)"; "auteursrechten"; "titelcontract"; "vrijheid van meningsuiting".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 12 oktober 2009

Zaaknummer : 143795 / KG ZA 09-384

De voorzieningenrechter in burgerlijke zaken heeft het navolgende vonnis in kort geding gewezen

inzake

1. de vennootschap onder firma [EISER 1]

gevestigd te Maastricht;

2. [EISER 2], vennoot van eiseres sub 1,

wonende te Maastricht;

3. [EISER 3], vennote van eiseres sub 1,

wonende te Maastricht;

eisers,

advocate mr. J.L. ten Hove;

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende te 3620 Lanaken, België,

gedaagde,

advocaat mr. N.P.J. Frijns.

1.Het verloop van de procedure

1.1 Eisers, hierna te noemen “[eiser 1]”, “[eiser 2]” resp. “[eiser 3]”, hebben gedaagde, hierna te noemen “[gedaagde]”, in kort geding doen dagvaarden. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 1 oktober 2009, waar verschenen zijn [eiser 2] en [eiser 3] mede als vertegenwoordigers van [eiser 1] met hun raadsvrouw, alsmede [gedaagde] met zijn raadsman.

1.2 Eisers hebben hun vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van een pleitnota doen toelichten. [gedaagde] heeft op onderdelen hiervan mondeling gereageerd. Vervolgens is de mondelinge behandeling geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil alsnog in der minne te regelen. Na de hervatting is gebleken dat zij niet tot overeenstemming waren gekomen. [gedaagde] heeft vervolgens aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties. De door [gedaagde] aangekondigde eis in reconventie is niet ingediend. Partijen hebben vervolgens op elkaars stellingen gereageerd, waarbij eisers hun eis hebben verminderd.

1.3 Ten slotte hebben eisers vonnis verzocht. De uitspraak daarvan is bij vervroeging bepaald op heden.

2.De feiten

2.1 [gedaagde] heeft als artiest (zanger) samengewerkt [eiser 1], een platenmaatschappij. [gedaagde] trad in die tijd niet alleen op als solo-zanger onder de naam Erwin, maar ook als leadzanger van de groep ‘t Merretkoer. In dat verband is een aantal muziekopnamen (cd’s) geproduceerd: “’t Leve is e fees” en “’t Fees geit weijer” van ’t Merretkoer en “Boerum”, “Wat e fees!”, “Lachend door ’t leve”en “Alles géve” van Erwin. Elke cd bevat 13 tot 17 “nummers”.

2.2 [gedaagde] treedt voor het publiek op als zanger en maakt daarbij gebruik van zogenoemde orkestbanden. Dit zijn geluidsdagers waarop de instrumentale begeleiding en een eventuele tweede stem zijn te horen maar niet de zang, die tijdens het optreden door [gedaagde] live wordt ingezongen. Van (vrijwel) elk van de nummers op bovengenoemde cd’s bestaat een orkestband. De orkestbanden zijn gemaakt in het kader van de samenwerking tussen [eiser 1] en [gedaagde], in de studio van [eiser 1] en door haar gefinancierd. Dit laatste lijdt uitzondering voor de orkestbanden van “Spring wie ‘ne knien” en “Keutel”, die door [gedaagde] (met het Merretkoer) in eigen beheer zijn geproduceerd.

2.3 Met ingang van 26 juni 2009 is de samenwerking tussen partijen verbroken. [gedaagde] werkt thans samen met een andere platenmaatschappij. Sedertdien heeft [gedaagde], zo stelt hij onbetwist, 11 nieuwe orkestbanden laten vervaardigen.

2.4 Bij brieven van 26 juni 2009 en 14 juli 2009 heeft [eiser 1] de orkestbanden per direct opgeëist. Op 27 augustus 2009 heeft [gedaagde] een orkestband aan [eiser 1] geretourneerd. Bij een optreden in Born op 30 augustus 2009 heeft [gedaagde] gebruik gemaakt van (kopieën van) de orkestbanden. Op 4 september 2009 heeft [gedaagde] de overige orkestbanden aan [eiser 1] verstrekt.

2.5 Eisers hebben [gedaagde] gesommeerd een zogenoemde onthoudingsverklaring te tekenen, waarin hij verklaart in de toekomst geen gebruik te zullen maken van de orkestbanden van [eiser 1] op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding. [gedaagde] heeft dit geweigerd omdat in de verklaring ook staat dat “hij geen kopieën heeft gemaakt”, zodat ondertekening tot gevolg zou kunnen hebben dat hij dwangsommen heeft verbeurd. In het verleden heeft [gedaagde] namelijk, voor gebruik bij optredens, wel kopieën van orkestbanden (op andere geluidsdragers) gemaakt.

2.6 [gedaagde] heeft naar aanleiding van zijn breuk met [eiser 1] en haar verbod aan hem om de orkestbanden verder te gebruiken tenzij daarvoor € 35.000,- werd betaald, op zijn website geschreven dat hij “dankzij de hebberige en wraakzuchtige houding van [eiser 1] Music” optredens moet afzeggen en een hoop mensen moet teleurstellen, en in een interview op TV Maastricht op 4 september 2009 gezegd: “(…) ga jij naar een andere maatschappij, ja dan mag je niet meer optreden met die orkestbanden. Dan ben je dus alles kwijt. Dat betekent ook al die artiesten die daar zitten, die een contract hebben bij [eiser 1] Music, die krijgen precies hetzelfde. Hebben ze het in eigen beheer opgenomen dan is het een ander verhaal, maar dan heeft het hun ook geld gekost, maar krijg je een contract aangeboden bij [eiser 1] Music, ik zou zeggen, teken het niet want het heeft helemaal geen zin.”

3.Het geschil

3.1 Eisers hebben gevorderd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] veroordeelt om met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden iedere verdere inbreuk op respectievelijk de naburige rechten respectievelijk de contractuele rechten van [eiser 1], die rusten op de in het lichaam van de dagvaarding door [eiser 1] geproduceerde orkestbanden, meer in het bijzonder met onmiddellijke ingang na het ten deze te wijzen vonnis het optreden voor het publiek (het openbaar maken) met behulp van door [eiser 1] geproduceerde orkestbanden, welke inbreuk maken op de naburige rechten en andere intellectuele eigendomsrechten en contractuele rechten van [eiser 1], te staken en gestaakt te houden;

2. [gedaagde] veroordeelt om met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden iedere verdere inbreuk op de auteursrechten van [eiser 2] die rusten op de in het lichaam van de dagvaarding genoemde door [eiser 2] gearrangeerde muziekopnamen, meer in het bijzonder met onmiddellijke ingang na het ten deze te wijzen vonnis het optreden (openbaar maken) met behulp van door [eiser 2] gearrangeerde muziekwerken, welke inbreuk maken op de auteursrechten van [eiser 2], te staken en gestaakt te houden;

( 3. ingetrokken)

4. [gedaagde] verbiedt om met onmiddellijke ingang gedurende tien jaar nadat door [eiser 1] van de uitvoering

door [gedaagde] van een bepaald werk een opname is uitgebracht, dat muziekwerk op te nemen of laten opnemen ten behoeve van het vervaardigen van geluidsdragers door derden;

5. [gedaagde] gebiedt om met onmiddellijke ingang elke verdere negatieve en onjuiste uiting over [eiser 1] in

het openbaar te staken en gestaakt doen houden, tevens inhoudende doch niet beperkt tot verwijdering van de negatieve berichten op de website http://www.erwinlive.nl/;

6. [gedaagde] beveelt te betalen een dwangsom van € 10.000,- per dag waarop [gedaagde] het hiervoor in sub 1

t/m 4 gevorderde bevel geheel of ten dele niet nakomt, of -ter vrije keuze van eisers- € 1.000,- per overtreding waarmee het hiervoor in sub 1 t/m 4 gevorderde bevel niet wordt nagekomen;

7. [gedaagde] veroordeelt in de werkelijke proceskosten van deze procedure in de zin van artikel 1019h Rv;

8. met bepaling van de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op 6 maanden na de datum van betekening

van het ten deze te wijzen vonnis.

3.1.1 Eisers leggen naast de hiervoor genoemde feiten het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. De orkestbanden behoren in eigendom toe aan [eiser 1]. Een groot deel ervan (71 van de 85 geluidsopnamen) is bovendien ingespeeld op basis van door [eiser 2] gecomponeerde arrangementen van bestaande melodieën. [gedaagde] heeft geen toestemming (meer) van [eiser 1] en [eiser 2] om (de muziek op) de orkestbanden openbaar te maken of op enigerlei wijze te exploiteren, waaronder begrepen het gebruik bij optredens. Gebleken is dat hij dit laatste sinds de beëindiging van de samenwerking met [eiser 1] heeft gedaan, en gevreesd wordt dat hij het zal blijven doen. Dit maakt inbreuk op de contractuele rechten van [eiser 1], haar naburige rechten (gebaseerd op de Wet Naburige Rechten, WNR) en de auteursrechten van [eiser 2]. [eiser 1] heeft schade geleden als gevolg van deze inbreukmakende handelingen, en verdere schade dreigt. [gedaagde] profiteert onrechtmatig van de investering van [eiser 1]. Ter zake alle hiervoor genoemde muziekopnamen met uitzondering van “Alles géve”, heeft [eiser 1] met [gedaagde] bovendien een zogenoemd “titelcontract” gesloten, bepalende dat [gedaagde] gedurende 10 jaar na uitgave (op cd) door [eiser 1] het betreffende werk niet mag (laten) uitgeven bij een derde. Eisers vrezen dat [gedaagde], nu hij een nieuwe platenmaatschappij heeft, zal handelen in strijd met deze zogenoemde titelexclusiviteit. De geciteerde uitlatingen van [gedaagde] op zijn website en in het televisie-interview zijn onrechtmatig en veroorzaken voor [eiser 1] (het risico van) schade.

3.2 De vorderingen worden door [gedaagde] weersproken. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang van eisers bij hun vorderingen ligt in de aard ervan (een verbod van verder onrechtmatig handelen) besloten. De vorderingen worden beoordeeld in de door eisers gekozen en hierboven onder 3.1 overgenomen volgorde en nummering.

4.1 De vordering onder 1. is gebaseerd op de stelling dat het gebruik van de orkestbanden moet worden gestaakt op grond van zowel de met [gedaagde] gesloten titelcontracten (zie 4.1.1 hierna) als de rechten van [eiser 1] krachtens de WNR

(zie 4.1.3 hierna).

4.1.1 Nu het kort geding zich niet leent voor bewijslevering door getuigen, [eiser 1] slechts van de cd’s “Lachend door ’t leve” en “Boerum” contracten heeft overgelegd en [gedaagde] het bestaan van meerdere contracten heeft betwist, kan slechts voor die twee opnamen van het bestaan van contracten worden uitgegaan. Bij de contracten behoren 20 bepalingen die door partijen als algemene voorwaarden zijn aangeduid, en die [gedaagde] pagina voor pagina heeft ondertekend. Hetgeen partijen over de toepasselijkheid en vernietigbaarheid van de betreffende bedingen krachtens Boek 6, titel 5, afdeling 3 BW hebben gesteld kan onbesproken blijven. De bedingen waar het in dit geding om gaat - art. 13 “Orkestbanden” en art. 5 “Titelcontract” - geven immers de kern van de prestaties aan en zijn duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, zodat krachtens art. 6:231 onder a BW voornoemde afdeling verdere toepassing mist. Art. 13 bepaalt dat het de artiest ([gedaagde]) niet is toegestaan de orkestbanden te verveelvoudigen en dat ze te allen tijde eigendom blijven van de Maatschappij ([eiser 1]) en steeds door haar opeisbaar zijn. De stelling van [gedaagde] dat de productiekosten van de orkestbanden zijn afbetaald door de verkoop van cd’s doet - ook indien juist - niet af aan het eigendomsrecht en het recht toestemming voor verder gebruik te onthouden van [eiser 1], want zodanige betalingen hebben geen overgang van eigendom of andere rechten bewerkstelligd. De vordering onder 1. is dus in elk geval voor de orkestbanden van de nummers op “Lachend door ’t Leve” en “Boerum” toewijsbaar. Dit geldt slechts voor het deel van de vordering na “in het bijzonder”. In het daaraan voorafgaande deel is de gedraging waarvan een verbod wordt gevorderd (“iedere verdere inbreuk”) zo algemeen geformuleerd dat er geen dwangsom aan kan worden verbonden zonder executieproblemen uit te lokken.

4.1.2 [eiser 1] heeft er recht op en belang bij het verbod van verder gebruik van haar orkestbanden door [gedaagde] te versterken door een dwangsom, nu [gedaagde] reeds - in elk geval op 30 augustus 2009 - in strijd met het verbod van [eiser 1] bepaalde banden of kopieën daarvan heeft gebruikt bij een optreden. Het feit dat [gedaagde] inmiddels 11 nieuwe orkestbanden heeft laten vervaardigen sluit niet uit dat hij er nog steeds behoefte aan heeft bepaalde banden van [eiser 1] te gebruiken. Heeft hij die behoefte, zoals hij stelt, niet dan heeft [gedaagde] van de veroordeling geen last.

4.1.3 Voorshands is aannemelijk dat niet alleen de hiervoor onder 4.1.1. genoemde twee orkestbanden maar ook de overige orkestbanden, met uitzondering van “Spring wie ‘ne knien” en “Keutel” die door [gedaagde] met het Merretkoer in eigen beheer zijn opgenomen en waarvan zij als producent hebben te gelden, eigendom zijn van [eiser 1], althans dat [eiser 1] ook ten aanzien van die overige banden het recht heeft [gedaagde] verder gebruik te verbieden. Deze geluidsbanden zijn te beschouwen als fonogrammen en [eiser 1] (gelet op het hiervoor onder 2.2. vastgestelde feit) als producent daarvan, beide als bedoeld in art. 6 lid 1 WNR. Het uitsluitend recht om toestemming tot openbaarmaking te geven, en dus ook om deze voor de toekomst te onthouden en openbaarmaking daardoor te verbieden, komt krachtens art. 6 lid 1 eerste zin en onder a aan deze producent toe. [eiser 1] heeft dit recht uitgeoefend zoals hiervoor onder 2.3 en 2.4 is vastgesteld en [gedaagde] heeft haar sommatie, ten minste gedeeltelijk en tijdelijk, naast zich neergelegd. [eiser 1] behoeft niet genoegen te nemen met een vergoeding als bedoeld in art. 7 lid 1 WNR. Dat artikel beoogt kennelijk een praktische regeling te bieden voor de uitzending, doorgaans over de radio, van “nummers” waarop rechten van producent of artiest rusten. Orkestbanden zijn niet aan te merken als “een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram” als bedoeld in art. 7 lid 1. Zij worden als zodanig - zonder eerste zangstem - immers in het algemeen niet verkocht. Voor de toewijsbaarheid van de vordering onder 1. wordt verder verwezen naar de overwegingen 4.1.1 (laatste twee zinnen) en 4.1.2 hierboven, die gelden ongeacht de grondslag van toewijzing.

4.2 De vordering onder 2. is gebaseerd op schending door [gedaagde] van de auteursrechten van [eiser 2]. De arrangementen zoals opgenomen op de betreffende orkestbanden zijn scheppingen van diens geest zijn en worden beschermd door de Auteurswet, aldus eisers. In het midden kan blijven in hoeverre op de orkestbanden inderdaad (ook) auteursrechten van [eiser 2] rusten die [gedaagde] heeft geschonden. Beoordeling van deze grondslag van de - aan de vordering onder 1. vrijwel gelijkluidende - vordering onder 2. is overbodig, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen en beslist. Overigens is de vordering voorafgaand aan de woorden “in het bijzonder”, gelijk hiervoor onder de laatste zin van 4.1.1.reeds is overwogen ten aanzien van het eerste gedeelte van de vordering onder 1., te algemeen geformuleerd om op straffe van een dwangsom te kunnen worden toegewezen.

4.3 Ter terechtzitting hebben eisers hun eis verminderd in die zin dat zij hun oorspronkelijke vordering onder 3. hebben ingetrokken. Deze kwam erop neer dat [gedaagde] werd veroordeeld een door een registeraccountant gecertificeerde verklaring over te leggen met betrekking tot zijn gebruik en bezit van orkestbanden van [eiser 1] en de daarmee behaalde winst in de periode na 26 juni 2009. Door de intrekking van de vordering, waarop [gedaagde] zich heeft moeten voorbereiden, ter zitting, is [eiser 1] op dit onderdeel te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij.

4.4 Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.1.1 is overwogen, oordeelt de voorzieningenrechter dat slechts voor de producties “Lachend door ’t leve” en “Boerum” vaststaat dat [eiser 1] exclusiviteitsrechten heeft die [gedaagde] verbieden ze door een derde te doen opnemen en produceren. Exclusiviteitsrechten baseert [eiser 1] immers op titelcontracten en die bestaan – voor zover thans is vast te stellen – slechts voor de twee genoemde producties. Niettemin wordt ook voor deze titels de vordering onder 4. afgewezen. Voor toewijzing in kort geding van het gevorderde verbod dient immers niet slechts [eiser 1]’s recht daarop maar ook haar spoedeisend belang daarbij aannemelijk te zijn. Tegenover de gemotiveerde ontkenning door [gedaagde] dat hij enig plan zou hebben om nummers van de genoemde cd’s opnieuw op te (doen) nemen heeft [eiser 1] de gronden voor haar vrees dat hij in strijd met de titelexclusiviteit zal handelen, en daarmee haar spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, niet aannemelijk gemaakt.

4.5 Bij de beoordeling van de vordering onder 5. staat voorop dat art. 10 lid 1 EVRM de vrijheid van meningsuiting waarborgt. Art. 10 lid 2 maakt het mogelijk aan deze vrijheid bij wet beperkingen te verbinden. Zo’n beperking is art. 6:162 BW, dat onrechtmatig handelen bedreigt met aansprakelijkheid voor de daardoor ontstane schade. Voor toewijzing van het gevorderde verbod zich op een bepaalde wijze uit te laten, volstaat het dus niet te stellen

- zoals eisers hebben gedaan - dat de reeds gedane en voor de toekomst gevreesde uitlatingen jegens eisers negatief of onjuist zijn. In zoverre is deze vordering van onvoldoende feitelijke grondslag voorzien, reden waarom zij moet worden afgewezen. Voorshands deelt de rechtbank overigens niet het oordeel van eisers dat de hierboven onder 2.5 geciteerde uitlatingen van [gedaagde] geen steun vinden in de feiten zoals die hem op het moment dat hij die uitlatingen deed bekend waren. Evenmin is de voorzieningenrechter - gelet op de geëindigde relatie tussen partijen en de wederzijdse belangen - van oordeel dat [gedaagde] zijn verontwaardiging publiekelijk heeft geuit in bewoordingen waarvan hij zich, uit een oogpunt van jegens een voormalige contractspartij betamelijke zorgvuldigheid, had behoren te onthouden.

4.6 De dwangsom wordt op aan redelijkheid en billijkheid ontleende gronden, mede in aanmerking genomen de omvang van de betrokken belangen van partijen, gematigd en gemaximeerd als hierna te vermelden.

4.7 Omdat met het bovenstaande partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4.8 Nu slechts [eiser 1] een verzoek als bedoeld in artikel 50 lid 6 van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom heeft gedaan, ziet de voorzieningenrechter geen grond om een termijn voor het aanhangig maken van de eis in de hoofdzaak te bepalen die afwijkt van de ook in deze zaak redelijke termijn van 31 dagen bedoeld in genoemd artikellid juncto artikel 1019i lid 2 Rv.

De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

verbiedt [gedaagde] om met ingang van de datum van de betekening van dit vonnis met behulp van door [eiser 1] geproduceerde orkestbanden – dus met uitzondering van de orkestbanden van “Spring wie ‘ne knien” en “Keutel”- op te treden voor het publiek of deze orkestbanden op andere wijze openbaar te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 2.500,- voor elke overtreding door [gedaagde] van dit verbod tot een maximum van

€ 25.000,-;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.