Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ9710

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
284029 CV EXPL 08-636
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert om voor recht te verklaren dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst door werkgever – gedaagde – nietig is. Gaandeweg de procedure is duidelijk geworden dat tussen partijen sprake is van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW.

Op basis van de stellingen van partijen gaat de kantonrechter uit van toepasselijkheid van de NBBU-cao.

De inlener heeft te kennen gegeven eiser niet langer te kunnen inlenen. Op grond van artikel 13 lid 3 van genoemde cao is de arbeidsovereenkomst om die reden van rechtswege geëindigd. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 194
AR-Updates.nl 2009-0748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Sittard

Zaaknummer: 284029 CV EXPL 08-636

typ: AodK

Vonnis van 23 september 2009

in de zaak

[eisende partij],

wonend te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen [eisende partij],

gemachtigde: mr. G.W.J. Rietra, advocaat te Heerlen, (toevoeging [nummer])

tegen

BOSTACON B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Beek,

gedaagde partij,

hierna te noemen Bostacon,

gemachtigde aanvankelijk: mr. Y.L.S. Schipper, adviseur te Sittard, en vanaf 19 augustus 2008 mr. S.M.L.L. Bijloos, advocaat te Maastricht.

1. VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter uitvoering van het in deze zaak op 9 april 2008 gewezen tussenvonnis heeft op 21 mei 2008 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

Daarna is de zaak aangehouden voor beraad royement.

Bostacon heeft ter rolzitting van 2 juli 2008 op voortzetting van de procedure aangedrongen.

Vervolgens hebben beide partijen achtereenvolgens respectievelijk nog een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek genomen.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is vastgesteld op heden.

Door afwezigheid en ziekte van de kantonrechter tegenover wie de comparitie d.d. 21 mei 2008 heeft plaatsgevonden en die tot dusver de zaak in behandeling had, wordt dit vonnis gewezen door een andere kantonrechter.

Namens de Sector Kanton van deze Rechtbank betuigt deze kantonrechter spijt voor de vertraging die buiten toedoen van partijen bij het wijzen van vonnis is opgetreden en hij biedt partijen daarvoor excuses aan.

2. VERDERE MOTIVERING

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat – mede op basis van de niet-weersproken producties – het volgende vast.

[eisende partij] is op 14 september 2005 bij Bostacon krachtens arbeidsovereenkomst voor de duur van een project doch maximaal voor drie jaar in dienst getreden en hij is achtereenvolgens voor verschillende opdrachtgevers van Bostacon werkzaam geweest. De arbeidsovereenkomst is zijdens Bostacon ingaande 3 november 2007 beëindigd/geëindigd verklaard.

2.2. [eisende partij] stelt – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende.

In de arbeidsovereenkomst – waarop de “CAO voor de bouw” van toepassing is – is de mogelijkheid vastgelegd dat [eisende partij] bij wisselende opdrachtgevers van Bostacon werkzaam kon zijn, hetgeen ook daadwerkelijk het geval is geweest.

[eisende partij] heeft zich op 22 oktober 2007 ziek gemeld en was laatstelijk voor zijn ziekmelding werkzaam op een project in Simpelveld ingevolge een opdracht van [opdrachtgever] aan Bostacon.

Bostacon heeft per brief van 6 november 2007 medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] per 3 november 2007 ten einde was gekomen op 2 november 2007 “wegen Ende des Arbeit durch den Auftraggeber”.

De werkelijke reden is volgens [eisende partij] echter gelegen in het feit dat hij zich ziek heeft gemeld. Bostacon heeft na de ziekmelding nieuwe medewerkers aangenomen en geplaatst op projecten van haar opdrachtgevers.

[eisende partij] is van oordeel dat de “opzegging” van de arbeidsovereenkomst door Bostacon niet rechtsgeldig is. [eisende partij] heeft de “nietigheid” (bedoeld zal zijn de vernietigbaarheid van artikel 9 BBA dan wel die ex artikel 7:677 lid 5 BW) van de beëindiging ingeroepen, zich beschikbaar gehouden voor de werkzaamheden en loondoorbetaling gevorderd. Bostacon is echter niet bereid [eisende partij] na zijn ziekte de werkzaamheden te laten hervatten.

2.3. Op grond van het vorenstaande vordert [eisende partij] dat voor recht wordt verklaard dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 3 november 2007 “nietig” is, althans te bepalen dat de onderhavige arbeidsovereenkomst in stand is gebleven, alsmede om Bostacon te veroordelen tot betaling van achterstallig brutoloon en “vakantiegeld”, althans “dit vast te stellen”, alsmede tot vergoeding van rente en incassokosten en om Bostacon te verwijzen in de proceskosten.

2.4. Bostacon voert – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende verweer.

Bostacon is vanaf 1 januari 2007 lid van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen. Op de arbeidsovereenkomst is daarom niet de “CAO Bouw” maar de “NBBU cao” van toepassing. [eisende partij] diende, in verband met het vorenstaande, een nieuw contract te tekenen, maar heeft dit niet gedaan.

[eisende partij] was vanaf 16 oktober 2007 werkzaam voor Betim Bouw B.V. Deze opdrachtgever heeft op 1 november 2007 aan Bostacon medegedeeld niet langer gebruik te willen maken van de – door Bostacon aangeboden – diensten van [eisende partij]. Omdat het project was afgelopen – waardoor geen werkzaamheden meer voor [eisende partij] beschikbaar waren –, heeft Bostacon zich op het standpunt gesteld dat per 3 november 2007 de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] (van rechtswege) geëindigd was.

Gelet op de duur van het dienstverband bevond [eisende partij] zich ten tijde van dit einde in ‘fase 2’ en was op grond van artikel 13 van de cao voor de beëindiging geen opzegging nodig.

2.5. Partijen hebben ter gelegenheid van de comparitie van 21 mei 2008 de respectieve standpunten nog verder toegelicht. Omdat zij van mening verschillen over de toen gemaakte afspraak (afspraken), heeft Bostacon voortzetting van de procedure verzocht en hebben partijen nog gerepliceerd en gedupliceerd.

2.6. Uit de stukken blijkt dat Bostacon, die op haar briefpapier onder de “bedrijfsnaam” steeds het woord “detachering” vermeldt, een uitzendorganisatie is. Ook [eisende partij] heeft dat begrepen. Bij repliek duidt hij Bostacon immers ook aan als een uitzendorganisatie.

[eisende partij] heeft vanaf 14 september 2005 voor verschillende opdrachtgevers van Bostacon gewerkt. Mede in het licht van de door partijen in kopie overgelegde overeenkomst die betrekking heeft op de “ter beschikking stelling” van [eisende partij] door Bostacon aan een derde, rechtvaardigt een en ander de conclusie dat tussen partijen sprake is van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW.

2.7. Bij exploot stelt [eisende partij] dat de “CAO voor de Bouw” van toepassing is. Hij onderbouwt deze stelling echter niet en licht niet toe om welke reden de kennelijk door hem bedoelde cao zou gelden en op grond waarvan hij zelf de toepasselijkheid daarvan in rechte zou kunnen inroepen en/of er jegens Bostacon afdwingbare rechten aan kan ontlenen (lidmaatschap vakbond / algemeenverbindendverklaring / incorporatie).

Bostacon heeft de stelling van [eisende partij] gemotiveerd betwist en van haar kant gesteld vanaf 1 januari 2007 lid te zijn van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen, zodat de NBBU-cao van toepassing is.

[eisende partij] heeft dit ter gelegenheid van de comparitie en bij repliek niet weersproken.

De kantonrechter gaat daarom uit van toepasselijkheid van de NBBU-cao, daargelaten of de gebondenheid van partijen een gevolg is van incorporatie of algemeenverbindendverklaring.

2.8. [eisende partij] heeft niet betwist dat hij vanaf 16 oktober 2007 werkzaam is geweest bij de opdrachtgever Betim Bouw B.V. of dat de onderhavige werkzaamheden binnen het toepassingsgebied van de NBBU-cao vallen en evenmin dat hij zich op 2 november 2007 in fase 2 bevond, zodat ook dit feitencomplex voor juist dient te worden gehouden.

Bedoelde uitzendovereenkomst is weliswaar niet in het geding gebracht, maar de inhoud daarvan is in het licht van de (uiteindelijke) stellingname geen punt van discussie.

In de NBBU-cao is in artikel 13 lid 3 bepaald dat gedurende fase 2 de uitzendovereenkomst ten einde komt doordat de inlener om welke reden dan ook de uitzendkracht niet langer wil of kan inlenen en voorts doordat de uitzendkracht om welke reden dan ook, daaronder begrepen arbeidsongeschiktheid, de bedongen arbeid niet wil of kan verrichten.

Blijkens het in kopie overgelegde schrijven van Betim Bouw B.V. d.d. 1 november 2007 (productie 3 bij antwoord) wilde zij als inlener met ingang van 3 november 2007 geen gebruik meer maken van de diensten van [eisende partij]. [eisende partij] zegt twijfels te hebben over dit stuk. Het is inderdaad opvallend of misschien zelfs dubieus dat Bostacon en Betim Bouw B.V. op hetzelfde adres zijn gehuisvest en hetzelfde postbusnummer hanteren, maar [eisende partij] werkt zijn twijfels over authenticiteit van de opstelling van Betim in het geheel niet uit. Bij een dergelijke ongemotiveerde tegenwerping moet ervan uitgegaan worden dat de inlener duidelijk en definitief aan Bostacon heeft doen weten de inlening van de bewuste uitzendkracht te staken, met alle gevolgen vandien.

2.9. Het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd leidt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 3 november 2007 van rechtswege is geëindigd. De vordering van [eisende partij] zal om die reden worden afgewezen.

2.10. [eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Bostacon begroot op € 750,00.

3. BESLISSING

3.1. Wijst de vordering af.

3.2. Veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Bostacon tot dusver begroot op € 750,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.