Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ8341

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
327374 CV EXPL 09-1290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Vordering afgewezen. Niet is komen vast te staan dat eiser als gevolg van een rechtsgeldige cessie een vordering heeft op gedaagde."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 327374 CV EXPL 09-1290

typ: RW

toevoeging gedaagde partij: [nummer]

vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

Intrum Justitia Nederland B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eisende partij,

hierna te noemen Intrum,

gemachtigden: J.H.L. Sinkiewicz, deurwaarder te Maastricht en mr. P.L.J.M. Guinée, werkzaam bij Intrum,

tegen

[gedaagde partij],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde: mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn achtereenvolgens de volgende processtukken gewisseld:

- exploot van dagvaarding van 3 maart 2009 met een productie;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek met een productie;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

Intrum vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.889,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening, onder verwijzing van [gedaagde partij] in de kosten van dit geding.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt Intrum het volgende.

Intrum heeft de onderhavige vordering gekocht van Orange Nederland N.V. (hierna te noemen Orange).

Orange en [gedaagde partij] hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan Orange aan [gedaagde partij] tegen betaling diensten, waaronder mobiele telefonie, heeft aangeboden. [gedaagde partij] is ondanks diverse betalingsherinneringen haar uit die overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen niet nagekomen, waardoor Intrum van [gedaagde partij] een bedrag van

€ 1.729,79 te vorderen heeft. Daarnaast vordert Intrum betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim, tot en met 26 februari 2009 berekend op een bedrag van € 364,76. Voorts vordert Intrum vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 300,00. [gedaagde partij] heeft na aanmaning van de gemachtigde van Intrum een bedrag van € 504,96 betaald, zodat Intrum in totaal van [gedaagde partij] te vorderen heeft een bedrag van € 1.889,59.

In haar conclusie van antwoord erkent [gedaagde partij] dat er betalingsachterstand is opgetreden. Oorzaak daarvan is dat er in januari 2009 “door een andere partij” beslag is gelegd op haar inkomen. [gedaagde partij] voert aan dat zij sedert 13 december 2004 onder bewind is gesteld (bedoeld zal zijn dat haar goederen onder bewind zijn gesteld). [gedaagde partij] stelt dat zij niet in staat is de vordering te voldoen. Volgens haar zal, als het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tenuitvoerlegging van dat vonnis het “minnelijk traject” frustreren. Zij zal zich dan gedwongen zien een verzoek ex artikel 287b lid1 Fw in te dienen. Omdat dit naar de mening van [gedaagde partij] een volstrekt “onnodige extra procedure” veroorzaakt, acht zij het redelijk om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en de vordering in die zin af te wijzen. [gedaagde partij] stelt voorts dat de rente en incassokosten in redelijkheid niet verschuldigd zijn, omdat zij niet in redelijkheid gemaakt kunnen zijn. Primair concludeert [gedaagde partij] tot afwijzing van de vordering dan wel tot niet-ontvankelijkheid van Intrum in haar vordering. Subsidiair is [gedaagde partij] van mening dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd tot de gevorderde hoofdsom, onder afwijzing althans matiging van de incassokosten. Meer subsidiair bepleit [gedaagde partij] om het te wijzen vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans in ieder geval niet voor een periode van zes maanden na betekening van het vonnis.

Bij repliek stelt Intrum dat de financiële moeilijkheden van [gedaagde partij] geen rechtens te respecteren grond zijn voor afwijzing van de vordering of om tot niet-ontvankelijkheid van Intrum te concluderen. Voor een afwijzing van de gevorderde vergoeding van de incassokosten bestaat volgens Intrum geen grond, aangezien [gedaagde partij] ondanks aanmaningen en sommaties van de zijde van Orange niet is overgegaan tot betaling. Orange heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten de vordering “ter incasso over te dragen” aan Intrum. Intrum verwijst vervolgens voor wat betreft de aan deze kosten ten grondslag liggende werkzaamheden naar een door haar overgelegd overzicht. Er is volgens Intrum voorts geen grond haar vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, af te wijzen. De door [gedaagde partij] aangevoerde grond is volgens haar onbegrijpelijk, aangezien hetgeen door/ namens haar is bepleit, hooguit bij tenuitvoerlegging leidt tot schorsende werking door een eventueel hoger beroep van [gedaagde partij]. Intrum wijst er op dat het [gedaagde partij] vrijstaat om met haar contact op te nemen om, nadat vonnis is gewezen, een betalingsregeling te treffen.

In haar conclusie van dupliek voert [gedaagde partij] aan dat Intrum niet heeft aangetoond daadwerkelijk rechthebbende te zijn van de vordering. In dat kader wijst [gedaagde partij] er op dat Intrum heeft gesteld dat Orange de vordering “ter incasso” aan Intrum heeft

“overgedragen”. Volgens [gedaagde partij] blijkt hieruit dat Orange haar aanspraken op de vordering kennelijk nimmer heeft opgegeven. Van de gestelde aanmaningen heeft Intrum geen deugdelijk bewijs geleverd, aldus [gedaagde partij]. Volgens [gedaagde partij] is het in het proceseconomische belang van alle betrokken partijen indien het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. [gedaagde partij] vindt dat Intrum haar ten onrechte heeft gedagvaard, nu Intrum blijkbaar zelf ook de mening is toegedaan dat een minnelijke regeling de voorkeur heeft.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

De goederen van [gedaagde partij] zijn onder bewind gesteld bij beschikking van 13 december 2004 van de kantonrechter te Maastricht. Bij beschikking van 17 januari 2006 van de kantonrechter te Boxmeer is mr. Libotte, de gemachtigde van [gedaagde partij] in deze procedure, benoemd tot haar bewindvoerder. [gedaagde partij] is op grond van een met Orange gesloten overeenkomst een bedrag van € 1.729,79 verschuldigd (geweest) aan Orange. [gedaagde partij] heeft tot op heden daarvan een bedrag van € 504,96 betaald.

Intrum zegt – zonder onderbouwende documentatie of verdere adstructie – de onderhavige vordering van Orange gekocht te hebben. Een dergelijke koop creëert op zichzelf genomen echter geen recht van Intrum jegens [gedaagde partij]. Pas nadat ingevolge die koop levering van de vorderingsrechten heeft plaatsgevonden en nadat aan [gedaagde partij] dienaangaande een mededeling is gedaan, is sprake van een rechtsgeldige cessie en kan de gekochte vordering van Intrum leiden tot actie op haar (Intrums) eigen naam jegens de debiteur, in casu [gedaagde partij]. Intrum heeft weliswaar (onbetwist) gesteld dat [gedaagde partij] schriftelijk op de hoogte is gesteld van een (“welke”) overname, maar zij heeft niets gesteld omtrent de levering van de vorderingsrechten terwijl overigens ook de wel – bij exploot gestelde “koop” tegenover de betwisting zijdens [gedaagde partij] niet van nadere toelichting en/of documentatie is voorzien. Intrum heeft hierdoor niet voldaan aan de gemotiveerde stelplicht, zodat niet is komen vast te staan dat zij een zelfstandige vordering heeft jegens [gedaagde partij]. Hieruit volgt dat de vordering van Intrum integraal dient te worden afgewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Intrum in de kosten worden verwezen.

BESLISSING

Wijst de vordering af.

Veroordeelt Intrum tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] tot de datum van dit vonnis begroot op € 300,00 aan salaris gemachtigde, te betalen aan de griffier van de R echtbank.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.