Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ9937

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 557 en AWB 08 / 558
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering; gezamenlijke huishouding; kostganger; medeterugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummers: AWB 08 / 557 en AWB 08 / 558

Uitspraak

in het geding tussen

[eisers],

wonend te Maastricht, eiser en eiseres (hierna ook te noemen: eisers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 4 maart 2008

Kenmerken: 16346121 WWB/TV 356396 en 16346121 WWB/TV 364068

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluiten.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en heeft tevens verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld. Het onderzoek ter zitting is geopend op 23 april 2009. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde P.W.P.M. Simons, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door M. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht. Eisers hebben als getuige meegebracht [[getuige A]]. Aangezien de door eisers opgeroepen getuigen [B] en [C] niet zijn verschenen, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en besloten de drie voormelde getuigen op te roepen. Het onderzoek is hervat op 9 juli 2009, waarbij partijen in voornoemde samenstelling en de opgeroepen getuigen zijn verschenen.

De hervatting van het onderzoek heeft deels gevoegd plaatsgevonden met de behandeling van het beroep van eiser geregistreerd onder AWB 08 / 123.

2. Overwegingen

Eiseres ontving vanaf 20 juni 2006 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, waarbij verweerder haar naar eigen opgave heeft aangemerkt als kostganger (bij eiser). Naar aanleiding van een anonieme schriftelijke tip van “straatbewoners”, dat sprake was van een samenwoning met eiser en van het niet opgeven van inkomsten, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. Bij besluit van 11 april 2007 is de uitkering ingaande 1 april 2007 beëindigd wegens het hebben van inkomsten. Dit besluit is hier verder niet in geding.

Bij besluit van 20 september 2007 is - voor zover hier nog van belang - het recht op bijstand van eiseres over de periode van 20 juni 2006 tot en met 31 maart 2007 ingetrokken, op de grond dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden en zij uit hoofde van haar relatie met eiser inkomsten had boven de bijstandsnorm. Voorts is de over die periode ten onrechte aan eiseres verstrekte bijstand van eiseres én eiser, die mede hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, teruggevorderd.

Bij de in de aanhef vermelde, afzonderlijke, besluiten is het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard in zoverre dat de intrekking en terugvordering zich beperkt tot de periode van 1 september 2006 tot en met 31 maart 2007, en voor het overige ongegrond verklaard.

Het bezwaar van eiser is ongegrond verklaard.

Ten aanzien van het beroep van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Aangezien vaststaat dat eiseres ten tijde in geding haar hoofdverblijf had in dezelfde woning als eiser, is voor de vraag of ingaande (gelet op de gewijzigde datum) 1 september 2006 sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding bepalend of er voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), zie onder meer de uitspraak van 6 januari 2009 (LJN: BH0348), kan deze zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Buiten de financiële verstrengeling kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor de conclusie dat eisers blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De rechtbank hecht met name betekenis aan de door eisers op 25 juli 2007 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen. Zo heeft eiseres verklaard dat zij eiser hielp met alle financiële zaken, dat van het door eiseres aan eiser overgemaakte zogenaamde kostgeld hun boodschappen werden gekocht, dat zij al het geld dat zij overhielden gebruikten om van te leven en dat eiseres altijd betaalde als zij op stap gingen. Daarnaast heeft eiseres nog verklaard dat zij de was deed voor eiser en dat zij voor elkaar kookten. Uit de verklaringen van eisers blijkt ten slotte dat zij gedurende de periode van uitkering samenwoonden als man en vrouw en dat zij geld afhaalden van elkaars bankrekening.

Ten aanzien van voormelde verklaringen ziet de rechtbank geen aanleiding in dit geval

af te wijken van de vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van

13 januari 2009 (LJN: BH2261), dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eisers hun verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk hebben afgelegd. De ter zitting door de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen hebben de rechtbank in dezen niet tot een ander oordeel gebracht. In dit verband tekent de rechtbank aan dat de verklaringen van eisers gedetailleerd zijn en, terwijl zij apart van elkaar zijn verhoord, in grote lijnen met elkaar overeenstemmen. Daarbij hebben eiser en eiseres hun verklaring zonder enig voorbehoud, respectievelijk met een enkele aanvulling, op elke pagina ondertekend voor juiste weergave, waarmee eveneens blijk ervan is gegeven dat zij na doorlezing in hun verklaring hebben volhard. De verklaringen vinden bovendien steun in de overige gedingstukken, te weten de anonieme brief van “straatbewoners”, die op

8 januari 2007 bij verweerder is ingekomen, en de processen-verbaal van de getuigen

[D] en [E]. Anders dan eisers acht de rechtbank de anonieme brief voldoende concreet en onderbouwd voor het instellen van een nader onderzoek naar het recht op bijstand van eiseres, welk onderzoek in dit geval heeft bestaan uit een verhoor van eisers. Verweerder heeft aldus gehandeld overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de CRvB, zie bij voorbeeld de uitspraak van 7 april 2009 (LJN: BI0937).

Nu eisers aan hun verklaringen moeten worden gehouden, moet tevens worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een louter zakelijke kostgangerrelatie, maar van een relatie die de grenzen overschrijdt van hetgeen in een zakelijke relatie gebruikelijk is. Aan de door eisers onderling aangegane kostgangerovereenkomst kan de rechtbank niet die betekenis hechten die eisers daaraan thans toegekend willen zien. Hierbij wijst de rechtbank er nog op, dat eiseres heeft verklaard dat de kostgangerovereenkomst destijds enkel op schrift is gesteld met het oog op het verkrijgen van een uitkering. De uit de overeenkomst voortvloeiende financiële bijdrage moet in het onderhavige geval worden gekwalificeerd als een bijdrage in de kosten van de huishouding. Voor zover eiseres die bijdrage is blijven voortzetten, maakt dit het vorenstaande niet anders. Het enkele feit dat eiseres zich in september 2006 heeft ingeschreven bij het woningbureau, maakt evenmin dat om die reden aangenomen dient te worden dat geen sprake was van een samenwoning in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. De stelling dat er slechts één keer gebruik is gemaakt van elkaars pinpas en wel onder bijzondere omstandigheden, vindt geen steun in de door eisers afgelegde verklaringen. De verwijzing naar de rol c.q. rapportage van de bijstandconsulente kan de rechtbank in dezen niet plaatsen. Voor zover de consulente al tijdens het huisbezoek zou hebben gezegd dat alles in orde was, was dit gebaseerd op een door eisers gegeven onjuiste voorstelling van zaken. Daarbij blijkt uit de rapportage dat de consulente tijdens het huisbezoek eraan twijfelde of er daadwerkelijk sprake was van kostgangerschap. Zij heeft eisers toen nog erop gewezen dat fraude vergaande gevolgen kon hebben.

De door eisers in bezwaar ingebrachte schriftelijke getuigenverklaringen zien op het al dan niet door eiseres opgeven van inkomsten uit werkzaamheden, hetgeen niet aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd. Die verklaringen behoeven dan ook geen bespreking.

Voor wat betreft de ter zitting afgelegde verklaring van [getuige A], een vriend en buurman van eiser, overweegt de rechtbank dat deze verklaring niet kan opwegen tegen de onderzoeksresultaten verkregen door de sociale recherche.

Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen staat voor de rechtbank vast dat ten tijde hier van belang ten aanzien van eiser en eiseres sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB, zodat eiseres voor de toepassing van de WWB als gehuwd moet worden aangemerkt. Eiseres kon om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht meer op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Nu eiseres van de gezamenlijke huishouding geen melding heeft gemaakt bij verweerder, heeft zij de wettelijk op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge van deze schending is aan eiseres ten onrechte over de periode van 1 september 2006 tot en met 31 maart 2007 bijstand verleend, zodat verweerder bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan haar verleende bijstand in te trekken.

In hetgeen is aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot deze intrekking heeft kunnen besluiten.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan zodat verweerder bevoegd was om de ten onrechte voor eiseres gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2006 tot en met 31 maart 2007 van eiseres terug te vorderen.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder heeft beslist overeenkomstig zijn, niet onredelijk te achten, beleid inzake van terugvordering. In hetgeen is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in afwijking van het beleid, geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Het beroep van eiseres is ongegrond.

Ten aanzien van het beroep van eiser overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft de kosten van bijstand, na heroverweging per 1 september 2006, met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van eiser teruggevorderd.

De rechtbank dient te beoordelen of ten aanzien van eiser is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende zijn inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van degene met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, eiser die persoon is, is vereist dat hij in de hier van belang zijnde periode met eiseres een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd. Onder verwijzing naar de eerdere overwegingen in deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser terecht heeft aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan eiseres rekening had moeten worden gehouden. Zij worden als gehuwd aangemerkt.

De omstandigheid dat eiser ten tijde in geding over een inkomen beschikte van meer dan de geldende bijstandsnorm, laat onverlet dat aan het oordeel dat die bijstand ten onrechte niet als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend, kan worden toegekomen. De rechtbank wijst hiervoor op de vaste lijn van de CRvB, zie de uitspraak van 6 januari 2009 (LJN: BH0342), dat de terugvordering in artikel 59 van de WWB niet alleen gericht is op de persoon aan wie de bijstand is verleend, maar zich tevens uitstrekt tot de personen, die in de bijstand bedoeld in de artikelen 3, 4, 11, vierde lid, en 18, eerste en vierde lid, van de WWB zijn begrepen.

Hiermee is gegeven dat ten aanzien van eiser is voldaan aan de voorwaarde van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Verweerder was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte verleende bijstand vanaf 1 september 2006 mede van eiser terug te vorderen. Niet is gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hebben van schulden zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien.

Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, dient derhalve te falen. Niettemin ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

De rechtbank overweegt hiertoe dat, na heroverweging, de terugvordering over de periode van 20 juni 2006 tot 1 september 2006 niet langer is gehandhaafd. Het beroep van eiseres is om die reden deels gegrond verklaard, het terug te vorderen bedrag is verminderd van een bedrag van € 7692,50 naar een bedrag van € 5621,52 en, omdat de oorspronkelijke vordering reeds was voldaan, is een bedrag van € 2070,98 aan eiseres gerestitueerd. Het beroep van eiser is, ondanks het vorenstaande, geheel ongegrond verklaard.

Weliswaar is in de beslissing op bezwaar aangaande eiser erkend dat de terugvordering eerst aanvangt op 1 september 2006 en heeft daarom in materieel opzicht een juiste toetsing plaatsgevonden, het uiteindelijke (mede)terugvorderingbedrag is niet aangepast naar een bedrag van € 5621,52. Ter zitting heeft verweerder aangegeven, dat ook het beroep van eiser (deels) gegrond had dienen te worden verklaard.

Onder verwijzing naar de laatst aangehaalde uitspraak van de CRvB van 6 januari 2009, ziet de rechtbank reden om het bestreden besluit in zijn geheel te vernietigen, omdat een (mede)terugvorderingbesluit als één geheel dient te worden beschouwd, aangezien dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand.

Gelet op de thans voorhanden gegevens - waaronder het feit dat de vordering reeds is voldaan - zal de rechtbank ter finale beslechting van het geschil van eiser met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en bepalen dat van eiser (slechts) de kosten van de aan eiseres over de periode van 1 september 2006 tot en met

31 maart 2007 verleende bijstand worden teruggevorderd tot een bedrag van € 5621,52.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake twee en een halve punt toe (waarde per punt € 322,--) voor de indiening van het beroepschrift, het bijwonen van de zitting en de nadere zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x € 322,-- x 1 = € 805,--.

3. Beslissing

De rechtbank:

1.verklaart het beroep van eiseres ongegrond;

2.verklaart het beroep van eiser gegrond;

3.vernietigt het op het bezwaar van eiser genomen besluit van 4 maart 2008;

4.bepaalt dat de kosten van de over de periode van 1 september 2006 tot en met

31 maart 2007 aan eiseres verleende bijstand tot een bedrag van € 5621,52 van eiser worden teruggevorderd;

5.bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- wordt vergoed door verweerder.

6.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan

de zijde van eiser begroot op € 805,-- wegens kosten van rechtsbijstand, te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gedaan door M. Hillen, voorzitter, en P.J.M. Bruijnzeels en M.A.H. Span-Henkens, leden, in tegenwoordigheid van I.H.J. van Neer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2009.

w.g. I. van Neer w.g. M. Hillen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 30 september 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.